Het bezoek der heerlijkheid

Een Goddelijk principe

De profetische uitspraken van het Oude Testament verkondigen de werkzaamheid van de Heilige Geest in de Gemeente/Kerk van onze tijd. Wij komen door heel het Woord van God heen een Goddelijk principe tegen en dat is dat voordat het oordeel komt, de Here Zijn volk bezoekt met genade en met een uitstorting van de Heilige Geest. Dat lezen wij bijvoorbeeld in Zacharia 2:8-10, “Want zo zegt de HEERE van de legermachten: Nadat Hij heerlijkheid heeft beloofd, heeft Hij Mij gezonden tot die heidenvolken die u beroven (SV: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben), want wie u aanraakt, raakt Zijn oogappel aan. Want, zie, Ik beweeg Mijn hand over hen en zij zullen hun dienaren (SV: knechten) tot buit worden. Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten Mij gezonden heeft. Juich en verblijd u, dochter van Sion, want, zie, Ik kom, en zal in uw midden wonen, spreekt de HEERE.” [1]
Eerst komt de openbaring van de heerlijkheid van God. Daarna komt het oordeel, het verderf over de volkeren. Het volk des Heren is het voorwerp van Zijn genegenheid, het is Zijn “oogappel”. Zo dierbaar is Hem Zijn Gemeente/Kerk, dat Hij haar vergelijkt met het meest gevoelige en meest vitale deel van het oog. Zij zal juichen en zich verblijden, uitdrukking geven aan haar grote vreugde en geluk. Dat is het gevolg van de tegenwoordigheid des Heren. De Allerhoogste woont in het midden van Zijn volk. Niet slechts onder hen, maar letterlijk inwonend IN hen. De Bruid zal de Tempel van God zijn. Zijn tegenwoordigheid zal die heerlijke en wondervolle Bruid van Christus tot alle volheid toe vervullen. Het is oogsttijd, een tijd van verzamelen. Menigten zullen zich tot de Here bekeren om Zijn volk te worden, als de Gemeente/Kerk in opwekking is.

De maat van Christus

Jeruzalem, de Bruid, zal door de Heer gemeten worden. Er zijn onveranderlijke, specifieke, Goddelijke vereisten waaraan voldaan moet worden door iemand als hij/zij een plaats wil krijgen in de Bruid. Zacharia 2:1-5, “Opnieuw sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man met een meetsnoer in Zijn hand. Toen zei ik: Waar gaat U heen? Hij zei tegen mij: Ik ga Jeruzalem (= het NIEUWE Jeruzalem, de Bruid van het Lam van God, het lichaam van Christus) opmeten om te zien hoe groot zijn breedte en hoe groot zijn lengte zal zijn. En zie, de Engel Die met mij sprak, trad naar voren en een andere engel trad Hem tegemoet. En Hij zei tegen hem: Loop snel, spreek tot die jongeman (SV: jongeling) en zeg: Jeruzalem zal niet ommuurd blijven (SV: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden), vanwege de veelheid aan mensen en dieren (SV: beesten) in haar midden. En Ík zal voor haar zijn, spreekt de HEERE, een muur van vuur rondom, en Ik zal in haar midden tot heerlijkheid zijn.”
Telkens wanneer er sprake is van een echte beweging van de Heilige Geest, zal de Heer Zijn volk terugbrengen naar de Bijbelse standaarden van rechtvaardigheid. Het vuur van God zuivert en heiligt. Daarna, en alleen als dit gebeurd is, kan Hij inwoning maken in de ware Tempel. De “maat” die gebruikt zal worden, wordt vermeld in Efeze 4:13-14, “Totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een (geestelijk gezien) volwassen (SV: volkomen) man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus, opdat wij geen jonge kinderen meer zouden zijn, heen en weer geslingerd door de golven en meegesleurd (SV: opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden) door elke wind van leer, door het bedrog van de mensen om op listige wijze tot dwaling te verleiden.”
Het lichaam van de gelovigen kan geen groter doel bereiken dan te komen tot “de maat van de grootte van de volheid van Christus”. Dit is de Gemeente/Kerk van Zijn heerlijkheid. Dit is het volk dat Zijn beeld en gelijkenis draagt. Als wij eenmaal dit punt in de geestelijke groei bereikt hebben, zullen wij een geestelijke standvastigheid verworven hebben die ons in staat zal stellen het vele valse dat zich vandaag de dag manifesteert het hoofd te bieden. Uit Paulus’ verklaring kunnen wij weten dat deze hoge mate van geestelijkheid moet zijn bereikt door de Gemeente/Kerk van de laatste dagen opdat zij op de juiste wijze zal weten om te gaan met de grote “winden van leer” die als orkanen door de wereld zullen razen. Daarom is het komen tot “de maat van Christus” niet iets dat zijn beslag pas krijgt in de eeuwigheid, maar iets dat in de Gemeente/Kerk van de laatste dagen bereikt zal worden.

De inwoning van Gods heerlijkheid

Jezus Zelf is “het Afschijnsel van Gods heerlijkheid”: “Hij, Die de afstraling (SV: het Afschijnsel) van Gods heerlijkheid is en de afdruk (SV: het uitgedrukte Beeld) van Zijn zelfstandigheid, Die alle dingen draagt door Zijn krachtig Woord, heeft, nadat Hij de reiniging van onze zonden door Zichzelf tot stand had gebracht, Zich gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen.” (Hebreeën 1:3)
De gelijkenis van de Vader is in de Zoon, het “uitgedrukte Beeld” [2] (in het Grieks: “karakter”). In Jezus zien wij het wezen van de Vader. Hij is niet de Vader, maar draagt wel al de. karakteristieken, attributen en wezenskenmerken van de Vader. De eeuwige heerlijkheid van God openbaart zich in en door Zijn Zoon, de Here Jezus Christus. Wij aanschouwen deze heerlijkheid op de Berg der Transfiguratie (= de Berg der Verheerlijking) en in de staat waarin Hij opgewekt werd.
Van de mens werd gezegd dat hij het beeld en de gelijkenis van God draagt: “Een man moet het hoofd namelijk niet bedekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is.” (1 Korinthe 11:7a)
Bij de eerste schepping zijn wij geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Wij zijn opnieuw geschapen om Zijn eeuwige gelijkenis te dragen in de nieuwe schepping. Het doel van de Heer is om Zichzelf te openbaren en in het bijzonder Zijn heerlijkheid in Zijn volk: tot verlichting met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.” (2 Korinthe 4:6b)
Het is van aanvang af Gods doel en streven geweest om een volk voor Zichzelf te verheerlijken. Een proces van veranderingen zal Zijn Gemeente/Kerk zover brengen, dat zij Zijn beeld en gelijkenis vertoont: Wij allen nu, die met onbedekt (aan)gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt. (2 Korinthe 3:18)
Zij die de volheid van de heerlijkheid van God bereiken, zullen een metamorfose doormaken die hen van heerlijkheid tot heerlijkheid zal brengen. Van de ene staat van de openbaring van Gods heerlijkheid in hen naar de volgende, hogere staat. Tenslotte komend tot de uiteindelijke heerlijkheid die in die glorieuze Gemeente/Kerk van het laatste der dagen gezien zal worden.

Duisternis en heerlijkheid

De profeet Jesaja spreekt over een tegenstelling die er in de eindtijd zal zijn: “Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken en donkere wolken (SV: donkerheid) de volken…” (Jesaja 60:2a)
Zeer zeker leven wij in de dagen zoals hier door de profeet Jesaja worden beschreven. De toestand van de wereld verbetert niet van dag tot dag en zal ook niet ten goede veranderen. Echter, als de toestand uiterst kritiek is, zal God een machtig werk tot stand brengen in Zijn volk. De roep van het Woord tot Zijn Gemeente/Kerk vinden wij in Jesaja 60:1, “Sta op (SV: Maak u op), word verlicht, want uw Licht komt en de heerlijkheid van de HEERE gaat over u op.”
De Bruid zal eens komen tot de zonsopgang van Gods glorie in haar. Christus zal inwoning maken in Zijn Gemeente/Kerk in Zijn majesteitelijke heerlijkheid. Het slot van Jesaja 60:2 bevestigt dit: “…Maar over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.”
Hoe wonderbaar zijn de beloften van Zijn Woord voor ons die leven in de laatste dagen. Wij mogen veel verwachten wanneer wij naar de climax van Gods werk in Zijn Gemeente toegaan. Het eind van Jesaja 60:7 herhaalt de belofte van heerlijkheid: “…en Ik zal het huis van Mijn heerlijkheid heerlijk maken. De Gemeente/Kerk ontvangt hier een wondervolle naam: het “Huis van Heerlijkheid”. De blijvende plaats van eeuwige heerlijkheid. Jezus’ glorieuze tegenwoordigheid in Zijn Bruid zal het eeuwige verblijf van Zijn heerlijkheid zijn. Het is Zijn huis van schoonheid. Sprekende over de grotere tempel, de Bruid, beloofde Hij dat haar heerlijkheid groter zou zijn dan die van de eerste tempel:

  • “Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot de Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen.” … “De heerlijkheid van dit laatste huis zal GROTER worden, dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen.” (Haggaï 2:8 + 10, SV)

Het “laatste huis”, Zijn volmaakte Bruid, zal het grootste zijn. Het wezenlijke van alles wat in God is, zal wonen in de glorieuze Bruid. Wat een schoon vooruitzicht voor de huidige Gemeente/Kerk.
Hij zal het Huis van Zijn Heerlijkheid verheerlijken!

Rev. C.Joe McKnight
Tempelbode, november 1983
Enigszins bewerkt door A. Klein

PDF (in tablet of smartphone-formaat)

************************************************************************************************

[1] Alle Bijbelteksten zijn vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)
[2] Waarmee in de eerste plaats bedoeld wordt een werktuig om te graveren, daarna een stempel of afdruk, zoals op een munt of een zegel, in welk geval het zegel- of muntstempel, dat de afdruk maakt, een opdruk draagt van het beeld dat er door afgegeven wordt, en vice versa (= en omgekeerd), zullen alle trekken van de afbeelding (het beeld) respectievelijk corresponderen met die van het instrument dat de indruk afgeeft. (noot HS)
.
Geplaatst in Bijbelstudie, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, Eindtijdstudie, Gods Geest/De Heilige Geest/Geestesgaven etc., Volmaaktheid in Christus, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Wederom Mijn volk (deel 3): Israël in Hosea’s dagen

Het boek Hosea over de lotgevallen van de beide Israëlvolken:

Te weten:
het huis van Juda (2 stammen), en
het huis van Israël (10 stammen)

Herstel Israel

Deel 3

Israël in Hosea’s dagen

In het 1ste hoofdstuk van zijn Boek lezen wij dat de profeet Hosea met “een vrouw der hoererijen”, een hoer dus, moest trouwen: “Het begin van het woord des HEEREN door Hosea. De HEERE dan zei tot Hosea: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter de HEERE (Hosea 1:2, SV). Wij krijgen hier een indruk van hoe ver God kan gaan in wat Hij vraagt van zijn dienstknechten. Hosea gehoorzaamde en nam zich een zekere Gomer tot vrouw: “Hij ging en nam Gomer, een dochter van Diblaïm; zij werd zwanger en baarde hem een zoon” (Hosea 1:3). Deze Gomer moest het Huis van Israël, het 10-stammenrijk, uitbeelden dat zich in geestelijke zin ook als een hoer gedroeg en haar Man, de HERE, ontrouw geworden was. De naam Gomer betekent ironisch genoeg “volmaakt”. Wij zullen hierbij in haar geval, als type van het volk Israël, te denken hebben aan “volmaakt in het boze”! Verder kan er in deze naam een aanduiding verborgen zijn dat God een voleinding zou gaan maken met het volk Israël. Merkwaardig is dat de eerste ballingschapsnaam van Israël, Gimira of Gomri (van “het Huis van Omri” – in hoofdstuk 5 komen wij hierover nog te spreken), in het Hebreeuws op dezelfde wijze wordt geschreven als Gomer: “Gmr” (het Hebreeuws kent namelijk geen klinkers).

In het 3de hoofdstuk lezen wij dat Hosea een andere overspelige vrouw moet huwen: “En de HEERE zei tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven” (Hosea 3:1, SV). Dat het hier om een andere vrouw moet gaan, leiden wij af uit het feit dat God zegt: “Ga wederom henen…”. Er is ook een klein nuanceverschil: hier wordt niet gesproken over een hoer, maar over een overspeelster. Het is duidelijk, deze andere vrouw moet het type zijn van het andere deel van Israël, het Huis van Juda of het 2-stammenrijk, waarmee het toch minder ernstig gesteld was in de dagen van Hosea. Met dit zinnebeeldige “dubbelhuwelijk” – dat overigens ook in werkelijkheid gesloten moet zijn, want het boek Hosea spreekt erover als ware gebeurtenissen uit het leven van Hosea – wordt onmiskenbaar aangesloten bij de feitelijke toestand waarin het ene volk Israël zich toentertijd bevond: na Salomo was het gesplitst in 2 rijken en volken, Juda en Israël (de rijks-scheuring). Deze tweeheid was er echter al vóór de rijks-scheuring. Wij komen haar reeds tegen in Davids tijd: de eerste 7 jaar van zijn regering was David alleen koning over Juda – toen nog zonder Benjamin – terwijl Isboseth koning was over Israël: “Abner… de legerbevelhebber die Saul gehad had, nam Isboseth, de zoon van Saul,… en stelde hem aan tot koning over Gilead, over de Asjurieten, over Jizreël, over Efraïm en over Benjamin, over heel Israël. Isboseth, Sauls zoon, was 40 jaar oud toen hij koning werd over Israël, en hij regeerde 2 jaar. Alleen het huis van Juda stond achter David (SV: volgden David na). De tijd dat David koning geweest is in Hebron over het huis van Juda, was 7 jaar en 6 maanden.” (2Sam. 2:8-11)
Toch is zij (deze gescheidenheid van Israël en Juda) zelfs van nog oudere datum. Psalm 114:1-2 [1] leert ons dat zij al bestond tijdens de exodus uit Egypte – wij vernemen hier tevens, dat Juda een meer geestelijke roeping had, waarin zij later opgevolgd is door de Nieuwtestamentische Gemeente, het “nieuwe Heiligdom” – en Ezechiël 23 spreekt zelfs al over 2 verschillende volkeren Israël en Juda in Egypte: “Mensenkind, er waren 2 vrouwen, dochters van één moeder. Zij bedreven hoererij in Egypte…” (Ezech.23:2-3a). In dit hoofdstuk van Ezechiël 23 worden deze, net zoals in Hosea, voorgesteld door 2 vrouwen: Ohola (= Israël) en Oholiba (= Juda): “Hun namen waren Ohola, de oudste, en Oholiba, haar zuster. Zij werden Mij tot vrouw en zij baarden zonen en dochters. Dit waren hun namen: Samaria is Ohola en Jeruzalem Oholiba” (Ezech.23:4). In de woestijn Sinaï – op de trektocht van Egypte naar Kanaän, onder Mozes – bij de berg Horeb, werd het huwelijk gesloten tussen God en deze beide “vrouwen” (“zij werden Mij tot vrouw” – Ezech.23:4). Het “feest” waarvan Mozes tot de farao sprak (in Exodus 5:1), was eenbruiloftsfeest!”: “Daarna kwamen Mozes en Aäron en zeiden tegen de farao: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Laat Mijn volk gaan om voor Mij een feest te vieren in de woestijn.”
Tot in de eindtijd zal de gescheidenheid tussen Juda en Israël voortduren. Dan zal er echter ook een hereniging komen, na een tijd van grote benauwdheid: “Dit betreft Juda; hij zei: Luister, HEERE, naar de stem van Juda! Breng hem terug bij zijn volk, laten zijn handen sterk genoeg voor hem zijn, en wees (Gij) hem een Hulp tegen zijn tegenstanders (SV: zijn vijanden)!” (Deut.33:7). “Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden. Die stukken hout, die u beschreven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn. En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten (SV: de kinderen Israëls) nemen uit (het midden van) de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen (SV: vergaderen) en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als 2 volken zijn, en niet langer nog in 2 koninkrijken verdeeld zijn. (Ezech.37:19-22)

Terug echter naar de Oudtestamentische tijden. Zij dienen ons een droevige geschiedenis op. Beide vrouwen werden hun Man en God spoedig ontrouw. En deze ontrouw – en welke vormen ze had aangenomen in de nadagen van de beide rijken – wordt (onder andere) beschreven in het Boek Hosea. Zoals in de inleiding van deze studie al werd aangegeven gaat het in het Boek Hosea in het bijzonder over het 10-stammenrijk, hoewel ook over Juda gesproken wordt, maar minder vaak. De sterkste nadruk valt – in deze beschrijving van Israëls zondige staat – op de “geestelijke hoererij” die bedreven werd, de afgodendienst, de eigenlijke ontrouw (aan God). Deze droevigste van alle zonden, die eigenlijk al het andere “omspant”, wordt in een groot aantal teksten van het Boek Hosea genoemd:

  • KLIK HIER voor het vervolg van Hosea, deel 3.

Wordt vervolgd

H. Siliakus
Bewerkt door A. Klein

***********************************************************************************

[1] Psalm 114:1-2, “Toen Israël uit Egypte trok, het huis van Jakob uit een volk met een vreemde taal, werd Juda Zijn heiligdom, Israël Zijn koninklijk bezit (SV: Zijn volkomen heerschappij).”

****************************

Deel 1: Hosea – De schrijver en het Boek
Deel 2: Israël vóór de tijd van Hosea

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Genadetijd Gods, Israël/huis van Israël, Oordelen Gods, Studie van H Siliakus, Uitleg over het boek Hosea | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Gods Woord in vervulling

Om het Woord van God te vervullen

Voor de nu volgende beschouwing is het nodig om Kolossenzen 1:24-27 te lezen:

  • “Nu verblijd ik (= Paulus) mij in mijn lijden voor u en vervul in mijn vlees wat overblijft van de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van Zijn lichaam, dat is de Gemeente. 25. Daarvan ben ik een dienaar geworden, overeenkomstig de taak (SV: naar de bedeling) in de dienst van God, die mij met het oog op u gegeven is om het Woord van God te vervullen, 26. namelijk het geheimenis (SV: de verborgenheid), dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen. 27. Aan hen heeft God willen bekendmaken wat de rijkdom is van de heerlijkheid van dit geheimenis onder de heidenen: Christus onder u, de hoop op de (SV: de Hoop der) heerlijkheid.” [1]

Hier schrijft Paulus dat hij zich verblijdt in zijn lijden voor de Gemeente, van welke Gemeente hij een dienaar geworden is “om het Woord van God te vervullen (vers 25b). Wat Paulus verstaat onder dit “vervullen van Gods Woord” licht hij vervolgens toe. Het blijkt te gaan om een “verborgenheid” die nu tot openbaarheid gekomen is. Om iets dat voorheen niet bekend was, namelijk: Christus wonende onder en zelfs in mensen, in Zijn Gemeenteleden; “Christus onder u” (wat de “Hoop der heerlijkheid” is).
Deze opmerking moet echter ook direct gemaakt worden: hier is niet aan de orde dat de in Gods Woord vervatte profetieën nu vervult worden, en waaraan Paulus dan zou meewerken. Neen, “Gods Woord vervullen” is iets anders; het is een steeds terugkerend kenmerk van Paulus’ bediening, een gave waarmee hij de Gemeente dient, waarvoor hij door God, als het ware, “vrijgesteld” was (“naar de bedeling… van God”).

Zichtbaar maken

Paulus noemt zich een dienaar van de Gemeente (Kol.1:24b-25). De vraag zou bij het lezen van het hiervoor genoemde Schriftgedeelte gesteld kunnen worden: “Moeten wij voor Christus werken of voor Zijn Gemeente?” Natuurlijk is dit een onjuiste tegenstelling, maar desondanks wordt die door velen (in de praktijk) gehanteerd. Bijvoorbeeld wanneer men “zielen winnen” belangrijker vindt dan “Bijbelstudie”.
Er is een ontstellend gebrek aan Schriftuurlijk inzicht in wat de Gemeente van Christus is! De Gemeente wordt niet gebouwd door zielen te winnen – het is geen “gebouw in aanbouw”, God wóónt er reeds (!) – maar door het Woord en de vervulling van het Woord, dat is: door Christus’ tegenwoordigheid. En aangezien tot de Gemeente gezegd is: “Gods Huis, Gods Gebouw zijt gij” (1 Korinthe 3:9b), kan in haar geval Christus’ tegenwoordigheid niets anders zijn dan Christus’ inwoning of de vervulling met de Heilige Geest [2] (waarvoor de ervaring van de Doop met de Geest gekend moet worden).
Christus’ tegenwoordigheid is – zo leren ons de verzen 25d-27 van Kolossenzen 1 – het eeuwenlang verborgen gebleven deel van het Woord. “Het Woord vervullen” betekent het Woord “vol” maken of geheel “zichtbaar” maken. De NBG-vertaling spreekt van “tot zijn volle recht doen komen”, wat niet geheel juist is, maar wel aangeeft in welke richting wij moeten denken. Bekend is het onderscheid tussen de “letter” en de “Geest” van de Wet. De letter doodt, maar de Geest maakt levend (2 Korinthe 3:6b). De Geest van het Woord zou men het verborgen, het onzichtbare deel van het Woord kunnen noemen. Dit onzichtbare deel, die verborgenheid, komt onder de Nieuwtestamentische bediening tot het daglicht en manifesteert zich in de realiteit “Christus onder ons”, door de inwoning van de Heilige Geest.

De Gemeente dienen

In het licht van de Bijbel is de eerdergenoemde tegenstelling een valse. Want als wij Christus waarlijk liefhebben, maken wij Zijn zaak tot de onze. Christus’ bijzondere liefde gaat uit naar Zijn Gemeente: “…zoals ook Christus de Gemeente liefgehad heeft en Zich voor haar heeft overgegeven.” (Efeze 5:25b).
Hoewel die Gemeente bestaat uit menselijke personen (individuen) staat zij toch ook, als geheel, tegenover elk individu afzonderlijk (het “algemeen belang” tegenover “persoonlijk belang”). Daarom moet ook de verloste enkeling (net zoals Jezus dat doet) de Gemeente – het scheppingswerk van God – liefhebben en hoogachten; haar “dienaar” zijn. Hoe? Wel, niet door maar zoveel mogelijk zielen proberen te winnen, maar door zich – net als Paulus – uit te strekken naar die vervulling van het Woord van God, dat is Gods Woord in Zijn eigenlijke glans en gestalte, dat is Christus in ons (in ons persoonlijk hart en leven) en onder ons (in de Gemeente), wat de grondslag is van deze heerlijkheid.
De “hoop” van Kolossenzen 1:27 is niet, zoals bij de wereldse mensen, een op niets gefundeerde verwachting, maar een feit – Christus in ons – dat als gedeeltelijke vervulling van de verwachting borg staat (en dus zekerheid geeft) voor de uiteindelijke totale vervulling (zie het artikel “Het triomferende Woord”).
Zie ook nog Efeze 5:26, “om haar (= de Gemeente) te heiligen (SV: Opdat Hij haar heiligen zou), door haar te reinigen met het waterbad door het Woord”. Want, als wij het Woord openen – lezen en bestuderen – zal de Heilige Geest ons dat Woord (= Christus’ tegenwoordigheid) openbaren. Dan zullen wij Gods heerlijkheid aanschouwen en wonderen zullen geschieden.

Christus IN ons

Staat dit tegenover “zielen winnen”? Neen, integendeel; “Christus in ons” is juist het vereiste om zielen te kunnen winnen (want: de Heilige Geest moet ons hierin leiden). Zielen winnen om ze dan vervolgens tot “kinderen van de hel” te maken, zoals zo vaak gebeurt, dat is typisch mensenwerk!
“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u reist zee en land af om één proseliet (SV: Jodengenoot) te maken, en als hij het geworden is, maakt u hem een kind van de hel, dubbel zo erg als u (bent).” (Matth. 23:15)
Neen, alle nadruk in het leven van een kind van God moet de “vervulling van het Woord van God” hebben. Christus moet krachtig in ons worden!!

  • “Laat het woord van Christus in rijke mate in u wonen, in alle wijsheid; onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht (SV: leert en vermaant elkaar), met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Zing voor de Heere met dank (SV: met aangenaamheid) in uw hart.” (Kolossenzen 3:16)
  • “Verder, mijn broeders, word gesterkt (SV: wordt krachtig) in de Heere en in de sterkte van Zijn macht.” (Efeze 6:10)

.

H. Siliakus
Uit: Tempelbode, juni 1980
Enigszins bewerkt door A. Klein

PDF (in smartphone-formaat)

*********************************************************************************

[1] Alle Bijbelteksten zijn vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)
[2] Zie eventueel onze studie De natuurlijke mens en de Heilige Geestvan CJH Theys. (noot AK)
.

Geplaatst in Bijbelstudie, de Heilige Geest, Eindtijdstudie, Gods Geest/De Heilige Geest/Geestesgaven etc., Nuttige studie als 'basiskennis', Studie van H Siliakus, Woord en Geest | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (20): De Ark des Verbonds

Ark des Verbonds
De ARK van het VERBOND en Gods shekina-gloed

Wij zijn thans gekomen aan het meest heilige object in de tabernakel van Israël: de Ark des Verbonds (Exod. 25:10-22 + 37:1-9).
Dit object wordt in de Schrift met verschillende namen aangeduid:

  • De ark (Exod.25:10 + 16 + 21);
  • De ark des Verbonds (Deut.10:8 + 31:26, Num.10:33 + 14:44; enzovoort);
  • De ark des Verbonds des Heren (1Sam.4:5, Kon. 3:15; enzovoort);
  • De ark des Getuigenis (vanwege het feit, dat de tafelen der wet daarin bewaard werden; 25:21-22, Num.4:5 + 7:89, Hebr.9:4, Exod.25:16);
  • De ark des Heren (Joz.4:5 + 11; enzovoort);
  • De ark van de Here der ganse aarde (Joz.3:13);
  • De ark Gods (1Sam.4:11 + 17 + 19 en 22; enzovoort);
  • De ark Gods van Israël (1Sam.5:10-11);
  • De ark des Verbonds des Heren der Heirscharen, Die tussen de Cherubim woont (1Sam.4:4);
  • De voetbank van Gods Voeten (Ps.132:7);
  • De ark van Gods Sterkte (Ps.132:8);
  • De ark van Gods Kracht (2Kron.6:41);
  • De heerlijkheid (of eer) van Israël (1Sam.4:21);
  • De Heilige ark (2Kron.35:3).

In de ark waren:

  • de kruik met manna (Exod.16:33-34);
  • de staf van Aäron, die gebloeid had en amandelen gedragen had (Num.17:10);
  • de tafelen der wet waren er ook in geborgen (Exod.25:16 + 40:20, Hebr.9:4).

NOOT: In 1 Koningen 8:9 bevonden zich enkel nog de tafelen der wet in de ark; de kruik en de staf waren er toen niet meer in.
Hoe HEILIG de ark wel was in de ogen van geheel Israël kan men opmaken uit wat Mozes zei bij het optrekken der ark (Num.10:35); en wat hij zei bij het rusten ervan (Num.10:36).
De ark mocht niet worden aangeraakt, ook niet door de zonen van Kohath, die deze ark door middel van de handbomen op de schouders moesten dragen (Num.4:5-6 + 15, 2Sam.6:6-7).
Ook mochten de Kohathieten de ark niet zien (Num.4:20). Alleen de hogepriester mocht de ark eens per jaar, op de Grote Verzoendag, naderen (Lev.16).

.

De geestelijke betekenis

De Ark des Verbonds vormde de TROON van God in Israël (Exod.25:22, Num.7:89). Wij zagen in het 18de hoofdstuk van deze studie dat de weg tot Gods Troon eerst GESLOTEN was, maar naderhand – door de zoendood van Jezus, voor de in het Bloed van het Lam gereinigde mens – was GEOPEND (Matth.27:51). Deze troon van God zag de apostel Johannes op Patmos (Openb.4:2-3 + uitleg).
De drie-enige God [1] wordt hier voorgesteld door de BEIDE Cherubs (uitbeeldend: God de Vader en de Heilige Geest), die in heilige meditatie staren naar het volbrachte werk van Gods Zoon, naar het bloed der verzoening, gesprenkeld op het VERZOENDEKSEL (uitbeeldend: God de Zoon). Daarom moest het geheel uit louter dicht goud worden vervaardigd en moesten de beide Cherubs uit de zijden van het verzoendeksel worden gevormd (Exod.25:17-20), de eenheid openbarend in de Godheid.
In de Hof van Eden zien wij de beide Cherubs (Vader en Heilige Geest) voor het eerst optreden, maar dan tussen Hen in een “vlammig lemmet van een Zwaard, dat Zich omkeerde” (Gen.3:24). Hier zien wij het Woord van God nog niet als een “Verzoendeksel” dat de zonde van de mens heeft verzoend door Zijn Bloed, maar als het OORDELEND Zwaard van God, Dat Zich toen nog tegen de zondige mens keerde (Ef.6:17; hier keert dit Zwaard Zich tegen de zonde en tegen elke mens die in de zonde wenst te blijven – vergelijk Rom.3:23-25).
Zien wij het HEILIGE met zijn afmetingen van 20x10x10 el³ = 2000 el³ als de Tijdsbedeling van de Gemeente of die van de Heilige Geest, dan zien wij het ALLERHEILIGDOM met zijn afmetingen van 10x10x10 el³ = 1000 el³ als het 1000 jarige Rijk van Christus op aarde of als de HEMEL of het Koninkrijk der Hemelen, het gebied dat de rechtvaardige mens, na zijn overlijden op aarde, eerst in de geest en later in het OPSTANDINGS-lichaam betreedt. De VERBONDSKIST staat in dit licht dan voor de gehele in Gods zaligheid opgenomen Gemeente: die dan in een godzalige verbondenheid met de drie-enige God EEUWIG leeft (Openb.21:1-8 + uitleg).
Maar zien wij de gehele tabernakel als een typering van het Koninkrijk Gods, dan vormt de VOORHOF de 1ste hemel of het PARADIJS, het HEILIGE de 2de hemel, en het ALLER-HEILIGDOM of het Nieuwe Jeruzalem de 3de hemel. Of, als men van de troon van God uitgaat, dan ziet men het ALLERHEILIGDOM als de 1ste hemel of het Nieuwe Jeruzalem, het HEILIGE als de 2de hemel en de VOORHOF als de 3de hemel ofwel het PARADIJS (2Kor.12:2-4). In dit licht vormt de ark des verbonds de TROON van God, het verzoendeksel met de beide Cherubs de drie-enige God en de VERBONDSKIST het uitnemendste deel van die groepering van zaligen, die men de Bruid van Christus pleegt te noemen (Openb.3:21 + 14:1-5, Ps.45:10-16), hier in BRUIDSGEMEENSCHAP met haar Hemelbruidegom, met Jezus, en – door Jezus – met de Vader en de Heilige Geest.
Uit Psalm 45 zagen wij dat de Bruid van Christus “INWENDIG verheerlijkt” was. In het typerend beeld zien wij de verbondskist gevuld met:

  • de 2 tafelen van de Wet (een typerend beeld van de gerechtigheid van de Vader);
  • de kruik met manna (een typerend beeld van het “Brood des levens, Gods genade in de Zoon);
  • de staf van Aäron (een typerend beeld van de bediening IN en DOOR de Heilige Geest).

Een INWENDIGE verbondenheid dus met de drie-enige God en Zijn genadewerkingen. Maar Psalm 45 vertelt ook dat de Bruid van Christus UITWENDIG verheerlijkt is: “kleding van gouden borduursel”, “in gestikte klederen”, ze staat aan de rechterhand van de Koning-Bruidegom “in het fijnste goud van Ofir”. Ook de verbondskist, een typerend beeld van haar, is UITWENDIG verbonden met het typerend beeld van de drie-enige God: het VERZOENDEKSEL met de beide CHERUBS.

.

De Sjechina-glorie

Het woord “Sjechina”, dat de “zichtbare, genadevolle heerlijkheid des Heren”, bij tijden verschijnend boven het verzoendeksel uitduidt, komt niet als zelfstandig naamwoord in de Bijbel voor. Het werd door rabbijnen gebezigd en komt ook in de “Talmud” voor, het “Joodse boek der overleveringen”.
Het is afgeleid van het werkwoord “sjahan”, hetgeen “wonen” betekent (onder andere gebruikt in Exod.24:16, Deut.12: 11 + 14:23, 2Kon.19:15); en wil dus de “zichtbare heerlijkheid van God weergeven, Die woning heeft gemaakt te midden van Zijn volk”.
De “Sjechina” bestond uit een bovennatuurlijke wolk met een vuurglans erin, waarmee Hij naar Zijn believen Zijn tegenwoordigheid openbaarde in het Allerheiligdom, boven het verzoendeksel en vanwaar Hij tot Mozes sprak (Exod.25:22, Lev.16:2, Num.7:89).
De “Sjechina” moeten wij niet verwarren met de “wolk- en vuurkolom, het blijvende teken van Gods geleide, voordien aan de Israëlieten gegeven, die buiten en boven de tabernakel door iedereen werd gezien (Exod.13:22, Ps.105:39). Van BEIDE werd gesproken in Exodus 40:34-35. BEIDE vormen een openbaring van de Godheid Zelf.
In Nieuwtestamentische zin kunnen wij deze openbaring van de “heerlijkheid Gods” vergelijken met de Persoonlijke Openbaringen van de Heilige Geest in Zijn Gemeente; iets, dat wij in het Nieuwe Testament aangeduid vinden door het Griekse woord “Phanerosis” (= manifestatie, zie 1 Kor.12:7 en 2Kor.4:2). De Geest van God is altijd bij ons en in ons midden, maar BIJ TIJDEN maakt Hij Zijn tegenwoordigheid door Zijn kinderen heen openbaar.

.

Nawoord

Hiermee hebben wij deze beschouwing van de Tabernakel-Symbolieken beëindigd en hebben we kunnen zien wat een uitnemende lessen ze bevatten. De Alwijze God heeft Zijn kinderen, naast Zijn geschreven Woord, een GEESTELIJK BOUWWERK van de hoogste orde willen nalaten, waarin Hij Zijn ganse VERLOSSINGS- en VOLMAKINGSPLAN, langs de weg van symbolieken, ons heeft willen bekendmaken.
Laat ons dit “LIEFDESGESCHENK” van onze God ten hoogste waarderen en zijn lessen ten volle ter harte willen nemen en aan anderen willen doorgeven, tot meerder inzicht in Gods liefde-wil ten aanzien van de VERLOSSING en ZALIGHEID van Zijn kinderen. Amen.

Tabernakel-open

EINDE

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

PDF (alle 20 delen in één)

****************************************************************************************************

[1] In Deuteronomium 6:4 staat: “Luister, Israël! De HEERE, onze God; de HEERE is één! (dus één Persoon!)
Dit wordt ook onderschreven door het feit, dat de beide cherubs en het verzoendeksel uit één brok goud moesten worden gesmeed (= geslagen) (zie Exodus 25:18). De beide cherubs en het verzoendeksel beelden onze almachtige God in Zijn drie openbaringsvormen uit. De cherubs beelden de Vader en de Heilige Geest uit, en het verzoendeksel beeldt het Lam, de Zoon van God uit. Gods wezen is een EENheid. Hij is één Wezen, één Persoon. De leer, dat God uit 3 Personen bestaat, is een dwaling. Het is dus beter te spreken van de 3 Openbaringsvormen van God, te weten:
de 1ste Openbaringsvorm van God: de Vader
de 2de Openbaringsvorm van God: Jezus, de Zoon
de 3de Openbaringsvorm van God: de Heilige Geest.
Net zoals wij mensen ook bestaan uit: lichaam, ziel en geest. (noot AK)

***********************************************************************************

Zie eventueel ook nog deze 2 Tabernakelstudies:

  1. De Tabernakel van Israël (Gods profetisch model van de geestelijke ontwikkelingen van een waarachtig kind van God, tot in alle volmaaktheid toe), van E van den Worm.
  2. Christus in de Tabernakel (een uitgebreide uitleg over de diep-geestelijke betekenis van de verschillende Tabernakel-objecten), van CJH Theys.

Of:

Onze samenvatting van de geestelijke betekenis van de VERSCHILLENDE Tabernakel-objecten, met plaatjes: http://www.eindtijdbode.nl/tabernakel.html

 

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel
  9. De DEUR en de heilige zalfolie
  10. De Tafel met Toonbroden
  11. De GOUDEN 7-voudige KANDELAAR
  12. Het REUKALTAAR en het reukwerk
  13. De HEILIGE driehoek van Gods arbeid in ons
  14. (14a): De geestelijke heerlijkheids-klederen van Christus – waar ook Gods dienaren in hebben te wandelen om te kunnen dienen + (14b)
  15. De priesterwijding
  16. De Levitische offeranden – deel 1
  17. De Levitische offeranden – deel 2
  18. Het VOORHANGSEL en het heilige der heiligen
  19. De 3 POORTEN van de tabernakel

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, Eindtijdstudie, Geestelijke groei, Gehoorzaamheid aan God, Genadetijd Gods, Getuige-zijn, Gods Geest/De Heilige Geest/Geestesgaven etc., Heiligmaking, Israël/huis van Israël, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Wederom Mijn volk (deel 2): Israël vóór de tijd van Hosea

Het boek Hosea over de lotgevallen van de beide Israëlvolken:

Te weten:
het huis van Juda (2 stammen), en
het huis van Israël (10 stammen)

Herstel Israel

Deel 2

Israël vóór de tijd van Hosea

Het boek Hosea behandelen betekent zich bezighouden met de geschiedenis van Israël. Dit is leerzaam vanwege de lessen voor het persoonlijk leven die wij uit deze geschiedenis kunnen trekken, maar vooral ook vanwege het inzicht dat wij verkrijgen in Gods heilsplan. Wij zullen onderzoeken wat Hosea ons over de lotgevallen van het volk Israël meedeelt, zowel in de vorm van terugblik als in de vorm van profetie. Een deel van deze profetie is nu reeds geschiedenis geworden, zo zal blijken. Een aantal vermeldingen in Hosea betreft de oude geschiedenis van het volk, dat wil zeggen: de geschiedenis van vóór de tijd van Hosea. We zullen met de bespreking van deze teksten beginnen en doen dat in chronologische volgorde.

De verwijzing naar de vroegste gebeurtenis uit Israëls verleden vinden wij in Hosea 12:4a, waar het gedrag van stamvader Jakob bij zijn geboorte als kenmerkend wordt voorgesteld voor de geest van strijdvaardigheid – tegen de vijanden, die ook de vijanden van God waren – die jong-Israël bezat ten tijde van de inval in Kanaän onder Jozua: “In de moederschoot pakte hij (= Jakob) zijn broer (= Ezau) bij de hielen…” (Hos.12:4a). Wij kunnen dit vergelijken met de vurigheid van geest die een pas-bekeerde kenmerkt, de “eerste liefde”, maar die helaas in vele gevallen even snel wegebt als die strijdvaardigheid van Israël. Jozua is nog maar net gestorven, of wij lezen al dat de ijver om de afgodendienaars uit het land te verdrijven aan het tanen is (zie Richteren 1).

Het leven van hun voor- en stamvader Jakob is overigens in hoge mate een schaduwbeeld voor de geschiedenis van Israël als volk. In Hosea 12:4b-5a wordt een andere gebeurtenis uit het leven van de patriarch (= stamvader) geprojecteerd op het prille volksbestaan van het vroegste Israël: de worsteling met God aan de Jabbok: “en in zijn kracht gedroeg hij (= Jakob) zich vorstelijk met God. Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen de Engel, en overmocht Hem; hij weende en smeekte Hem (om genade)(Hos.12:4b-5a, SV). De Israëlieten gedroegen zich in het begin van hun geschiedenis evenals hun stamvader “vorstelijk met God” en waren zo hun naam werkelijk waardig. Eén van de betekenissen van de naam Israël isstrijder met God”. Ook wij gedragen ons in ons persoonlijk leven “vorstelijk met God” als wij een gebedsleven leiden waarin ook de gebedsworsteling wordt gekend, tot verkrijging van Gods zegen en genade.

Al was het dan maar voor korte tijd, Israël leefde aanvankelijk in het besef dat zij de genade van God nodig had. Daarom was ook een derde voorval uit Jakobs leven typerend voor wat toeviel aan de jonge natie Israël: Gods openbaring te Bethel: “In Bethel vond Hij hem (= Jakob / Israël), en daar sprak Hij met ons.” (Hos.12:5b)
Zoals God te Bethel sprak tot de stamvader, zo direct openbaarde God Zich aan het jonge Israël en Hij deed dat wel op de meest wondervolle wijze ten tijde van Mozes op de Horeb, het gebeuren dat wij al eerder leerden onderscheiden als de “huwelijksvoltrekking” tussen God en Zijn volk Israël: “Daar sprak Hij met ons” (Hos.12:5b). Dit woord moet wel in de eerste plaats betrekking hebben op het indrukwekkende gebeuren in de Sinaï-woestijn, waarbij Israël haar wetten ontving.

Maar Jakobs overnachting te Bethel had te maken met een dramatische wending die zich in zijn leven voltrok. En dit brengt ons bij een vierde vermelding over de aartsvader, die wij vinden in Hosea 12:13, waar wij lezen over de vlucht van Jakob naar zijn oom Laban in Syrië: “Jakob vluchtte naar het gebied (SV: naar het veld) van Syrië, Israël (= Jakob) diende om een vrouw en om een vrouw hoedde hij vee.” Dit feit wordt hier aangehaald als een voorspelling van de (Assyrische) ballingschap, de wegvoering van Efraïm-Israël (= het 10-stammenrijk van het “huis van Israël”). Jakobs verblijf in Haran (zie Gen.28:10) is een voorafschaduwing van de tijd gedurende welke de 10 stammen als verloren of verdwenen zouden worden beschouwd. Daar in Haran leerde Jakob zijn 2 vrouwen kennen. Opmerkenswaard is dat deze 2 vrouwen, Lea en Rachel – die typebeelden zijn van respectievelijk de Gemeente/Kerk van de gehele gemeentelijke tijdsbedeling en van de Gemeente/Kerk van de Spade Regen – iets met deze tijd (van het verborgen zijn van de 10 stammen) te maken moeten hebben. Hoe dramatisch was deze wending – van de wegvoering in Assyrische ballingschap – voor het volk van Efraïm-Israël (= het 10-stammenrijk van het “huis van Israël”)!
In Hosea 12:14  wordt hierna als het ware “overgesprongen” naar Israëls verblijf in Egypte: “Door een profeet (= Mozes) heeft de HEERE Israël echter uit Egypte geleid en door een profeet werd het gehoed.” De zin hiervan is, dat dit verblijf van Israël in Egypte als een eerste parallelgebeuren van Jakobs verblijf in Syrië moet worden beschouwd. Op zichzelf is de Egyptische tijd dus weer een verwijzing naar de ballingschapstijd van de 10 stammen (van het “huis van Israël”). En de tekst leert ons dat wij te verwachten hebben dat – zoals Israël destijds door de profeet Mozes (als instrument van God) uit Egypte werd uitgeleid – Israël in de eindtijd van haar ballingschap iets dergelijks zal meemaken. Hoe dit zal zijn lezen wij in Hosea 12 vers 11: “En Ik zal tot de profeten spreken, en Ík zal de visioenen talrijk maken, en Ik zal door de dienst van de profeten in gelijkenissen spreken” (vergelijk Joël 2:28 – “Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien”). Wij zullen hierbij moeten denken aan de Spade Regen-opwekking van de eindtijd, waarop de profetische tijd van “de benauwdheid van Jacob (= Israël)” zal uitlopen. Alsdan zullen opnieuw van God gezonden predikers in een wonderbare bediening staan en zij zullen de gelovigen voorbereiden op een nieuwe exodus, de wegname van de Gemeente.

In Hosea 2:2 wordt gesproken over Israëls “geboorte”: “Anders zal Ik haar naakt uitkleden, haar neerzetten als op haar geboortedag, haar maken als de woestijn, haar doen worden als een dor land en haar doen sterven van de dorst.” De geboorte van Israël als volk vond plaats in Egypte, na het Genesistijdvak. Dat zij toen “naakt” was, wil zeggen hulpeloos. Het beeld van een pasgeboren kind wordt hier gebruikt. Hetzelfde beeld komen we tegen in Ezechiël 16 vers 4-10: “Wat uw (= Jeruzalems) geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld. Geen oog zag naar u om, om één van die dingen uit medelijden bij u te doen. U werd weggeworpen op het open veld uit afschuw voor uw leven (SV: uw ziel) op de dag dat u geboren werd. Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend (SV: vertreden zijnde) in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ik heb u even overvloedig (SV: tot 10.000) gemaakt als het gewas op het veld. U groeide op, u werd groot en u kwam tot grote schoonheid (SV: sierlijkheid). Uw borsten werden stevig, uw haar groeide, maar u was naakt en bloot. Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde (SV: de tijd der minne [1]). Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u een eed en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en zo werd u van Mij (SV: gij werd de Mijne). Daarop waste Ik u met water, spoelde uw bloed van u af en zalfde u met olie. Ik trok u kleurrijk geborduurde kleding aan, schoeide u met zeekoeienhuiden, omwikkelde u met fijn linnen en bedekte u met zijde.”
Hier, in Ezechiël 16, moeten wij Jeruzalem beschouwen als staande voor Juda-Israël (een zogenaamde “pars pro toto”, een deel voor het geheel). Haar zuster Samaria is hier Efraïm-Israël: “Uw oudste zuster is Samaria, zij met haar dochters, die aan uw linkerhand woont, en uw zuster die jonger is dan u, die aan uw rechterhand woont, is Sodom met haar dochters” (Ezech.16:46). “Vertreden zijnde in uw bloed” ziet op de verdrukking die Israël in Egypte moest ondergaan: “Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend (SV: vertreden zijnde) in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! (Ezech.16:6). Hulpeloos en vertrapt was het volk, maar God zag hun ellende aan en zei: Leef! Wij mogen dit weer vergelijken met ons persoonlijk geestelijk leven. Door het weerklinken van diezelfde machtige roep uit de mond van God, werden wij eenmaal wedergeboren!
Maar, om terug te keren tot de geschiedenis van Israël, God sprak Leef! en Hij zond Mozes om hen uit het diensthuis Egypte te verlossen. Over dit laatste lezen wij ook in Hosea 11 vers 1: “Toen Israël een kind was, had Ik hem lief, en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.” Het wonderlijke is dat dit woord ook vervuld werd aan Jezus, toen Zijn ouders met Hem terugkeerden uit Egypte: “En hij (= Jezus) bleef daar tot de dood van Herodes, opdat vervuld werd wat door de Heere gesproken is door de profeet: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. (Mattheüs 2:15). Maar in Hosea 11:1 gaat het in eerste instantie over Israëls uitleiding uit Egypte. Er is een nauwe betrekking tussen Jezus en Israël, die beiden de “Knecht des HEREN” genoemd worden (zie het Boek Jesaja).

Gods liefdevolle bemoeienis met Israël in haar “kindertijd” wordt beschreven in Hosea 11 vers 3-4: “Ik echter leerde Efraïm(-Israël) lopen. Hij nam hen op Zijn armen, maar zij erkenden niet dat Ik hen genas. Ik trok hen met menselijke touwen, met koorden van liefde. Ik was voor hen als zij die het juk van op hun kaken omhoogtillen, en Ik reikte hem voer (geestelijke spijze ?) toe”. Het was in de woestijn, dat God ze “droeg”. Vergelijk dit met Deuteronomium 33:27, een vertroostend woord voor allen die zich door God willen laten leiden: “De eeuwige God is voor u een woning, en onder u zijn eeuwige armen. Hij verdrijft de vijand voor u (aangezicht) uit, en zegt: Vaag hem weg!” Al in hun “kindertijd” echter wisten zij de liefde Gods niet te waarderen. Van het niet juist waarderen van Gods grote liefde en genade naar het verlaten van “de eerste liefde” en het terugvallen in het oude, zondige leven, is maar een kleine stap! In Deuteronomium 32:10 schrijft Mozes in overeenkomstige bewoordingen over de woestijntijd van Israël: “Hij vond hem in een woestijngebied, in een woeste, huilende wildernis. Hij omringde hem, Hij onderwees hem, Hij beschermde hem als Zijn oogappel.” Als een kind werd Israël toen geleerd en onderwezen in de weg die het moest gaan en werd het gekoesterd en bewaard door de hemelse Vader. Over deze tijd lezen we ook in Hosea 9 vers 10a: Ik vond Israël als druiven in de woestijn, Ik zag uw (voor)vaderen als de eerste vrucht aan de vijgenboom in haar begin…” (SV). Net als in de zojuist genoemde tekst uit Deuteronomium 32:10 is hier in Hosea 9:10 sprake van dat: “God Israël vond in de woestijn”, waaraan wordt toegevoegd: “als druiven”. Met andere woorden, zoals ook uit wat erop volgt voortvloeit, God zag bij Israël toen de eerste veelbelovende vruchten. Lees ook nog Hosea 13 vers 5: Ík heb u gekend in de woestijn, in een land van droogte (SV: in een zeer heet land).

Helaas pakte het geheel anders uit. Zij begonnen met de Geest, maar eindigden met het vlees: “Bent u zo dwaas? U die met de Geest begonnen bent, gaat u nu eindigen met het vlees?” (Gal.3:3). De eerste hoererij wordt in hetzelfde vers van Hosea 9:10 (b), beschreven: “…maar zij (= Israël) gingen in tot Baäl-Peor, en zonderden zich af tot die schaamte (HSV: wijdden zich aan die schande), en werden gans verfoeilijk naar hun boelerij [2] (HSV: zij werden even weerzinwekkend als hun minnaars) (SV). Met “hoererij” wordt in het Boek Hosea steeds allereerst “geestelijke hoererij” bedoeld en dat is: afgodendienst. Het opmerkelijke is echter dat “gewone” hoererij het volk Israël tot geestelijke hoererij bracht (dit zal wel verband houden met het feit dat de meeste afgodendiensten van de heidense volkeren gepaard gaan met prostitutie). Het gaan “naar Baäl-Peor” grijpt namelijk terug op de gebeurtenissen beschreven in Numeri 25:1-5, waar deze gang van zaken vermeld wordt: Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab. Die nodigden het volk uit bij de offers aan hun goden, en het volk (Israël) at en boog zich voor hun goden neer. Toen Israël zich zo aan Baäl-Peor koppelde, ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël. De HEERE zei tegen Mozes: Neem alle hoofden van het volk en laat hen voor de HEERE in de volle zon ophangen, zodat de brandende toorn van de HEERE van Israël afgekeerd wordt. Toen zei Mozes tegen de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben.”
Let op: het begon allemaal met het niet waarderen van Gods liefde. Vervolgens gingen zij “murmureren” en het eind van het liedje was, dat zij hoereerden en daarna nog grotere gruwelen bedreven. Het zij ons tot waarschuwing! Op nog een drietal andere plaatsen wordt in het Boek Hosea gesproken over de eerste afvalligheid en ongerechtigheid van Israël. In Hosea 10:9 wordt één van de dieptepunten uit de geschiedenis van Israëls zonden aangehaald: de daad van gruwelijke onzedelijkheid te Gibea (uitgebreider beschreven in Richteren 19), die tot een burgeroorlog leidde, waarbij de stam Benjamin bijna geheel werd uitgeroeid: Sinds de dagen van Gibea hebt u gezondigd, Israël!(Hos.10:9a). Zie ook Hosea 9:9, Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea. Hij zal aan hun ongerechtigheid denken, Hij zal hun zonden aan hen vergelden.” In Hosea 11:2 wordt eraan herinnerd hoe snel Israël ertoe overging om de Baäls na te lopen: “Maar hoe meer zij (= Mozes en andere vrome dienstknechten Gods) hen (= Israël)  riepen, hoe meer zij van onder hun ogen (= van het aangezicht van profeten die hen tot God riepen) wegliepen. Aan de Baäls offerden zij en voor de afgodsbeelden brachten zij reukoffers.”
Wat de geestelijke oorzaak van, met name, de latere afgoderij was wordt blootgelegd in Hosea 13 vers 6: “Net als hun weiden raakten zij verzadigd (SV: zijn zij… zat geworden). Toen zij verzadigd (zat). waren, verhief hun hart zich. Daarom hebben zij Mij vergeten.” Toen ze het “goed” hadden – in rust en welvaart leefden en overvloed hadden – werden zij hoogmoedig en vergaten hun God, Die hen zo rijkelijk gezegend had. Is dit niet een ontwikkeling die zich telkens weer herhaalt, ook in het persoonlijk leven van de kinderen Gods heden ten dage? En zo is het ook gegaan met de Christelijke volkeren als geheel in onze tijd.

Dan worden wij overgeplaatst naar de dagen van koning Saul, de eerste koning over Israël. In Hosea 13:10-11 herinnert God Israël eraan hoe zij – toen Samuël richter over hen was – een koning begeerden om gelijkvormig te zijn aan de wereld om hen heen, en hoe zij dus Hem als Koning verwierpen: “Waar blijft uw koning nu? Hij zou u toch verlossen in al uw steden? En uw richters, tegen wie u gezegd had: Geef mij een koning en vorsten? In Mijn toorn gaf Ik u een koning, (en) Ik nam hem weg in Mijn verbolgenheid.” Ook dit was één van de zonden van Israël en de droevige afloop van het tijdperk van Saul, de gezalfde die door God verworpen werd (wat als een bekend gegeven mag worden beschouwd). Wij leren hier waar wereldgelijkvormigheid toe leidt en wat het gevolg is als wij onze eigen weg willen gaan!

In Hosea 13:1 wordt medegedeeld dat Efraïm tot de machtigste stam van Israël uitgroeide: “Telkens wanneer Efraïm sprak, was er schrik (SV: zo beefde men), hij verhief zich in Israël; hij maakte zich echter schuldig aan de Baäl, en hij stierf.” Dit houdt verband met het feit dat de eerstgeboortezegen van Jakob (= Israël) overging op deze jongste zoon van Jozef. Wij vinden dit beschreven in Genesis 48:13-19, de zegening die bekend staat als de “kruiszegen”: “Daarna nam Jozef hen beiden: Efraïm aan zijn rechterhand – voor Israël was dat links – en Manasse aan zijn linkerhand – voor Israël was dat rechts. Zo liet hij hen dichter bij hem komen. Maar Israël (= Jacob) stak zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel deze de jongste was, en hij legde zijn linkerhand op het hoofd van Manasse. Hij kruiste zijn handen, hoewel Manasse de eerstgeborene was. En hij zegende Jozef en zei: De God voor Wiens aangezicht mijn (voor)vaderen, Abraham en Izak, gewandeld hebben, de God Die mij als herder geleid heeft (SV: die God, Die mij [ook geestelijk] gevoed heeft), mijn leven lang tot op deze dag, de Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens, zodat door hen mijn naam (= Israël) genoemd zal blijven, en de naam van mijn vaderen Abraham en Izak en zij in het midden van het land in menigte zullen toenemen (SV: dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte). Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, was dat kwalijk in zijn ogen. Daarom greep hij de hand van zijn vader om die te verleggen van het hoofd van Efraïm naar het hoofd van Manasse. Jozef zei tegen zijn vader: Niet zó, mijn vader, want dit is de eerstgeborene. Leg uw rechterhand op zijn hoofd. Maar zijn vader weigerde het en zei: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij (= Manasse) zal tot een volk worden, ook hij zal aanzien krijgen (SV: groot worden); maar toch zal zijn jongste broer meer aanzien krijgen dan hij, en zijn nageslacht (SV: zijn zaad) zal tot een grote menigte van volken worden.” Het kruis spreekt van Gods wil, die de wil van de mens doorkruist. Toch schijnt Efraïm in het Bijbelse tijdvak niet groot te zijn geweest in aantal (in Numeri 1 komt Efraïm, wat het aantal mannelijke nazaten betreft, pas op de 10de plaats van de in totaal 12 zonen c.q. stammen Israëls). De volledige vervulling van de eerstgeboortezegen, die onder meer inhield dat Efraïm tot een menigte van volkeren zou uitgroeien, zullen wij dan ook tevergeefs zoeken in die Bijbelse tijd. Maar het was wel een invloedrijke stam, waaruit bekende figuren als Jozua, Debora en Jerobeam I – de eerste koning van het 10-stammenrijk – voortkwamen. De macht van Efraïm blijkt vooral hieruit dat – na de scheuring van het verenigd koninkrijk Israël – de naam Efraïm steeds meer gebruikt wordt voor heel het 10-stammenrijk (dat overigens ook Israël blijft heten, dit in tegenstelling tot het 2-stammenrijk – van het huis van Juda – waar de latere Joden uit voortkomen). In het boek Hosea, bijvoorbeeld, wordt regelmatig over Efraïm gesproken als alle 10 verbonden stammen worden bedoeld. Efraïm werd de leidersstam (van het 10-stammenrijk van het “huis van Israël”). Maar – zoals wij net in Hosea 13:1 lazen – door zijn afgoderij werd zijn geestkracht verbroken (“hij stierf”).

Zo brak dan de tijd van de profeten aan. Hoewel er voor hem ook al profeten optraden, ligt het meest voor de hand deze tijd te laten beginnen met de grote man Gods: Elia. De profeten waren vooral de aankondigers van het Goddelijke oordeel over het afvallige en zondige Israël. Voor zichzelf sprekend is de beschrijving van hun bediening in Hosea 6:5, “Daarom heb Ik op hen ingehakt door de profeten, Ik heb hen gedood met de woorden van Mijn mond; en de oordelen over u zullen voor de dag komen als het licht”. Uit Hosea 9:7-8 blijkt echter dat de waarschuwingen van de profeten door de grote massa van het volk – en door de leiders – naast zich neer werden gelegd: “De dagen van de vergelding (SV: bezoeking) zijn gekomen. De dagen van de afrekening (SV: vergelding) zijn gekomen. Israël zal het weten (SV: gewaar worden). De profeet is dwaas, de man met de geest is krankzinnig (SV: onzinnig = [s]preekt onzinnige dingen – AK). Vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid is ook de vijandschap groot. De wachter van Efraïm is met mijn God, een profeet vindt de strik van de vogelvanger (SV: maar de profeet is een vogelvangersstrik) op al zijn wegen, vijandschap zelfs (SV: een haat) in het huis van zijn God.” De profeten werden meer en meer als “dwazen” beschouwd en er werd op hen geloerd om ze te doden. Deze dingen herhalen zich ook in onze tijd. Predikers die het Woord der waarheid recht snijden”, zijn niet geliefd.

De behandeling van de geschiedenis van Israël, volgens wat hierover in het boek Hosea staat vermeld, kunnen wij afsluiten met een korte blik op Hosea 12:1b (SV): “… maar Juda heerste nog op met God, en was met de heiligen getrouw. Juda-Israël, het 2-stammenrijk, bleef – ondanks dat ook dáár grote zonden bedreven werden en op de hoogten aan afgoden geofferd werd – nog het langst trouw aan God. Dit vooral dankzij godvrezende koningen als Asa, Josafat, Hizkia en Josia en dankzij de getrouwen onder de priesters des HEREN te Jeruzalem. “Juda heerste nog met God”, was nog waarachtig Israël (= heersen met God), toen Efraïm-Israël al geheel weggezonken was in het moeras van goddeloosheid. Daarom kwam het oordeel over Juda pas ongeveer 120 jaar later.

Wordt vervolgd

H. Siliakus
Bewerkt door A. Klein

PDF (deel 2)

***********************************************************************************

[1] De tijd der minne = Het ‘huwbaar zijn’, of om, in geestelijke zin, ten huwelijk begeert te worden. (noot AK)
[2] Boelerij = Van boeleren, of boelen = In overspel, in ontucht leven; ongetrouwd met elkaar leven. (noot AK)

.

****************************

Deel 1: Hosea – De schrijver en het Boek

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Israël/huis van Israël, Oordelen Gods, Studie van H Siliakus, Uitleg over het boek Hosea, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (19): De 3 POORTEN van de tabernakel

gate, door, vail

De 3 poorten van de tabernakel

  • “Drie poorten op het oosten, 3 poorten op het noorden, 3 poorten op het zuiden, en 3 poorten op het westen.” (21:13 + uitleg)
  • “Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op de Boom des levens, en opdat zij door de poorten de stad mogen binnengaan. (22:14 + uitleg)

Tabernakel symbolieken blz 81a uit typen

De tekst hieronder is vanuit de tekening hierboven,
om het beter te kunnen lezen:

(Openb.21:13 + 22:14 + uitleg)

BUITEN de tabernakel = Buiten Gods Koninkrijk.
Levenswandel in de wereld, onder inspiratie, (ver)leiding en slavernij van de “overste van de macht der lucht” (Ef.2:1-3, Rom.6:12-23).

.

1. POORT = Bekering tot God en Christus.
Hier begint het leven IN Christus.
Heerlijkheid van Christus aan ons getoond door het Evangelie. Bekering tot Jezus Christus; AANNAME van Hem als onze persoonlijke LEVENSVORST, waardoor wij komen onder de persoonlijke LEIDING / INSPIRATIE van de Heilige Geest (Rom.8:14, Joh.14:15-17) en tot WEDERGEBOORTE (bevruchting) (Joh.3:3+ 5, 1 Petr.1:23); Hier begint het leven IN Christus (Luk.13:24, Matth.7:13-14).
In de VOORHOF van de tabernakel Gods:

  • Plaats van OVERGAVE van ZONDEN en BELIJDENIS.
  • Plaats van INCUBATIE van het Nieuwe Leven door het Woord Gods.
  • Plaats van Gods Behoudenis (Ps.91).
  • Plaats van TENIETDOENING van ZONDEN (1Joh.1:19).

WASVAT: Waterdoop. Doop en Opstanding in en door Christus (Rom.6:3-4, Kol.2:12-15).
BRANDOFFERALTAAR: Geloof in Golgotha’s VERZOENING. Het Lam van God als CLAIM gelegd op ons ZONDAARSHART (Rom.3:23-25, Kol.1:19-23, 1Joh.4:10, Joh.3:16).

.

2. DEUR
Christus in ons.
Doop in de Heilige Geest. Christus IN ONS. Het NIEUWE LEVEN breekt zichtbaar door in ons persoonlijk leven (Kol.1:27, Matth.3:11, Hand.2:38-39, Ef.1:13-14).
In het HEILIGDOM van de tabernakel Gods:

  • Plaats van OVERGAVE van het LEVEN en (toe)WIJDING.
  • Plaats van openbaring van het NIEUWE LEVEN in en door
  • HEILIGDOMSLEVEN onder inwonende Leiding en Inspiratie van de Heilige Geest (Rom.8:11+14).
  • Plaats waar de MENSELIJKE WIL (hoe goed ook in menselijke ogen) wordt TENIETGEDAAN!

REUKALTAAR: SMEEKBEDE tot; Dank, Lof en Prijs tot; VERHEERLIJKING van; VOORBEDE tot en AANBIDDING van God, onze Hemelse Vader en Jezus Christus, Die ons door de Vader is gegeven tot Redding en Volmaking (1Kor.1:30, Hand.1:14, 1Thess.5:17, Ef.6:18, Rom.8:26-27, 1Kor.14:15, Matth.7:8-11, Mark.11:24-25, Joh.14:13-14 + 15:7+16 + 16:23-27).
GOUDEN KANDELAAR: BETUIGING (PROCLAMATIE) van het Woord Gods in de Kracht van de Heilige Geest (Hand.1:8). Bedeling der GAVEN, BEDIENINGEN en AMBTEN tot (geestelijke) opbouw en VOLMAKING van het Lichaam van Christus (1Kor.12:4-11 + 28-31, Ef.4:8-16, Matth.5:14-16).
Betoning aan de medemens van de WAARHEID Gods in de LIEFDE en GENADE van God, zoals Jezus dit deed (Joh.1:14). De Heerlijkheid van Christus door ons heen aan anderen geopenbaard.
TAFEL met TOONBRODEN: Gemeenschap met het Woord Gods (Joh.14:26 + 15:26 + 16:13). Volle ontplooiing van de VRUCHT van de Heilige Geest in het kind van God (Gal.5:22, Ef.5:9, Rom.5:5, 2Petr.1:4-7, Hebr.10:16, Jer.31:33). Heerlijkheid van Christus in ons aangebracht. Wij worden persoonlijk DRAGERS van het Woord Gods (Nooit het Woord van God Zelf!). Doop met VUUR / LIEFDEVUUR (Matth.3:11). ZOUT der aarde (Matth.5:13). Kinderen der Liefde Gods (1Kor.13:1-13, Joh.13:34-35).

.

3. VOORHANGSEL = Poort der volmaaktheid.
Christus volmaakt in ons.
Einde van alle vlees. (Zonde èn eigen-ik houden hier op ons NIEUWE LEVEN te bezoedelen (Hebr.10:20, Ef.1:4 + 5:27, Kol.1:22, Luk.1:74-75).
In het ALLERHEILIGDOM van Gods tabernakel.
Het Nieuwe Jeruzalem (Openb.21:9-27). Leven in VOLMAAKTE GEMEENSCHAP met God.
ARK des VERBONDS: EEUWIGE Bruidsgemeenschap met de Hemelbruidegom (Openb.3:21 + 12:1+ 19:6-9 + 21:9-27, Jes.60:1-3). Een EEUWIG LEVEN in de Volmaakte Liefde en Heerlijkheid (SHEKINA) van God, onze Vader, in Zijn EEUWIG Koninkrijk (Openb. 21:1-7 + 22:1-5).

.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel
  9. De DEUR en de heilige zalfolie
  10. De Tafel met Toonbroden
  11. De GOUDEN 7-voudige KANDELAAR
  12. Het REUKALTAAR en het reukwerk
  13. De HEILIGE driehoek van Gods arbeid in ons
  14. (14a): De geestelijke heerlijkheids-klederen van Christus – waar ook Gods dienaren in hebben te wandelen om te kunnen dienen + (14b)
  15. De priesterwijding
  16. De Levitische offeranden – deel 1
  17. De Levitische offeranden – deel 2
  18. Het VOORHANGSEL en het heilige der heiligen

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Werkers in Gods dienst, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Boekbespreking 68: De Gemeente van Filadelfia

De gemeente van Filadelfia kleur

Waarom Filadelfia leefde onder Gods zegen

Laat ons thans het geheim leren ontdekken, waarom God jegens de Gemeente van Filadelfia zo wonderlijk moest en kon handelen. Laat ons uit dit onderzoek de les trekken, opdat wij in haar sporen zouden kunnen wandelen en God ook ons zou kunnen zegenen.
“En schrijf aan de engel der Gemeente, die in Filadelfia is:…” (Openb.3:7a + uitleg)
De Goddelijke brief werd gericht aan de voorganger van deze Gemeente, de “engel” van die Gemeente. Het woord “engel” is hier gebruikt in de zin van “dienstknecht”. De voorganger is Gods dienstknecht; hij is geen “heer”. Hij is dienstbaar aan de Gemeente – naar Gods leiding en wil – om die Gemeente te brengen tot hartelijke gehoorzaamheid aan Zijn Woord. Maar aangezien hij verantwoordelijk is voor de juiste gang van zaken in de Gemeente, is hij ook bekleed met gezag. Dit is echter geen persoonlijk gezag, maar het gezag van Gods Woord, werkende door de Heilige Geest.
Deze engel Gods, die te Filadelfia diende, had alle eer van zijn trouwe dienst, omdat hij deze Gemeente had mogen brengen tot wat zij was; een Gemeente, die het nieuwe leven in deze wereld kon openbaren tot prijs en heerlijkheid van haar Heer!

  • “…Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die de sleutel Davids heeft; Die opent en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent.” (3:7b)

De Here Jezus Christus kon Zich aan deze Gemeente presenteren in Zijn HEILIGHEID en Zijn WAARACHTIGHEID. Begrijpt u dit, als God – in Jezus Christus – tot ons kan komen in Zijn heiligheid en in Zijn waarachtigheid, wat dit zeggen wil? Als God enigermate Zijn heiligheid aan de mens openbaart, dan krimpt die mens ineen onder de druk van zijn eigen zondigheid. Daarom moest Petrus, na de openbaring van Zijn almacht, zeggen: “…Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens” (Luk. 5:8b). Daarom vielen Daniël (Dan.10:7-10), Jesaja (Jes.6:5), Ezechiël (Ezech.1:28) en Johannes (Openb.1:17) als onmachtig neer, toen zij Hem zagen en Zijn heerlijkheid ervoeren.
Maar deze Gemeente had, onder leiding van haar voorganger, mogen groeien in Zijn heiligheid en waarachtigheid, zodat Hij Zich als zodanig aan haar kon openbaren, zonder dat zij eronder gebukt ging. Dit kwam omdat zij diep in haar hart had begeerd naar zulk een leven in Zijn onmiddellijke nabijheid, reinheid en heiligheid. Hij, Die de “sleutel Davids” had, mocht komen, en AL haar kerkerdeuren van zonde en ongerechtigheid openen, zodat zij kon leven in de vrijheid en blijheid van het kind van God. Zulk een leven in God is een vrucht van een trouwe en blijmoedige kruiswandel onder de machtige leiding van de Heilige Geest, Die altijd conform Gods Woord handelt. Geen macht van engelen, mensen en omstandigheden zal de deuren tot zulk een leven kunnen sluiten, als dezulken Hem trouw blijven. Hij sluit de deuren van zonde-neigingen en inspiraties der hel en niemand opent ze…
Een “sleutel” is in Gods Woord de typering van kracht en macht om situaties van gebondenheid op te heffen. Hij is de grote David, de Koning over dood en leven, over zonde en genade.

  • “Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten, want gij hebt kleine kracht…” (3:8a)

Deze Gemeente had de genade van een GEOPENDE DEUR! Zij leefde eensdeels onder een geopende hemel van Gods rijke leiding, bekrachtiging en zegeningen, anderdeels was haar een vrijmakende kracht beschoren; een vrijmaking van zonde, zonde-neigingen en ongerechtigheden. De sleutel van de grote David had in haar zijn werking gedaan en heeft haar leven geopend en haar verlost! Aan al de werkingen der duisternis was zij ontrukt en het nieuwe leven in Christus was haar deel!
Hij had haar KRACHT (zij het “kleine” kracht) gegeven om kinderen Gods te worden. Deze “kleine” kracht moest door haar trouw groeien tot “grote” kracht om haar te leiden tot volmaakte OVERWINNING (Openb.3:12), waartoe ze was geroepen. Daarom kon Hij Zich aan haar presenteren als de HEILIGE en de WAARACHTIGE!
Wat was het geheim van deze Gemeente; waarom kon en moest God de Here alzo jegens deze Gemeente handelen? Waarom handelde de Here Jezus Christus, de Here van de 7 Gemeenten, Die temidden van de 7 kandelaren staat, zó jegens deze Gemeente, terwijl Hij tegen de Gemeente van Laodicea fel in Zijn oordeel moest optreden, zeggende: “Ik sta aan de deur, en Ik klop (Ik sta buiten u; u hebt een Christen-leven zonder Mij)! Gij zijt lauw en ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind en naakt, al denkt u rijk en verrijkt te zijn en aan niets gebrek te lijden!” (naar Openb.3:20)
Dit geheim van de Gemeente te Filadelfia vinden wij in de luttele woorden die hier volgen, in de erkenning door de Here der Gemeenten:

  • “Gij hebt Mijn Woord bewaard.” (3:8b)

Filadelfia BEWAARDE Gods Woord! Ze bewaarde dat Woord in haar HART! Niet in de hersenen heeft men Gods Woord te bewaren, als droge, uit het hoofd geleerde teksten, maar in het hart; de zetel van ‘s mensen liefde en begeerten. Het gemoed, de inwendige mens, moet door geloof en begeerte zich Gods Woord en beloften hebben toegeëigend. God moet Zijn eigen Woord en beloften kunnen lezen in de schatkamers van het gelovige en verlangende hart!
Filadelfia had Gods Woord lief en bewaarde daarom Gods beloften, zegeningen en loopbaan, zoals die haar in Zijn Woord zijn voorgesteld tot alle verlossing en zegening. Ze bewaarde deze alle in haar hart. Gods belofte en weg waren voor haar schatten, hemelschatten. En God Zelf kon de grote begeerte ernaar in haar hart lezen.
Als wij een belofte van iemand gekregen hebben, waarvan de nakoming ons véél waard is, dan bewaren wij zo’n belofte in ons hart. Als zo’n belofte ons niet kostbaar is, dan gaat ze het ene oor in en het andere weer uit. Wij vergeten de gegeven belofte al snel. Maar als ze kostbaar is in onze ogen, dan bewaren wij die in het hart en zien wij uit naar de dag van haar nakoming.
Is het met ons óók zo gesteld, wat Gods beloften en zegeningen betreft? Kan God de belofte van wassing in (ofwel: reiniging door) Zijn dierbaar bloed in ons hart lezen; de belofte van de doop en de vervulling met Zijn Heilige Geest en Vuur? Kan God de belofte van volmaking in ons hart lezen? Is er een hunkering ernaar? In het bevestigende geval zal God Zijn Woord in ons leven waarmaken; alle, waarnaar het hunkerend hart verlangt. Die het beloofd heeft is getrouw, Die het ook doen zal! God, Die een goed werk in ons begonnen is, zal het ook volmaken, maar Hij wil in ons een hart zien, dat ernaar hongert; dat hongert naar de menigvuldige verlossingen en gerechtigheden, die Hij in Zijn Woord genadevol heeft beloofd.
Ik wil met u gaan naar een Schriftgedeelte waar dit “bewaren van Gods Woord” zo wonderlijk door onze Here Jezus Christus Zelf uit de doeken wordt gedaan. Laat ons gaan naar Johannes 14.

  • KLIK HIER als u deze studie verder wilt lezen of downloaden.

E. van den Worm

.

Geplaatst in BEWARING voor de grote verdrukking, Bijbelstudie, Boek/studiebespreking, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, Eindtijdstudie, Nuttige studie als 'basiskennis', Studie van E van den Worm, Volmaaktheid in Christus, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (18): Het VOORHANGSEL en het heilige der heiligen

Voorhang met ark des verbonds

  • “U moet ook een voorhangsel maken, van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en dubbeldraads (SV: getweernd) fijn linnen; men moet het maken met cherubs (= engelen, als dragers van Gods heerlijkheid – AK) erop, werk van een kunstenaar (SV: van het aller-kunstigste werk). Dan moet u het hangen aan 4 pilaren van acaciahout die met goud overtrokken zijn en van gouden haken voorzien, op 4 zilveren voetstukken. Dan moet u het voorhangsel onder aan de haken hangen en de ark van de getuigenis daarbinnen achter het voorhangsel brengen. Het voorhangsel moet voor u scheiding maken tussen het heilige en het heilige der heiligen.” (Exod.26:31-33, HSV)
  • “Daarna maakte men een voorhangsel van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en dubbeldraads fijn linnen; als werk van een kunstenaar maakte men het, met cherubs erop. Ook maakte men er 4 pilaren van acaciahout voor, die men met goud overtrok; hun haken waren ook van goud. Men goot vervolgens de 4 bijbehorende zilveren voetstukken.” (Exod.36:35-36, HSV)
  • “U moet de ark van de getuigenis erin zetten, en de ark met het voorhangsel afschermen (SV: bedekken).” (Exod. 40:3, HSV)

In de Bijbel lezen wij van verschillende NAMEN, die aan deze 3de deur in Gods heiligdom werden gegeven:

  • voorhang(sel) (Exod.26:31, Hebr.6:19);
  • 2de voorhangsel (Hebr.9:3);
  • voorhang(sel) des deksels, omdat dit kleed de ark des verbonds voor het oog AFDEKTE en bij het “optrekken van het leger” der kinderen Israëls deze ark BEDEKTE (Exod.35:12 + 39:34 + 40:21, Num.4:5);
  • voorhangsel van de getuigenis (Lev.24:3);
  • voorhang van het heilige (Lev.4:6).

Dit VOORHANGSEL mocht, zoals wij reeds in het vorige hoofdstuk zagen, slechts 1x per jaar door de HOGEPRIESTER worden gepasseerd op de Grote Verzoendag (Lev.16:2 + 33-34, Hebr.9:7).
Dit VOORHANGSEL (deze VOORHANG) vormde een afscheiding tussen het HEILIGE en het ALLERHEILIGDOM (of: HEILIGE der HEILIGEN). Het is een wit kleed van getweernd linnen, aller-kunstigst bewerkt met hemelsblauw, purper en scharlaken garen en doorstikt met CHERUBIM van gouddraad; dingen die wij reeds in hoofdstuk 8 van deze studie bezagen.
Dit kleed hing, zoals wij reeds zagen, aan 4 PILAREN van acaciahout met GOUD overtrokken, rustende op ZILVEREN voeten. Dit kleed hing ook aan de GOUDEN HAKEN van het TABERNAKELKLEED (het onderste stel kleden, die, zoals wij reeds zagen, over de heilige woning lagen).
Dit VOORHANGSEL zegt ons, dat de hemel (uitgeduid [= geheel duidelijk gemaakt] door het ALLERHEILIGDOM), dat de Troon van God (Hebr.9:24), voor de zondige mens GESLOTEN was.
Namens de zondige Israëliet mocht de hogepriester, éénmaal per jaar, deze allerheiligste plaats met een brandend wierookvat en met het bloed van de zondoffers betreden, tot verzoening der zonden van hem en van het volk. Maar toen Jezus Christus de VERZOENING der zonden éénmaal had volbracht, nam God dit beletsel voor de mens weg. Dit betoonde Hij door ook het symbolische beletsel, het VOORHANGSEL in de tempel, weg te nemen (Matth.27:51, Luk.23:45). Met andere woorden: Door de dood van Jezus Christus wordt de weg, van de door het Bloed verloste mens, tot Gods troon vrijgemaakt (Hebr.10:19-20), en mag hij nu – rein gewassen in het Bloed van Gods Lam en geheiligd door Gods Woord en Heilige Geest – de Troonzaal van de Allerhoogste vrijmoedig betreden en tot de Troon van onze allerheiligste God en Vader naderen (Hebr.4:16).
Beeldt dit voorhangsel het VLEES (= Lichaam) van Jezus Christus uit, dat voor ons moest worden gekruisigd vanwege onze zonden (Hebr.10:19-20), ze beeldt óók ons vlees uit, waarvoor Jezus Christus – om ons te redden – moest sterven.
Pas als ons vlees (= lichaam, aan de zonde af-) gestorven is, mogen wij – door de verleende genade Gods – Zijn HEMEL binnentreden.
In de GEEST mogen wij nu Zijn Troon naderen als ons VLEES, onder Zijn machtige Kruiswerkingen, tot ZWIJGEN is gekomen en wanneer Zijn Geest ons lichaam VERVULT en alzo LEVEND heeft GEMAAKT (Rom.8:11, Ef.5:17-18).
De 4 PILAREN, waaraan dit VOORHANGSEL hangt, waren van ACACIAHOUT, overdekt met GOUD, steunende op ZILVEREN voeten. Aangezien zij van HOUT waren, symboliseren zij verloste mensen. Het GOUD vertelt ons van hun vervuld zijn met de Heilige Geest en hun ZILVEREN voeten vertellen ons van hun staan op het WOORD der VERZOENING. Daar de pilaren het voorhangsel droegen, wijzen deze heen naar MENSENKINDEREN, die de volle opstandingsheerlijkheid van Jezus Christus in Zijn hemelse glorie dragen.
Deze 4 PILAREN stonden bij het allerheiligdom, het VOORHANGSEL dragend. Zij typeren een groepering van dermate GEHEILIGDE MENSEN, dat zij in Gods Volmaakte Tegenwoordigheid kunnen blijven WONEN, om Hem daar te DIENEN (Openb.3:12).
De 4 PILAREN in de tabernakel van Israël symboliseren de 4 “levende wezens”, die rondom Gods troon zijn (Openb.4:6-8). Ze vormen een groepering van VERVOLMAAKTE HEILIGEN (Openb.5:8-10), die zo vol zijn van de heerlijkheid van Jezus Christus, dat zij ook wel “cherubs” (of “cherubim”) of “serafs” worden genoemd (Jes.6:1-3, Ezech.1:4-14 + 10:1-5).
Een “CHERUB” is een Wezen (of: wezen), dat:

  • òf de openbaring van de Godheid Zelf is (Gen.3:24, waar de drie-enige God [1] is uitgebeeld als 2 Cherubs (= Vader en Heilige Geest) met tussen Zich een vlammend ZWAARD (= het oordeel van het Woord Gods over de zonde van de mens); Exodus 25:17-21, waar de drie-enige God uitgebeeld wordt door de 2 Cherubs (Vader en Heilige Geest) en onder Zich het VERZOENDEKSEL – het Woord Gods, nu niet langer een oordelend Zwaard, maar tot VERZOENING en tot een DEKSEL (= de Bruidegom) – voor de VERBONDSKIST (= Bruid van Christus).
  • òf de openbaring is van de Godheid door een verheven ENGEL (Ezech.28:14; “Lucifer, later “satan”, was een “overdekkende cherub”).
  • òf de openbaring is van de Godheid door GEHEILIGDE MENSEN (Openb.5:8-10).

Deze “levende wezens” openbaren Christus:

  • als KONING (leeuw),
  • als DIENSTKNECHT (os),
  • als GOD (adelaar),
  • als MENS (mens).

Een “seraf” is een engelachtig wezen dat, of een dusdanig geheiligde mens die, in bijzondere betrekking staat tot Gods HEILIGHEID. De grondbetekenis van het begrip “seraf” kunnen wij uitduiden door het woord “branden”: Zij zijn VOL van de VLAMMEN van Gods Heilig Wezen.
Treden wij nu in het geloof het – door God Zelf gescheurde – VOORHANGSEL binnen, dan komen wij op ALLERHEILIGST terrein in de tegenwoordigheid van de levende God. Mocht de hogepriester van Israël dit terrein niet betreden zonder een brandend wierookvat en niet zonder het bloed van de zondoffers, en dat slechts éénmaal per jaar, óók wij kunnen slechts in Zijn tegenwoordigheid komen als ons hart en wezen Hem waarlijk AANBIDT en waarlijk dient in lof en dank en prijs, dit laatste vanwege ons RUSTEN in het Volbrachte Werk van Gods Lam, in Zijn Verzoenend Bloed (Ps.99:1 + 5).
Het HEILIGE der HEILIGEN was VIERKANT van vorm qua oppervlak (10×10 el²) en vormde qua inhoud een KUBUS (10x10x10 el³ = 1000 el³).
Het wijst ook heen naar het 1000-jarige VREDERIJK van Christus, dat alleen door Gods verlosten kunnen worden bewoond, vervolmaakt als zij dan zullen zijn door het dierbaar offer van Jezus Christus (Hebr.10:14) naar geest, ziel en OPSTANDINGS-lichaam (Openb.20:4-5).
Het wijst ook heen naar de VIERKANTE STAD, het Nieuwe Jeruzalem, de Bruid van het Lam (Openb.21:9-27). Deze Stad is 12.000 stadiën [2] lang, breed en hoog. Of wij nu te maken hebben met een KUBUS of een PIRAMIDE weten wij niet. Wel weten wij dat alléén de piramide een UITERSTE HOEKSTEEN heeft (Ef.2:20, Petr. 2:6).
Een “stadie” is als Griekse lengtemaat 185 meter, maar als Romeinse maat 625 voet. Wij weten dat Johannes in een ROMEINSE wereld leefde, waarin de Romeinse gedachten – ook met betrekking tot maten en gewichten – leefden. Wij nemen dus aan dat hier 12.000×625 voet wordt bedoeld en dat is 7.500.000 voet x 0,3048 meter = 2286 kilometer. Nemen wij nochtans aan dat een “stadie” van 185 meter wordt bedoeld, dan hebben wij 12.000×185 meter = 2220 kilometer. [3]
Wat een immense Stad is dat PALEIS van de Koning der hemelen!

Gij hebt in Uw lichaam de voorhang van ons vlees ten volle gekruisigd !

Tabernakel symbolieken blz 80
Het voorhangsel vóór het heilige der heiligen

.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

***********************************************************************************

[1] In Deuteronomium 6:4 staat: “Luister, Israël! De HEERE, onze God; de HEERE is één! (dus één Persoon!)
Dit wordt ook onderschreven door het feit, dat de beide cherubs en het verzoendeksel uit één brok goud moesten worden gesmeed (= geslagen) (zie Exodus 25:18). De beide cherubs en het verzoendeksel beelden onze almachtige God in Zijn drie openbaringsvormen uit. De cherubs beelden de Vader en de Heilige Geest uit, en het verzoendeksel beeldt het Lam, de Zoon van God uit. Gods wezen is een EENheid. Hij is één Wezen, één Persoon. De leer, dat God uit 3 Personen bestaat, is een dwaling. Het is dus beter te spreken van de 3 Openbaringsvormen van God, te weten:
de 1ste Openbaringsvorm van God: de Vader
de 2de Openbaringsvorm van God: Jezus, de Zoon
de 3de Openbaringsvorm van God: de Heilige Geest.
Net zoals wij mensen ook bestaan uit: lichaam, ziel en geest. (noot AK)
[2] Een stadie = 185,25 meter. En 12.000 stadie x (afgerond) 0,185 km. = 2.220 km.
Drie dingen worden “gemeten”: stad, poorten en muur! Niets wordt vergeten, en alles is volmaakt in de Here Jezus Christus.
Het symbolische getal “3”, hier aanwezig, spreekt ons van GODDELIJKE SPECIFICATIES (zoals in Openbaring 11:1-2).
De stad is dus een volmaakte “kubus” (met gelijke lengte, breedte en hoogtezie Openb. 21:16). Doet dit ons niet denken aan dat “Heilige der Heiligen” (ook wel het “Allerheiligdom” genaamd) in Israëls tabernakel, dat eveneens, qua afmetingen, een kubus was – alsóók de (later, door Salomo gebouwde) tempel. Dit Woord (Gods) meet en oordeelt alles! Maar, wij hebben al mogen inzien dat Gods werk VOLMAAKT is, dat niets ontbreekt, en dat alles in de volmaakte orde is geregeld.
Daar waren geen werktuigen nòch ander gereedschap meer nodig. Alle genoemde getallen geven een VOLEINDIGDE VOLKOMENHEID weer (zie Openb. 21:16-17) …12.000×12.000×12.000 stadiën… (want: “lengte, breedte en hoogte waren gelijk”). Wanneer wij nu bedenken dat 1 stadie een afstand is van 185 meter, en 12.000 stadiën dus 2.220 km. is, dan kunnen wij ons wel een voorstelling maken van de uitgestrektheid van deze heilige Gods-stad. Als een kubus telt zij dus 12 ribben, elk van 12.000 stadiën. Vermenigvuldigen wij deze getallen met elkaar, dan is de uitkomst 144.000. Dit merkwaardige, bijzondere, Bijbelse getal – zijnde de 144.000 geestelijk volmaakte zonen uit alle 12 stammen van Israël (zie Openbaring 7:4-8 en 14:1-5) – is onafscheidelijk verbonden aan deze heerlijke Gods-stad, het Nieuwe Jeruzalem,… de Bruid, de Vrouw van het Lam. (Gedeeltelijk overgenomen uit Openbaring 21 van CJH Theys – noot AK)
[3] Zie noot 2.

.

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel
  9. De DEUR en de heilige zalfolie
  10. De Tafel met Toonbroden
  11. De GOUDEN 7-voudige KANDELAAR
  12. Het REUKALTAAR en het reukwerk
  13. De HEILIGE driehoek van Gods arbeid in ons
  14. (14a): De geestelijke heerlijkheids-klederen van Christus – waar ook Gods dienaren in hebben te wandelen om te kunnen dienen + (14b)
  15. De priesterwijding
  16. De Levitische offeranden – deel 1
  17. De Levitische offeranden – deel 2

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Werkers in Gods dienst, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Pinksteren – Het Goddelijke feest van steeds toenemende heerlijkheid

  • “En wij allen, met ongedekte aangezicht de heerlijkheid van de Here als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heren Geest.” (2 Kor.3:18)

Pinksteren het Goddelijk feest van steeds toenem.heerlijkh. kleurEenmaal per jaar viert de Christelijke Kerk het Pinksterfeest, een feest dat vaak onbegrepen is door velen, omdat zij doorgaans een leven leiden BUITEN de Heilige Geest, vervreemd van Hem. Dan pleegt men de vreemdsoortigste handelingen te verrichten om inhoud aan dit feest te geven op menselijke wijze.
Het KERSTFEEST wordt door de meeste Christenen het best begrepen. PASEN het feest van de opstanding van Christus, ook nog wel, maar PINKSTEREN het minst. Dit verklaart het verschijnsel, waarom men in sommige streken in Nederland Schuttersfeesten organiseert met Pinksteren, of een zogenaamde Pinksterblom, het mooiste meisje van de streek, opgetuigd rondleidt of -rijdt.
Men begrijpt er niets van! Dit komt omdat PINKSTEREN bij uitstek zulk een GEESTELIJK feest is. Ons HART moet in en door de Heilige Geest FEEST vieren, door Hem in vlam zijn gezet! Jezus heeft ons in Zijn Woord gezegd, dat Hij gekomen is om ons LEVEN, ja, OVERVLOEDIG LEVEN te geven (Joh.10:10)! Welnu, dat is Pinksteren: overvloedig, Goddelijk Leven! Nogmaals, onze lieve Heiland wil ons doen FEESTEN! Hebt u wel eens in uw Christelijk leven FEEST gevierd in en met Christus? Of bent u net als die oudste zoon uit de gelijkenis van de “verloren zoon”, die zich bij zijn vader beklaagde en zei: “Gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn!” (Luk.15:29b). Vrienden, is er in uw hart wel eens BLIJDSCHAP, een FEEST in Christus, een heerlijkheid door de Heilige Geest, een tintelende hemelblijdschap in en met Christus?
De Heilige Geest is tot ons gekomen als een Triomfator! Het is de Geest van Christus, Die in Jezus de weg van Bethlehem en Golgotha voor ons genomen heeft en Die nu in ons midden wil en kan zijn om ons, mensen, Zijn VICTORIE, Zijn OPSTANDINGSGAVEN, uit te delen, voor zo velen als hiertoe tot Hem komen. PINKSTEREN is die victorie, geplant in ons hart en leven, in Goddelijke overvloed, wanneer wij door Hem ontworteld zijn aan de zonde. Om dan en voortaan Hem toe te behoren; aan die REINE, HEILIGE Geest van God, Die daartoe in ons lichaam woning maakt. Hierdoor kunnen wij Hem ervaren tot zelfs in onze LICHAMELIJKE vezels toe! Het is een gezegende toestand, waardoor, zoals Paulus schreef: “uw (= onze) sterfelijke lichamen LEVEND worden gemaakt, door Zijn Geest, Die dan in u (= in ons) woont.” (Rom.8:11)
PINKSTEREN, vrienden, is de Goddelijke beker van overvloed, die Hij uitstort in ons hart en leven. Hebt u dat (nog)? Die juichende, Goddelijke overvloed? Een Pinksterkind [1] moet een BLIJ kind van God zijn, want de BLIJDSCHAP des Heren is uw sterkte (Neh.8:11). Overal, waar deze blijdschap des Heren weggeëbd is, waar treurnis woont, kan satan zijn sluipwerk in de harten en levens verrichten, en ons tot zonde verleiden. Maar laat ons dan, alstublieft, terugkeren naar onze lieve Heiland, Die PINKSTEREN [2] wil geven in ons hart, leven en lichaam.
Bij de Joden was Pinksteren een OOGSTFEEST. Ingeleid door de oogst van de eerste gerstegarven was Pinksteren de 50ste dag ervan en het begin van de tarweoogst. Waren deze oogstfeesten in de eerste 3 maanden van het Israëlitische jaar, in de 7de maand kende men in Israël de voleinding van de oogst. Dan zijn alle vruchten van het land vergaderd en werd deze arbeid besloten met het grote LOOFHUTTENFEEST. Israël vierde dan feest in loofhutten; in hutten gebouwd van takken van oliehoudend geboomte. Laat Jezus Zijn eerste vruchten met PINKSTEREN met betrekking tot ons leven ook binnenhalen; laat die Vloedgolf uit de eeuwigheid ons lichaam, onze ziel en geest maar binnenstromen en beslag op ons leggen, opdat al dat zondig-menselijke uit ons leven weggespoeld worde! Laten Gods PINKSTERKRACHTEN maar ons leven binnenkomen, en ons gaan beheersen; dan zullen wij in Gods 7de maand van geestelijke rijpheid zeker Zijn LOOFHUTTENFEEST vieren, het grote OOGSTFEEST van de laatste dagen, van de tijd van de Spade-Regen-Opwekking!
De PINKSTERGEEST, de Heilige Geest van God, zal over ons komen en lichaam, ziel en geest bezetten, als wij werkelijk verlangen naar het nieuwe leven uit God en Hem hiertoe in ons lichaam, ziel en geest welkom heten; als wij het aardse, zondige leven werkelijk vaarwel willen zeggen en dat REINE, HEILIGE hemelleven uit Hem ontvangen willen. Dan zal Hij over ons en IN ons lichaam komen en ons vullen met Zijn REINHEID en HEILIGHEID, die karakteristieken zijn van Zijn Goddelijk leven.
Toen Pinksteren kwam in die opperzaal, ten tijde van de eerste Gemeente, was er een STORMWIND uit de hemel en tongen van VUUR! Het Goddelijk Vuur verteert alles wat ONREIN is in ons leven als wij om dit Vuur hebben gebeden. Het komt niet in ons als wij er niet VRIJWILLIG om vragen! Ook komt Hij dan in ons leven als een STORMWIND, die niets van het OUDE LEVEN op zijn plaats laat; die een totale verandering teweeg brengt. Wilt u, dat onze lieve Heiland verstoring brengt in uw zondig, vleselijk leven? Wilt u, dat Hij dan totale verstoring aanbrengt in uw OUDE LEVEN, opdat Hij u het NIEUWE kan geven? Het waarachtige PINKSTEREN!
PINKSTEREN wil een feest zijn van steeds toenemende heerlijkheid, een HEMELFEEST en HEMELLEVEN hier op aarde! Door PINKSTEREN wordt u heus niet zweverig; u staat des te meer met beide benen op de grond, maar uw hart kent een hemelfeest!
Jezus zei in Zijn Woord: “…Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen van Levend Water zullen uit zijn buik vloeien” (Joh.7:37b-38). Ons hart moet hiernaar sterk verlangen!
Het Christenleven is één offerande. Akkoord, u moet – in volkomen vrije wil – uw OUDE LEVEN Hem offeren! Maar het wordt een offer-FEEST, als u in alle eerlijkheid ALLES hebt gegeven, opdat dat reine, heilige, juichende leven in en door de Heilige Geest ervoor in de plaats kome. Wij ontvangen dan onderpand op onderpand van dat HEMELLEVEN, dat ons als een ERFENIS uit genade geschonken is!
Komt vrienden, geeft u over, Jezus wil FEEST met u vieren! En denkt nu niet, dat u er bent als u gedoopt bent met de Geest, want dan begint het feest pas! Hij wil u HEERLIJKHEID op HEERLIJKHEID geven; een feestleven, dat uitmondt in de Bruiloft van het Lam!
Deze toename in dit geestelijk FEESTLEVEN wordt wonderlijk uitgebeeld door de steeds toenemende heilige Wateren van Ezechiël 47. Laat ons dit Bijbelgedeelte nader in beschouwing nemen.

De Wateren van Ezechiël 47

De Heilige Wateren, die onze enkels bespoelen

  • “Als nu die Man naar het oosten uitging, zo was er een meetsnoer in Zijn hand; en Hij mat 1000 el, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkels.” (Ezech.47:3)

Deze Man is mijns inziens de manifestatie van Gods Geest, die elk kind van God inwaarts wil leiden in de heilige, Levende Wateren, die het Leven in Zijn Wezen typeren.
De Wateren gingen OOSTWAARTS hoe langer hoe dieper worden. Het OOSTEN is in de Schrift het typerende beeld van de Troon van God. Hij leidde Ezechiël 1000 el inwaarts de Goddelijke Stroom in. Hier omspoelden de Wateren zijn enkels. Het getal 1000 vertelt ons van een volkomen “pakket” van werkingen van Zijn genade. Als deze afstand van de Weg volbracht is, ziet, dan omspoelen de Wateren, die van God komen, de ENKELS. Wat heeft dit ons te zeggen? Dit: de Geest van God is door het Evangelie in ons leven gekomen en heeft vat op ons leven gekregen. U hebt Hem toegestaan u 1000 el inwaarts te leiden.
Het werk van God is altijd een VRIJWILLIGE zaak geweest (Hgl.6:12): u moet door Hem gered WILLEN worden. U moet Hem hiertoe uitnodigen. De door de Wateren omspoelde enkels vertellen ons van onze LEVENSWANDEL, die dan beheerst en geleid wordt door de Geest van God. Hij doet ons naar de wil van God door Woord en Geest wandelen, uitwaarts uit alle zonde- en zondige gewoontebindingen, inwaarts in de Nieuwe Natuur van God, die Hij dan schrijft in ons hart en in ons verstand (Hebr.8:10). Door het Woord van God vertelt de Geest van God ons van Zijn Liefde-wil. NOOIT zal de Geest ons leiden tegen het Woord in; voor NIEMAND maakt Hij een uitzondering. Laat ons daarom BIJBELVASTE Christenen zijn, opdat wij niet verdolen; ook niet in enig opzicht! Die (ge)willig geleid worden door de Heilige Geest, die zijn kinderen Gods, want Hij leidt uitwaarts uit alle zonde en inwaarts in de NIEUWGEBOORTE en in het Nieuwe Leven. U ontvangt uit genade het KINDSCHAP van God. Waarom? Omdat u hebt geloofd dat Hij alles voor u heeft verzoend op Golgotha en u voortaan van harte naar Zijn Woord wil leven in en door de krachten, door Zijn victorie verkregen.
Hij is de Goede Herder, Die Zijn schaapjes leidt naar malse weiden en stille wateren der rust (Ps.23). Wilt u geherderd worden? Of wilt u liever uw eigen weg gaan, uw eigen levensvisie en levensstijl volgen? Alleen als u de Herder getrouwelijk volgt, brengt Hij u naar die grazige weiden en die zeer stille wateren der rust. En als zonde en verleiding tot zonde in uw weg staan en u willen verhinderen verder te gaan, komt dan met uw strijd tot Jezus en vraagt Hem om kracht en overwinning! God is goed, vrienden, Hij sterkt u en schenkt u de overwinning, waardoor u in blijdschap verder met Hem kunt gaan. Ù moet gaan, ù moet op die Weg gaan lopen, want de Weg van God moet VRIJWILLIG worden betreden. Maar Hij zal u krachten geven om Zijn Weg te blijven gaan, als u elke dag de kracht hiertoe van Hem VERWACHT (Jes.40:31). Maar wij moeten van harte verlangen om met Hem te komen op die plaatsen van hemelse reinheid en heiligheid, en van een leven van blijdschap in de Heilige Geest. Dan omspoelt Hij onze enkels en geeft Hij ons KRACHT om Zijn Weg te gaan. Zo kunnen wij in blijdschap gaan en is onze Nieuwe Wandel in en met Hem een FEEST!

.

De Heilige Wateren, die onze knieën bespoelen

  • “Toen mat Hij nog 1000 el, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën.” (47:4a)

Hier ziet u dat de KRACHT van Gods Geest de KNIEËN, ons gebedsleven, gaan beheersen. Dit betekent dat Hij u Doopt met de Heilige Geest, zodat u “met nieuwe tongen kunt bidden, zoals de Geest u geeft uit te spreken”. Zo wordt ons GEBEDSLEVEN geleid en beheerst door de Geest van God. Hij leert ons in en door Hem te bidden.
De Doop des Geestes is een GEBEDSGAVE, die u alleen verkrijgt in en door GEBED en die u ook alleen onderhoudt door GEBED. Als u niet langer tot Hem komt in het gebed, ebben deze Hemelkrachten weg! Door de Doop des Geestes kan de Heilige Geest, door ons heen, tot de Vader bidden: “En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening van de Geest zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt.” (Rom.8:26-27)
Deze “onuitsprekelijke zuchtingen” zijn die “tongen”. Wij begrijpen er niets van, maar God wel, want er staat geschreven: Hijweet welke de mening van de Geest zij.”
Wij bidden dikwijls niet zoals het behoort. Wij zijn nog op de aarde en hebben een aardse blik. Maar de Geest van God heeft de hemelse blik en ziet in EEUWIGHEIDS-proporties.
Nogmaals: De Doop des Geestes is een GEBEDSGAVE. Door die Geest hebben wij toegang tot de Vader (Ef.2:18), tot de troon van God!
Zoekt door de Geest Gods geleid te worden tot Zijn Wateren uw KNIEËN omspoelen; laat uw gebedsleven gedragen en beïnvloed worden door de Geest van God; wordt gedoopt met de Geest van God!
Sommigen denken dat als zij gedoopt zijn met Gods Geest, zij PODIUMWERK kunnen doen of kunnen PREDIKEN. Dit is een fatale misvatting. Want ALLE arbeid in de Gemeente geschiedt door de Heilige Geest, door middel van Zijn GAVEN, dit zijn OPENBARINGEN van de INWONENDE Geest, tot nut en opbouw van de Gemeente. Hiertoe brengt de Geest ons een stap verder!

.

De Heilige Wateren, die onze lendenen bespoelen

  • “En Hij mat nog 1000 (el), en deed mij doorgaan, en de wateren raakten tot aan de lenden.” (47:4b)

De lendenen staan typerend voor VRUCHTDRACHT in Christus. Het is de plaats van de geboorte van het nageslacht. Als u gedoopt bent met Gods Geest, dringt de Geest ons tot het IJVEREN naar de GAVEN (1Kor.12:31), om voor Christus in de Gemeente en in de wereld te kunnen werken. Want BEDIENING in de Gemeente en in de wereld geschiedt enkel door de Geest van God! Door de GAVEN van de Geest, die dan in ons dienend leven manifest worden. Want uit onszelf vermogen wij NIETS, zei Jezus (Joh.15:5). Wij, arbeiders van Christus, zijn allemaal grote NULLEN! Pas als die 1 van Jezus ervoor staat, vormen wij een 10! Wij zijn ALLEN “onnutte dienstknechten” uit onszelf en doen enkel “hetgeen bevolen is” door de Heilige Geest (Lukas 17: 10). Als Hij door ons wil werken, is er voor ons BEDIENING!
Om te KUNNEN arbeiden in de Gemeente, om uit die wereld een Gemeente te kunnen vormen, hebben wij de GAVEN van Gods Geest nodig. Want Gods Geest is de Enige Bouwheer van de Gemeente. Wij zijn slechts MEDE-ARBEIDERS, Zijn levende instrumenten, die geen enkel initiatief vermogen te nemen! ALLE initiatief tot de arbeid zij uit Christus, Die Zich dan door ons heen openbaart en door Zijn Gaven heen de Gemeente bouwt.
“En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest; En er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere; En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is. Want deze wordt door de Geest gegeven het Woord der Wijsheid,

  • en een ander het Woord der Kennis, door dezelfde Geest;
  • en een ander het Geloof, door dezelfde Geest;
  • en een ander de Gaven der Gezondmakingen, door dezelfde Geest;
  • en een ander de Werkingen der Krachten;
  • en een ander Profetie;
  • en een ander onderscheiding der geesten;
  • en een ander Menigerlei Talen;
  • en een ander Uitlegging der Talen.

Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.” (1Kor.12:4-11)

  1. Bovenaan vinden wij het Woord der Wijsheid, de prediking van het EVANGELIE, de gave, waardoor de Gemeente voornamelijk gebouwd wordt. Want de prediking van het Evangelie is de Kracht Gods tot Zaligheid (Rom.1:16). Het Evangelie is LEVEND en KRACHTIG en SCHERPSNIJDEND om alle zonde en ongerechtigheid uit ons weg te nemen (Hebr.4:12). Hierdoor ziet u dat ELKE prediking een werking moet zijn van de Gave van het Woord der Wijsheid, wil de Gemeente gebouwd worden!
  2. Daarna vinden wij het Woord der Kennis Deze GAVE van God treedt in werking gedurende een gezalfde BIJBELSTUDIE, die het kind van God dieper inleidt.
  3. Daarna de gave van: Geloof,
  4. die der Gezondmakingen,
  5. Werkingen der Krachten,
  6. Profetie,
  7. Onderscheidingen der Geesten,
  8. Menigerlei Talen en
  9. Uitlegging der Talen.

Door deze 9 GAVEN werkt de Geest van God in de Gemeente en in de wereld (zending) door Zijn arbeiders heen. Teveel hebben mensen aan de Gemeente van God willen werken, ondanks de uitdrukkelijke waarschuwing van Jezus: Zonder Mij kunt gij NIETS doen! (Joh.15:5b)
Laat ons toch leren om de Geest door ons heen te laten werken; laat ons vurig bidden om de openbaring van Zijn krachten in de Gemeente en in de zending; laat ons leren Hem de CENTRALE plaats te bieden in onze geestelijke arbeid voor Hem! Als wij Efeze 6:17 goed lezen, dan ontdekken wij daar ook dat het Woord Gods een zwaard is van de Geest en NIET van ons! Hij moet de kans krijgen door ons te werken! En de Evangeliebrenger en Bijbelleraar moeten zich terdege bewust zijn van dit feit en in volkomen afhankelijkheid van Hem arbeiden, Hèm alle initiatief latend!
Waarachtige bediening in de Gemeente en in de zending is er pas als Hijzelf Zijn liefdesstem doet horen door Zijn arbeider heen, dan wordt de Gemeente gebouwd en gevoed door Zijn wil.
Nu dan, als u gedoopt bent met Gods Geest, bidt de Here dan om Zijn bedieningsgaven! En als Hij dat doet, wordt het Woord waar: Ik zal u vissers van mensen maken” (Matth.4:19). Dan zal Hij u ook de plaats wijzen, waar Hij door u gediend wil worden, en u Zijn bediening geven:
“…sommigen als apostelen,
sommigen als profeten,
sommigen als evangelisten,
sommigen als herders en leraars” (Ef.4:11).
Zo in Hem geworteld – en door Hem gebruikt als doorvoerkanaal van Zijn genadekrachten – zullen wij VEEL VRUCHTEN dragen, zoals Johannes 15:5 dit zegt. Dit is dus geen zaak van het BEGIN van onze wandel met Hem. Als wij dit betoog goed hebben gevolgd, zijn wij ons bewust van de progressieve gang van Gods genadewerkingen in ons leven:

  • Wateren tot aan de ENKELS,
  • Wateren tot aan de KNIEËN,
  • Wateren tot aan de LENDEN!

Ga daarom in. Blijf niet bij de eerste beginselen, bij de eerste werkingen van Zijn genade, maar laat ons met alle vrijmoedigheid ingaan in het hemelse Heiligdom. Laat ons in heilige oprechtheid VERDER willen gaan op deze verse en levende Weg, omdat Hij een totale verzoening voor ons heeft bewerkstelligd (Hebr.10:19-20).
“Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u een weg, die nog uitnemender is.” (1 Kor.12:31)
Nadat u hebt geijverd naar deze Geestesgaven – om Hem getrouwelijk te kunnen dienen – wijst het Woord u en mij naar een wonderlijker Weg, hoger en verder, de Weg van de Goddelijke Liefde, die zijn typerend beeld heeft in de volgende fase van Ezechiël 47.

.

De Heilige Wateren, waarin wij moeten zwemmen

  • “Voorts mat Hij nog 1000 (el), en het was een beek, waar ik niet kon doorgaan; want de wateren waren hoge wateren, waar men door zwemmen moest, een beek, waar men niet kon doorgaan.” (47:5)

Hier ziet u dat de Heilige Wateren ook uw en mijn HART en DENKEN willen omspoelen en dragen, en ons willen vullen met de Liefde Gods voor ALLE MENSEN! (2Petr.1:7). Gods “AGAPE” wordt dan in ons hart uitgestort (Rom.5:5). De Bijbel spreekt hiervan als van de “…band der volmaaktheid (Kol.3:14).
Hoe gauw denkt een mens deze LIEFDE te bezitten. Maar als deze LIEFDE waarlijk woning gaat maken in een mensenhart, dan kennen wij Goddelijke BEWOGENHEID voor de verloren staat van de zondaren en DRIJFT deze liefde ons tot hun redding (2Kor.5:14, Want de liefde van Christus dringt ons). Wij worden in ons aardse leven OMRINGD door zondaren en ons hart wordt niet bewogen met een ontroering Gods, omdat deze LIEFDE in ons hart nog niet is uitgestort door de Heilige Geest!
Deze Liefde Gods wordt het kind van God als SLUITSTUK van Gods arbeid aan ons ingegoten; ze is de band der volmaaktheid. Dan komt de NATUUR van God als een vloedgolf uit de eeuwigheid ons wezen overspoelen, “…NADAT wij zijn ontvloden aan het verderf, dat in de wereld is door de begeerte” (2Petr.1:4).
Men kan nooit een dak, het sluitstuk van een gebouw aanleggen, als men niet eerst zijn fundament en zijn muren heeft gebouwd. Alzo is dit ook waar in geestelijke zin.
Deze LIEFDE tot alle mensen moet men niet verwarren met de EERSTE LIEFDE: de liefde tot Christus. Deze liefde moet men BLIJVEND hebben, wil men de Heilige Geest getrouwelijk kunnen volgen op al Zijn Weg.
Deze Goddelijke Natuur brengt de mens ook HEILIGHEID. Heiligheid is een attribuut van God Zelf. De hoogste engelenmachten in de hemel loven Hem met een “…Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige…” (Openb.4:8). En dan draagt zo’n mens de heerlijkheid van God! God WIL ons Zijn heerlijkheid geven (Joh.17:22), en die zal zeker over Zijn Bruidsgemeente gezien worden (Jes.60:2).
Zo wordt de volle VRUCHT van de Geest van God in ons tot rijpheid gebracht en zal Zijn Gemeente/Kerk – als Bruid van Christus – dit in de laatste dagen openbaren als een triomf van Gods genadewerkingen in mensenkinderen, die Hij van de aarde gekocht heeft met Zijn Bloed!
Te gauw noemt een mens of Gemeente zich “Bruid van Christus”, terwijl deze LIEFDE en deze Heerlijkheid van Gods HEILIGHEID aan dezulken nog niet worden gevonden.
Maar, wij ALLEN mogen – als een wedloper in en met Christus – “jagen naar dit wit, naar deze prijs van de roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus” (Filip.3:14).

E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

PDF (in tablet of smartphone-formaat)

***********************************************************************************

[1] Pinksterkind = Waarmee hier vooral (Pinkster)gelovigen worden bedoeld, waar de Pinksterboodschap en de Pinksterervaring – dus: de boodschap over en de ervaring van de uitstorting van en/of de vervulling met de Heilige Geest – gepredikt en ervaren wordt. (noot AK)
[2] Pinksteren = Hier: de Pinksterervaring – dus: de ervaring van de vervulling met de Heilige Geest. (noot AK)

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bidden/Gebed, Bijbelstudie, de Heilige Geest, Geestelijke groei, Geestesgaven, Genadetijd Gods, Gods Geest, Gods Geest/De Heilige Geest/Geestesgaven etc., Heiligmaking, Opwekking, Studie van E van den Worm, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (17): De Levitische offeranden – deel 2

HogepriesterDe verplichte offeranden

A. Het zondoffer;
B. De Grote Verzoendag;
C. Het schuldoffer.

A. Het zondoffer (Lev.4 + 6:24-30).
Het ZONDOFFER moest worden gebracht, wanneer de Israëliet ZONDIGDE tegen de Here en Zijn Geboden (Wet, Wil, Woord – Lev.4:2).

(1)
Als het GEHELE VOLK had gezondigd, ook als deze SCHULD van het VOLK het gevolg was van de ZONDE van een GEZALFDE PRIESTER, moest een volkomen VAR (jonge stier) geofferd worden (Lev.4:13-14 + 3).
Christus stierf als een zondoffer (= een offer voor de zonde) voor de GANSE WERELD (2Kor.5:21, 1Petr.2:24, 1Joh.2:1-2).
Dit “offer voor de zonde” wijst heen naar Christus (Hebr.10:5-9, Ps.40:7-9).
De gezondigd hebbende, gezalfde priester (c.q. de oudsten van het volk) legde(n) de handen op de kop van de var (Lev.4:4 + 15). Ook bij zondoffers van INDIVIDUELE mensen (Lev.4:24 + 29 + 33). De zondaar identificeert (vereenzelvigt) zich met Christus als Lam van God (Jes.53:5-6, Rom.6:4-8).
Het offerdier moest worden geslacht voor de deur van de tent der samenkomst. God bepaalt WAAR en HOE Hij gediend wil worden. ALLE INITIATIEF en LEIDING moet van de Here komen in al Zijn dienst!
Het BLOED van de var werd in het heiligdom gebracht, maar niet in het ALLERHEILIGDOM (dat gebeurde alleen op de Grote Verzoendag door de hogepriester) en 7x gesprenkeld voor de VOORHANG in het heiligdom (voor Gods aangezicht) en op de hoorns van het REUKALTAAR gedaan. De rest van het bloed werd uitgegoten op de bodem van het BRANDOFFERALTAAR (Lev.4:5-7 + 16-18). Het bloed van Jezus werd tot voor Gods aangezicht gebracht tot een PERFECTE (eeuwige) VERZOENING van de mensheid met God (Hebr.9:11-15). Ook ons gebedsleven moet worden gereinigd van ONHEILIGE MOTIEVEN, en de bodem van het ganse zondaarshart moet worden gereinigd van ALLE ONGERECHTIGHEDEN, na rouwmoedige belijdenis (Ps.51:19, 1Joh.1:7-9, Openb.1:5).
AL het VET, de beide NIEREN en het NET over de LEVER werden als een vuuroffer verteerd op het BRANDOFFERALTAAR (Lev.4:8-10 + 19 + 26 + 31 + 35). Het ZONDAARSHART moet deel hebben aan Christus’ offer door geloof in het Woord der Verzoening, de boodschap van het gestorte Bloed van Gods Lam. Zo verkrijgt de VERZOENDE zondaar deel aan de INNERLIJKE RIJKDOM van Christus (Rom.3:21-26, Ef.3:16-19).
De HUID en de ganse rest van de var werden BUITEN de legerplaats tot AS verbrand; op de plaats, waar de as van de offers werd gestort (Lev.4:11-12 + 20-21). NIETS van het vlees van deze var mocht door de priesters worden gegeten (Lev.6:30). Christus is op Golgotha, BUITEN de poort van Jeruzalem, voor ons gekruisigd en gestorven (Hebr.13:10-13). Geen mens, geen Gemeente/Kerk of leer mag zich vereenzelvigen met de ZALIGENDE KRACHT van de Zaligmaker (geen enkel mens, Gemeente/Kerk of leer is ZALIGMAKEND!!!).
(2)
Wanneer enkel een INDIVIDU (geen gezalfde priester) gezondigd had:
Was hij een overste (vorst) dan moest hij een volkomen GEITEBOK offeren ten zondoffer. Is hij iemand uit het gewone volk, dan moest hij een volkomen JONGE GEIT (een lam), een WIJFJE, offeren (Lev.4:22-23 + 27-28 + 32).
Beeldt de VAR Christus uit, deze offeranden beelden het persoonlijk geloof van de zondaar in Christus en Zijn offer uit. Dit wordt ons duidelijk door het ritueel met het bloed van het offerdier. Daarom werd het bloed van deze dieren NIET in het heiligdom gedragen. Daarom kon na belijdenis, het zondoffer van de gewone man uit het volk, een volkomen WIJFJE(s-lam) zijn.
Het BLOED van deze persoonlijke offers moest op de hoorns van het BRANDOFFERALTAAR gedaan worden; en de rest op de bodem ervan worden uitgegoten (Lev.4:25 + 30 + 34). Ons ZONDAARSHART moet worden ontzondigd door het GELOOF in de Kracht van Jezus’ Bloed; iets, waar ook de besnijdenis van spreekt (Rom.2:25-29).
Het VLEES van deze persoonlijke zondoffers, waarvan het bloed niet IN het heiligdom werd gedragen, was tot spijze/voedsel van de priesters. Het moest in de VOORHOF (heilige plaats) en gekookt gegeten worden (Lev.6:25-26 + 29-30). Gods kinderen moeten (Gods priestervolk moet; 1Petr.2:5 + 9) door het GELOOF het Lichaam des Heren ETEN (Joh.6:54-57), zodat wij de VERLOSSING ontvangen. Dit wijst ook heen naar het Heilig Avondmaal (Matth.26:26-29).
Dit vlees was een “Heiligheid der Heiligheden” en moest daarom op een HEILIGE PLAATS gegeten worden. Al wie dit vlees at, was HEILIG (Lev.6:27a). Het Heilig Avondmaal des Heren mag NIET gegeten worden met een ONREIN hart (een hart dat de zonde nog niet wil loslaten); (1Kor.11:27-32).
Al wie deelneemt aan het Heilig Avondmaal heeft deel aan Jezus’ HEILIGHEID.
De klederen die in aanraking waren gekomen met het bloed van het offerdier moesten in de heilige plaats (= de voorhof) worden gewassen (Lev.6:27b).
Dit bloed van het offerdier droeg de zonde van de zondaar, daarom moesten de klederen die ermee besmeurd waren in de heilige plaats gewassen worden.
Onze ziele-klederen moeten altijd WIT zijn, gewassen in het Bloed van het Lam (Openb.7:14b).
De aarden vaten, waarin het vlees was gekookt, moesten worden gebroken; de koperen vaten moesten worden geschuurd en gewassen (Lev.6:28). De Heiligheid des Heren, het Brood des Levens mag alleen in contact komen met het VERZOENDE ZONDAARSHART en NIETS anders van deze aarde!

(3)
Bijzondere zondoffers:

  • de ZONDOFFERS op de grote verzoendag, éénmaal per jaar (16; een var en een bok);
  • Bij de PRIESTERWIJDING (29:10-14, Lev.8:14; een var);
  • Bij de WIJDING der Levieten (8:8; een var);
  • Bij beëindiging van het NAZIREEËRSCHAP (6:14; een ooilam);
  • De rode VAARS (= koe) en het water der ONTZONDIGING (of: het reinigingswater) 19:1-12).

Ook al deze ZONDOFFERS wijzen op Christus, Lam van God, VERLOSSER en ZALIGMAKER!
Of op ons GELOOF in Hem en Zijn Bloed (Zijn Verlossend Werk op Golgotha), vooral als er sprake is van een VROUWELIJK offerdier.

.

B. De grote verzoendag (Lev.16:1-34 + 23:26-32, Num.29:7-11).
Op de 10de van de 7de maand van het godsdienstige jaar, de maand Tisjri, werd elk jaar door Israël de GROTE VERZOENDAG gehouden, op welke dag heel bijzondere zondoffers werden geofferd (Lev.16:29-30 + 23:27, Num.29:7). Deze 7de maand van het godsdienstige jaar was de eerste maand van het burgerlijke jaar van Israël (= in september-oktober van onze kalender).
Dit is het jaarlijkse grote feest der verzoening, waarbij Israël als natie voor een ogenblik GEHEEL GEREINIGD stond voor zijn God! Deze dag van VERZOENING wijst heen naar de grote Verzoening, volbracht door de Zoon des mensen op Golgotha ééns-en-voor-altijd voor gans de mensheid in het tijdsgewricht der eeuwen (2Kor.5:19 + 21, Jes.53:6-7, Hebr.9:11-14); een Verzoening, die God reeds vóór de grondlegging der wereld (1Petr.1:18-20, Ef.1:4-7) had bepaald.
De dag van Golgotha was voor Christus geen blijde dag maar door de gevolgen, de GENADE, die NU aan de zondige mens kan worden verleend na bekering en belijdenis, wordt deze dag bestempeld tot een FEESTDAG.
De Joden hebben als natie deze Goddelijke “Dag der Verzoening” verworpen, maar God stelde in Zijn grote barmhartigheid voor hen als natie een nieuwe dag der verzoening in, bij Zijn wederkomst als Koning (Rom.11:25-32, Zach.12:10-14). Die dag van Zijn wederkomst als Koning zal voor het overblijfsel der Joden hun GROTE VERZOENDAG worden, omdat zij naar de verkiezing Gods beminden zijn om der vaderen wil.
Op de Grote Verzoendag moest, veel stipter nog dan op een gewone sabbatdag, de SABBAT worden gevierd (de RUST van God). Daarom wordt deze dag wel eens “de SABBAT der RUST (letterlijk: sabbat der sabbatten) genoemd (Lev.16:31 + 23:26-32). Duidelijk laat de Heer hier merken dat de verzoening met God geheel een zaak van Hemzelf is. Wij hebben in Zijn werkzame handen te RUSTEN, nadat wij ons aan Hem hebben overgegeven na bekering en belijdenis (Jes.28:9-13).
Op deze dag moest het volk Israël zich VEROOTMOEDIGEN (letterlijk zijn ziel buigen; Lev.23:27-32 + 16:31, Num.29:7). BELIJDENIS en erkenning van schuld zijn nodig, wil de Heer ons vergeven (1Joh.1:7-9).
Eens in het jaar op deze dag mocht de hogepriester van Israël ingaan in het allerheiligdom, waar de ark des verbonds stond. Hij moest dat doen op Gods voorgeschreven wijze, opdat hij niet zou sterven (Lev.16:1-2).
De hogepriester moest op die feestdag ALLE voorgeschreven bedieningen ZELF doen. Nadat hij het dagelijkse MORGENOFFER (brand-, spijs- en drankoffer) had gebracht met daarna de verrichtingen in het HEILIGDOM (het blussen van de kandelaar, de reiniging van de pitten van de lampen en daarna nieuw vuur en nieuwe specerijen voor het reukaltaar), begon hij met het eigenlijke ritueel van de Grote Verzoendag.
Voor hemzelf en zijn gezin moest hij een VAR ten ZONDOFFER brengen en later een RAM ten BRANDOFFER (Lev.16:3 + 11).
Als de hogepriester –in vol ornaat– het MORGENOFFER ging offeren, had hij de handen en voeten reeds gewassen om in het HEILIGDOM te kunnen komen, maar voor de speciale verrichtingen van deze dag –en zijn binnengaan in het allerheiligdom– moest hij, bij het wasvat, al zijn vlees met water uit dat wasvat wassen. Daarna trok hij een linnen onderbroek aan en de witte ROK VOL OOGJES (de heilige linnen rok). Een linnen gordel was om zijn lendenen en zijn hoofd was bedekt met een linnen hoed (Lev.16:4).
Dit complete bad wijst naar de doop door ONDERDOMPELING, waaraan ook Jezus Zich, als Zoon des mensen, onderwierp (Matth.3:13-16), een (in geestelijke zin) versterven van gans de “OUDE MENS”. Deze hogepriester van Israël was niet zonder zonde, waardoor hij dit reinigingsbad voor de zonde te meer voor zichzelf behoefde.
De hogepriester was enkel gekleed in de WITTE ROK VOL OOGJES. Deze witte linnen rok beeldt, zoals wij reeds in hoofdstuk 14 (van deze studie) zagen, de Hemelvaart van Jezus uit; de kledij van onze hemelse Hogepriester, nu, in Zijn hemelse bediening.
De andere kledingstukken had Israëls hogepriester dan afgelegd. Immers: de EFOD beeldt, zoals wij reeds weten, de kruiswandel van Jezus uit, en de MANTEL van de EFOD de Opstanding van Jezus. KRUISWANDEL en OPSTANDING moesten voor de hemelse Hogepriester voorbije zaken zijn, toen Hij het Bloed der Verzoening in het Hemelse Allerheiligdom bracht. Het was hierdoor dat de Israëlitische hogepriester alleen maar gekleed was in de linnen rok vol oogjes bij deze handelingen op de Grote Verzoendag.
In dit kleed der hemelse Heerlijkheid bracht Jezus als hemelse Hogepriester Zijn Bloed voor de Troon der genade en ontving Hij van de Vader het Koninkrijk en de Kracht van de Heilige Geest voor Zijn Gemeente (Hand.1:9, Dan.7:13-14, Hebr.9:11-14).
Eerst slachtte de hogepriester zijn ZONDOFFER (Lev.16:11) en ving al het bloed ervan op. Dit bloed droeg hij binnen tot in het ALLERHEILIGDOM. Dit bloed vormt een heenwijzing naar het Bloed der Verzoening van Gods Zoon (Kol.1:20, Hebr.9:14, 1Joh.1:7b).
Maar vóór hij dit zou doen, vulde hij een WIEROOKVAT met het vuur van het BRANDOFFERALTAAR en deed er twee handen vol REUKWERK in (Lev.16:12-13). Dit BRANDENDE REUKWERK wijst heen naar de gebeden, smekingen en het pleiten op grond van het volbrachte werk op Golgotha. Zonder dit brandende reukoffer en dit bloed zou hij voor het aangezicht des Heren – Die tussen de cherubim Zijn troon te midden van Israël had – sterven (Hebr.9:7).
Zo trad de hogepriester op deze dag, met het bloed en het brandende wierookvat, het ALLERHEILIGDOM eerbiedig binnen om zich daar in diepe ootmoed voor de God van Israël neder te buigen.
Dan volgt het ritueel met het bloed van het ZONDOFFER. Hij ging hiervoor aan de westzijde van de ARK des VERBONDS staan en sprenkelde met zijn vinger oostwaarts (het oosten, de opgang van de zon, geeft de richting weer van Gods troon; Luk.1:78) op het VERZOENDEKSEL. Daarna ging hij aan de oostzijde van de ark staan en sprenkelde van dit bloed 7x op de grond, vóór de ark. Dit 7x vertelt ons van de PERFECTE verzoening die het Bloed van Gods Lam ons biedt en dit sprenkelen op het verzoendeksel wijst heen op de pleitbeden op grond van dit Bloed der VERZOENING. Dit sprenkelen IN het allerheiligdom vertelt ons, dat ook Gods heiligen uit het Allerheiligdom, verloste zondaren zijn (Openb.5:8-9 + 14:3-4).
Daarna ging hij uit het ALLERHEILIGDOM, het brandende wierookvat daar achterlatend. Dan deed hij, met dat bloed in het HEILIGDOM, zoals dat voor elk zondoffer – zijnde een VAR – moest geschieden: hij deed het bloed op de hoorns van het REUKALTAAR en sprenkelde dat bloed 7x op de grond bij dat altaar voor de VOORHANG (Lev.4:5-7a). Zo had hij ook het HEILIGE, de “tent der samenkomst”, PERFECT verzoend (Lev.16: 16-17).
Het zondoffer voor het volk bestond uit 2 GEITENBOKKEN. Het lot bepaalde welke bok zou worden geofferd (de bok voor de Here) en welke bok een “weggaande bok” zou zijn (de bok voor Azazel; Lev.16:5-8, NBG).
De “bok voor de Here” werd geslacht en met zijn bloed werd hetzelfde gehandeld als met het bloed van de var (Lev.16:9 + 15). Hiervoor moest de hogepriester weer het ALLERHEILIGDOM ingaan, waarna hij, zijn eerdere rituele handelingen verricht hebbende, het brandende wierookvat weer mee terugnam, vol eerbied achteruitgaande uit het allerheiligdom.
Buiten gekomen, na met dit bloed ook het HEILIGDOM, de “tent der samenkomst”, te hebben verzoend – op dezelfde wijze als met het bloed van de var – deed hij het bloed van de bok en dat van de var TEZAMEN, en verzoende, met dat GEMENGDE bloed, de VOORHOF door met dat bloed de hoorns van het BRANDOFFERALTAAR, het voornaamste object in de voorhof, te bestrijken; sprenkelende van dat bloed 7x erop en goot de rest ervan aan de voet (de bodem) van dat altaar, zoals gebruikelijk bij elk ZONDOFFER (Lev.4:7b + 16:18-19).
Zo waren op deze dag het Allerheiligdom, het Heiligdom en de Voorhof PERFECT (7x) verzoend met het bloed der verzoening. Alzo is ook de GEHELE GEMEENTE, waar de tabernakel van Israël ook een beeld van vormt, PERFECT verzoend met het Bloed van Gods Zoon (Lev.16:33). Want óók het ALLERHEILIGDOM Gods wordt gevormd door mensen, GEKOCHT uit de zonde (Openb.5:9 + 14:4).
Thans volgt het ritueel met de “weggaande bok” (Lev.16:20-22; letterlijk en in de NBG-vertaling genoemd: “de bok voor Azazel”).
Deze bok werd gemaakt tot een “zondebok”; al de ongerechtigheden van de kinderen Israëls werden op hem gelegd, al hun overtredingen, al hun zonden. Deze bok kan dus nooit typerend staan voor de Gemeente, zoals bij al de andere “dubbele typen”, maar moet eveneens slaan op de Here Jezus Zelf, Die al de ongerechtigheden van de mensheid moest dragen aan het kruis, in de dood (Jes.53:6).
Deze bok werd dan gedreven IN DE WOESTIJN. Is dit niet een machtig beeld van de wederwaardigheden (= omstandigheden, ervaringen) van de Geest van de Zoon des mensen, die 3 dagen en 3 nachten, beladen met de zonden van de mens, moest zijn in het hart der aarde (Hades = het dodenrijk; Matth.12:40)? De Bijbel verklaart ons ook, in Handelingen 2:27, dat Zijn ZIEL daar geweest was en dat die ZIEL van de Here daar, in dat dodenrijk, niet zou worden verlaten en dat Zijn LICHAAM in het graf geen verderving (verrotting) zou zien, waarom Hij ook na 3 dagen en 3 nachten verrees uit de dood. Ook had de Geest van de Zoon des mensen daar in het dodenrijk “smarten des doods” gesmaakt (Lev.16:24), waarvan Hij ontbonden werd.
Was alleen Zijn LICHAAM in het graf, zoals sommigen zeggen, dan zou Zijn dood lichaam NOOIT “smarten” (letterlijk: folteringen) van de dood hebben gekend, want een dood lichaam is GEVOELLOOS!
Deze woestenij van de dood, waarheen Hij werd gedreven, wordt door de “weggaande bok” naar de woestijn uitgebeeld. Letterlijk spreekt het Hebreeuws over “een bok voor JaHWeH”, en over een “bok voor Azazel” (de “weggaande, vliedende sterke”; vergelijk Lev.16:9, NBG) voor de demon der woestijnen, dus voor “satan”. Jezus, de Zondebok, verviel in de diepten van de dood, in de diepten van satan, waaruit Hij echter na 3 dagen en 3 nachten triomfantelijk verrees, nadat Hij de “overheden en machten (van de geestelijke dood uit Zichzelf) uitgetogen had en hen openbaar had gemaakt en zo over hen had getriomfeerd” (Kol.2:15).
Deze toelating van de geestelijke dood in Hem en deze triomf erover werd gedaan namens DE ZONDIGE MENS, om hem “eeuwig te kunnen verlossen” en om hem “eeuwig te kunnen volmaken” (Hebr.9:12 + 10:14).
Het linnen kleed, dat de hogepriester aanhad gedurende al deze handelingen, moest hij in het heiligdom achterlaten (Lev.16:23). Dit vertelt ons van het heerlijkheidsleven van de hemelse Hogepriester, Jezus, Die de mensheid, na Zijn verzoeningsdaad, zou verlaten en in de hemel zou blijven. De Heilige Geest zou op aarde Zijn Plaatsvervanger zijn (Joh.14:15 + 16:7).
Als dit alles volbracht was, moest de hogepriester zich wederom baden en al zijn heilige klederen weer aandoen. HERHAALDELIJK is hier sprake van een reiniging (de reiniging in het Bloed; Lev.16:24). Daarna ging hij de BRANDOFFERS op het brandofferaltaar offeren: de ene RAM voor hemzelf en zijn gezin (Exod.29:15-18, Lev.8:18-21) en de andere RAM voor het volk, naar de “wet voor brandoffers” (Exod.29:19, Lev.6:9 + 8:22) zou hij dat doen (Lev.16:24-25). Brandoffers typeren, zoals wij reeds weten, de (toe)wijding van het Nieuwe Leven in Christus – in de Liefde Gods – tot eer van Hem, Die ons heeft ingeleid in Zijn wonderbaar Licht.
De zondoffers: de VAR voor de hogepriester en de BOK voor de Here (voor het volk) moesten buiten de legerplaats worden verbrand (Lev.16:27). NIETS mocht ervan worden gegeten. Zo werd ook Jezus BUITEN Jeruzalem gekruisigd (Hebr.13:11-12). De zaligmakende werking in de wereld der mensen mag alleen aan Jezus worden toegeschreven. Geen Gemeente, geen kerk, geen leer mag ooit de zaligmakende werking voor zich opeisen! NIETS mocht van het ZONDOFFER worden GEGETEN!!! (Lev.6:30).
Als de feitelijke offers van de Grote Verzoendag gebracht waren, moest de hogepriester die dag nog de “feest-offers” brengen (Num.29:7-11). Een VAR, een RAM en 7 eenjarige LAMMEREN ten brandoffer met daarbij de spijsoffers. Deze “feest-offers” vormen een typerend beeld van de FEESTELIJKE toewijding en het FEESTELIJKE bedieningsleven van een kind van God in het Nieuwe Leven met en in Christus. Het is een leven, waarin het ik gestorven is en Christus GANS en AL het Nieuwe Leven ervan vormt (Gal.2:20).
Diezelfde dag werd, na de BRAND- en SPIJSOFFERS, opnieuw een ZONDOFFER gebracht (een GEITENBOK). Vertelt ons dit niet over de VOORTDURENDE WASSING (= reiniging) van het leven van een kind van God in het Bloed van het Lam, zodat ALLE zonde (innerlijk en uiterlijk) BUITEN zijn/haar hart en leven worde gebannen?
Na deze “feest-offers” eindigde de hogepriester de bediening van die dag met het AVOND-OFFER van elke dag (een VOORTDUREND OFFER, een BRANDOFFER van een eenjarig, volkomen lam met zijn spijs- en drankoffer; Exod.29:38-43).
Tot slot stak de hogepriester in het HEILIGDOM de lampen aan en vernieuwde hij het vuur en het welriekende reukwerk op het reukaltaar (Exod.30:8).
Hiermee was dan al het werk, dat de hogepriester die dag ZELF moest doen, beëindigd.

C. Het schuldoffer (Lev.5:1-18 + 6:1-7 + 7:1-7).
Bracht het ZONDOFFER een verzoening met God vanwege zonden en ongerechtigheden gedaan tegen God, het SCHULDOFFER bracht verzoening met God en de naaste, vanwege overtreding van Gods wetten, die in verband staan met de naaste en vanwege toe-eigening van heilige zaken die God alleen aan de PRIESTERSCHAP had toebedeeld.
Ook het SCHULDOFFER is een typering van Christus als Gods Lam op Golgotha (Jes.53:10) of van het GELOOF in het offer van Christus (Rom.3:23-26), dit laatste wanneer VROUWELIJKE offerdieren in het geding zijn.
Er zijn 2 typen van SCHULDOFFERS.
Het 1ste type golden KLEINERE zonden tegen de naaste:

  1. Wanneer men niet zelf had gezondigd tegen de naaste, maar een boos plan van een ANDER had gehoord en men daarover zweeg, niets doende om dat plan te verijdelen (Lev.5:1);
  2. Wanneer men in contact was gekomen met ONREINE ZAKEN in het algemeen of met ONREINE HANDELINGEN van andere mensen, al was de onreinheid voor de schuldige VERBORGEN geweest (Lev.5:2-3);
  3. Wanneer men ONBEDACHTZAAM zich door een eed (gelofte) had gebonden, hetzij tot GOED, hetzij tot KWAAD.

In bovengenoemde gevallen mocht het SCHULDOFFER variëren naar de draagkracht van de schuldige:

  • hetzij een LAM of JONGE GEIT (vrouwtje),
  • hetzij twee TORTELDUIVEN (één tot een zondoffer, de ander tot een brandoffer), of 1/10 efa MEELBLOEM (1 efa = 40 liter, 1/10 efa = 4 liter) ten zondoffer, zonder OLIE of WIEROOK, omdat het een zondoffer is, waarvan de priester een vuistvol moest nemen tot een vuuroffer.

Het 2de type golden GROTERE zonden tegen de naaste:

  1. Wanneer men zich HEILIGE ZAKEN, die God de PRIESTERSCHAP ALLEEN had toebedeeld, had toegeëigend, zoals bijvoorbeeld de TIENDEN (Mal.3:8-11);
  2. Wanneer men Gods geboden BEWUST of ONBEWUST overtrad (hier vermoedelijk die in verband met de NAASTE);
  3. Wanneer men het hem toevertrouwde ontvreemd had, de naaste beroofd had, de naaste iets met geweld onthouden had, het verlorene van de naaste vond en dat stiekem bij zichzelf gehouden had.

Dan werd een RAM tot een SCHULDOFFER geëist én terugbetaling van het verschuldigde bedrag aan de rechtmatige eigenaar + 1/5 deel van dat bedrag er bovenop (Lev.5:15-16 + 6:4-6).
Het SCHULDOFFER werd, net als de brandoffers, geslacht in het Heiligdom.

Het BLOED ervan werd rondom het brandofferaltaar gesprenkeld (Lev.7:1-2). Het Bloed van Jezus reinigt ons HART van alle schuld (1Joh.1:7-9).
Het VET (al het vet, ook dat van de staart en van het ingewand), de beide NIEREN en het net over de lever werd aangestoken op het brandofferaltaar tot een vuuroffer (Lev.7:3-5). Het SCHULDIGE hart moet enkel en alleen pleiten op de rijkdom van genade, die is bereid door Christus op Golgotha tot lossing van zijn/haar schuld.
Het VLEES van het schuldoffer of de rest van het geofferde meelbloem was voor de PRIESTERSCHAP alléén, die dat eten moest in de heilige plaats (dat is: de VOORHOF; Lev.7:6-7). De dienstknecht van God moet één zijn met Christus in Zijn ZONDAARSLIEFDE om de schuldige te (kunnen) verzoenen met God.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel
  9. De DEUR en de heilige zalfolie
  10. De Tafel met Toonbroden
  11. De GOUDEN 7-voudige KANDELAAR
  12. Het REUKALTAAR en het reukwerk
  13. De HEILIGE driehoek van Gods arbeid in ons
  14. (14a): De geestelijke heerlijkheids-klederen van Christus – waar ook Gods dienaren in hebben te wandelen om te kunnen dienen + (14b)
  15. De priesterwijding
  16. De Levitische offeranden – deel 1

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Israël/huis van Israël, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Werkers in Gods dienst, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen