Wanneer zal het afgelopen zijn met de welvaart ?

Rijkdom in de eindtijd

Het einde van de huidige tijdsbedeling wordt gekenmerkt door voorspoed. De hierdoor bepaalde levenswijze zal voortduren tot de dag van Christus’ wederkomst. Wij vinden onderscheidene kenmerken van de welvaart in de profetieën van de Here Jezus met betrekking tot het laatste der dagen:
“Want zoals ze bezig waren in de dagen voor de zondvloed met eten, drinken, trouwen en ten huwelijk geven, tot op de dag waarop Noach de ark binnenging,… zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.” (Mattheüs 24:38-39) [1]
Uit eten gaan” is bij velen tegenwoordig zeer favoriet. Bijzonder in trek is de plaats met “de juiste atmosfeer” en waar men “exotische” gerechten krijgt opgediend. En dan het drinken. Grote hoeveelheden alcoholische dranken worden “naar binnen geslagen”. Hoe nauw is het één met het ander verbonden. Het steeds groter wordende aantal eet- en drinkgelegenheden en het toenemend gebruik van sterke drank bij de maaltijden zijn evenzeer tekenen van de tijd. Men staat verbaasd als men hoort hoeveel geld er vandaag de dag wordt uitgegeven om het hier bedoelde levenspatroon erop na te kunnen houden!

De bronnen van de welvaart

Lukas voegt in zijn weergave van Jezus’ woorden nog andere punten van belang toe:
“Op dezelfde manier ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden” … “Evenzo zal het zijn op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.” (Lukas 17:28 en 30)
“Zij kochten”, letterlijk: zij bezochten veelvuldig de marktplaats. De commerciële activiteit heeft in onze dagen opnieuw een hoogtepunt bereikt. Meer mensen dan ooit hebben verstand van en zijn betrokken in allerlei marktactiviteiten. De term “markt” had tot voor kort voor de meeste mensen alleen maar de betekenis van de plaats waar voornamelijk groente en fruit kan worden gekocht. Vandaag de dag weet vrijwel iedereen wel van de vele markten die de commerciële wereld rijk is en een groot aantal mensen “opereert” op één of meer van deze markten.
“Zij plantten”: opvoering van de voedselproductie. Van de grote ondernemingen tot de bewerking van kleine lapjes grond toe zijn de mensen bezig het Woord Gods te vervullen. De sterke stijging van de kosten van het levensonderhoud maakt dat velen terugkeren naar het achtertuintje waarin men in de jaren van grote economische neergang zijn eigen groente kweekte. De toename van de wereldbevolking maakt het noodzakelijk om voortdurend meer land geschikt te maken voor de voedselteelt.
“Zij bouwden”: bouwnijverheid. Het bouwen van hoog oprijzende gebouwen is een verschijnsel dat over de gehele wereld voorkomt. Bezoek na een afwezigheid van enige jaren een willekeurige grote stad, waar dan ook ter wereld, en u zult bemerken dat het aantal hoge gebouwen enorm is toegenomen. Door de huidige financiële toestand is er een teruggang in het bouwen van nieuwe huizen, maar bij het minste of geringste teken van herstel zal dit omslaan. De bouwnijverheid gaat zeker een nieuwe tijd van grote activiteit tegemoet. Jezus zag al deze dingen en sprak erover als tekenen van de eindtijd. En dit kopen, planten en bouwen zorgt voor welvaart en verhoging van de welvaart, waar overigens voornamelijk degenen die erbij betrokken zijn van profiteren. Het is beslist niet voor iedereen weggelegd om in deze oppervlakkige voorspoed te delen. De eindtijd is een tijd van grote tegenstellingen. Er zal van alles volop zijn en toch zullen er velen zijn aan wie de welvaart voorbij gaat, tot zelfs in die mate dat zij dreigen van honger om te komen, terwijl zij leven te midden van grote overvloed.

Een rijke gemeente/kerk

Dan is er nog die profetie over een gemeente/kerk van de laatste dagen die zeer welvarend zal zijn:
“Want u zegt: Ik ben rijk en steeds rijker (SV: verrijkt) geworden en heb aan niets gebrek, maar u weet niet dat juist u ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt bent.” (Openbaring 3:17) [2]
“Ik ben rijk”: een uitspraak waaruit verzekerdheid blijkt. En toch, ten laatste zal het “zandgrond” blijken te zijn. De graagte waarmee velen vandaag de dag in het zogenaamde “verbond van voorspoed” – met God, zo denken zij – treden, dat door sommige evangelisten zelfs zo geleerd wordt (dat, let op, overeenkomsten vertoont met het Roomse “aflaatsysteem”!), is een andere aanwijzing dat wij te doen hebben met de Laodicea-gemeente. “Ik heb voorspoed, dus ben ik geestelijk”, denkt men. Maar dit staat in schril contrast met het leven van de Here Jezus. Jezus zei eens: “De vossen hebben holen, en de vogels in de lucht nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waarop Hij het hoofd kan neerleggen” (Mattheüs 8:20). Zijn rijkdom was gelegen in die dingen die eeuwig zijn!
Ik ben “verrijkt geworden” wijst op het verder toenemen van de rijkdom.
“Aan niets gebrek”: reikend over het gebied van de natuurlijke behoeften heen, veroorzaakt dit bij de Laodicea-gemeente dat zij ook geen behoefte gevoelt aan geestelijke dingen. Welvaart en voorspoed drukken inderdaad hun stempel op de manier van leven van zeer velen in de sluitingstijd van deze tijdsbedeling.

De openbaring van de valse kerk

Het grootste bewijs van de steeds voortgaande voorspoed zal waarschijnlijk de openbaring van de valse kerk te zien geven. Haar weelde en rijkdom zullen buitensporig groot zijn. Zij wordt gezien als levende in grote luxe. Het is moeilijk om zich voor te stellen welk een enorme rijkdom en macht de valse kerk eenmaal zal hebben verkregen. Haar god zal zeker de god van de rijkdom (= de mammon) zijn. Haar bovenmatig grote rijkdommen zullen bepalend zijn voor de maat van het oordeel dat over haar voltrokken zal worden. Terwijl de satanische geest van hebzucht haar ertoe drijft om grote rijkdommen op te stapelen, is zij bezig oordeel op oordeel tegen zichzelf op te hopen. Haar kleding getuigt van een leven van uitspattingen: “En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en getooid met goud, edelgesteente en parels, en zij had een gouden drinkbeker in haar hand, vol van gruwelen en van onreinheid van haar hoererij (= overspel, vreemd gaan, vooral in geestelijke zin – AK) (Openbaring 17:4 [3]). Elk bewijs van wat te verafschuwen is, is op haar. Wereldse versierselen tonen wat zij werkelijk is. De drinkbeker mag van goud zijn, maar de inhoud ervan is onrein en slecht.

De val van Babylon

Vanwege Babylon hebben de kooplieden der aarde voorspoed gehad. Het oordeel over haar zal alle handel knarsend tot stilstand brengen: “En de kooplieden van de aarde zullen over haar huilen en treuren (SV: wenen en rouw maken), omdat niemand hun waren meer koopt.” (Openbaring 18:11) [4]
Zij had ze rijk en voorspoedig gemaakt. Niet alle voorspoed, ook al is ze nog zo verbonden met godsdienstigheid, is een zegen des Heren! Men zal haar verlaten: “De kooplieden van deze waren, die door haar rijk zijn geworden, zullen huilend en treurend (SV: wenende en rouw makende) op grote afstand blijven staan uit vrees voor haar pijniging.” (Openbaring 18:15)
Grote zorg zal over hen komen. Hun bron van inkomsten, de bron van hun grote rijkdom, zal zijn opgedroogd. Hun rijkdommen zullen hen niet kunnen ondersteunen en staande houden. Hoe hopeloos zal hun toestand zijn!
Is het niet opmerkelijk dat in een tijd van supertankers en supervrachtvaarders de Schrift spreekt over het verlies en de zorg van de scheepsmagnaten? Enige van de rijkste mannen in de hedendaagse wereld hebben op deze wijze hun rijkdommen vergaard: “…Want in één uur is die grote rijkdom verwoest. En elke stuurman, al het volk op de schepen, zeelieden en allen die op zee hun werk doen, bleven van verre staan” … “En zij wierpen stof op hun hoofd en riepen huilend en treurend: Wee, wee de grote stad, waarin allen die schepen op zee hadden, rijk zijn geworden door haar weelde. Want in één uur is zij verwoest.” (Openbaring 18:16b-17 + 19)
Het oordeel van God over Babylon zal een grote ramp zijn voor diegenen wier rijkdom afkomstig is van de zeehandel. Hoe waar is de Schrift, die zegt:
“Want wat zal het een mens baten als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt?” (Markus 8:36)

Rev. C. Joe McKnight
Uit: Pentecostal Power

Naschrift

Br. McKnight heeft in het bovenstaande artikel het definitieve einde van het economisch wereldsysteem beschreven (de val van Babylon). Dit zal plaatshebben aan het einde van de 2de fase van de Grote Verdrukking (zie mijn boek “Dingen die haast geschieden moeten”). De tijd van de economische crises begint echter al eerder in de eindtijd: met de opening van het 3de zegel (uit Openbaring 6 [5]), hetgeen mijns inziens plaats had omstreeks 1929 (zie mijn eerdergenoemde boek). En zoals ik in mijn artikel over “De toekomstige economische ineenstorting” (Tempelbode, juli 1982) al heb aangegeven, hebben wij vlak voor de Spade Regen-opwekking een zeer grote economische crisis te verwachten, mede waardoor de wereld rijp zal gemaakt worden voor het regime van de antichrist (zie Jakobus 5). Dit antichristelijke rijk zal uiteindelijk gestalte krijgen, nadat de wereld getroffen zal zijn door een ramp die een einde zal maken aan het zogenaamde “welvaartstijdperk”, de ramp van de 1ste bazuin (uit Openbaring 8 [6]), vlak voor de Grote Verdrukking (zie hiervoor ook mijn eerdergenoemde boek).
De verwachting is gerechtvaardigd, ook br. McKnight wijst daar min of meer op in zijn artikel, dat daarna alle rijkdom der aarde in handen zal zijn van een kleine groep “superrijken”, ongetwijfeld handlangers van de antichrist en leden van de wereldregering die er dan zal zijn, de kooplieden van Openbaring 18.
Dit zal dan duren totdat de val van Babylon plaats heeft en de wereld in een onbeschrijflijk grote chaos terechtkomt. De gelovigen van de Bruidsgemeente zullen de verschrikkingen van dit laatste gebeuren echter niet mee hoeven te maken.

H. Siliakus
Enigszins bewerkt door A. Klein

PDF (in tablet of smartphone-formaat)

**********************************************************************

[1] Alle Bijbelteksten zijn vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)
[2] Zie eventueel onze ‘vers voor vers’ uitgelegde studie van het Bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 3, van CJH Theys. En/of onze ‘vers voor vers’ uitgelegde studie van het Bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 3, van E. van den Worm. (noot AK)
[3] Zie eventueel onze ‘vers voor vers’ uitgelegde studie van het Bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 17, van CJH Theys. En/of onze ‘vers voor vers’ uitgelegde studie van het Bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 17, van E. van den Worm. (noot AK)
[4] Zie eventueel onze ‘vers voor vers’ uitgelegde studie van het Bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 18, van CJH Theys. En/of onze ‘vers voor vers’ uitgelegde studie van het Bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 18, van E. van den Worm. (noot AK)
[5] Zie eventueel onze ‘vers voor vers’ uitgelegde studie van het Bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 6, van CJH Theys. En/of onze ‘vers voor vers’ uitgelegde studie van het Bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 6, van E. van den Worm. (noot AK)
[6] Zie eventueel onze ‘vers voor vers’ uitgelegde studie van het Bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 8, van CJH Theys. En/of onze ‘vers voor vers’ uitgelegde studie van het Bijbelboek Openbaring, hoofdstuk 8, van E. van den Worm. (noot AK)
.
Geplaatst in Bijbelstudie, De antichrist(elijke tijd), Eindtijdstudie, Oordelen Gods, Tekenen vd eindtijd | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Boekbespreking 70: De weg van Gods 9 steeds toenemende zegeningen (n.a.v. Mattheüs 5:3-12)

Deze weg van steeds toenemende zegeningen van de Here God wordt ons getoond in Mattheüs 5:1-12; een passage uit de Bijbel, die wij de “zaligsprekingen” plegen te noemen.
Het Griekse woord, in onze Bijbel vertaald door “zalig”, betekent letterlijk “gezegend”, zoals dit woord ook is vertaald in de “King James Version”, de Engelse Bijbel.
Wat is het leven wonderlijk, wanneer wij in Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid en onder Zijn onuitsprekelijke zegen wandelen, en BLIJVEN wandelen. O, wat is het heerlijk! om in Zijn tegenwoordigheid in Hem te mogen groeien, te mogen veranderen door de kruiswerkingen van Jezus; van zondaren tot heiligen en kinderen van God! Wij worden niet zomaar van “zondaren” gemaakt tot “heiligen”! Dit vraagt een langdurig, ja, levenslang proces in de onmiddellijke tegenwoordigheid, onder de leiding van en de bewerking door Jezus, Zijn Woord en Heilige Geest. Hij wil ons maken tot KINDEREN GODS in de volste zin van het Woord, tot erfgenamen Gods, ervend gans de natuur van de almachtige God, om zo te worden ingezet in een integrerende positie in het Koninkrijk van God, thans in de geest en in de Gemeente van de levende God, en straks in de realiteit van Zijn eeuwigheid, van licht en stralende vreugde!
Hij is thans, in ons leven van elke dag, bezig om ons een eeuwig en hemels huis te bouwen (Johannes 14:2). HOE Hij zal bouwen en WAAR in Zijn Koninkrijk Hij dat geestelijk huis zal inzetten, is afhankelijk van onze medewerking, van onze toelating van de werkingen van Zijn Geest, van ons gehoorzamen aan Zijn Goddelijke leiding, van onze bereidheid om ons oude leven af te leggen, en in te gaan op Zijn weg van offerande. Hij verlangt dat wij in Hem groeien tot de “mate van de grootte van de volheid van Christus” (Efeze 4:13) is bereikt, dat wij zó in Hem opgaan, dat Hij ons kan vullen met al de krachten van Hemzelf, ons zo voedend uit Zichzelf, ons zo geheel opnemend in Zijn hemels organisme! Hij wil van ons Zijn hemelse lichaam maken, waarvan Hij het Hoofd is (Kolossenzen 1:18). Laat ons thans beginnen deze 9 zegeningen” in beschouwing te nemen.

Zalig zijn de armen van geest.

Mattheüs 5:3, “Zalig (gezegend) zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.”
“Gezegend zijn de armen van geest!” Dezulken staan onder de zegen van de almachtige God. Wat een enorme genade ervaren reeds dezulken! Want wij kunnen ons geen “armen van geest” weten, onze armoede aan waarachtige gerechtigheid of ons zondaarschap kennen, zonder Zijn gezegende tegenwoordigheid. Duisternis kent haar eigen duisternis niet, als ze niet heeft kennisgemaakt met licht!
Er is altijd zoiets van “zelfrechtvaardiging” en “zelfhandhaving” in de mens, dat hem doet volharden in zijn leven van duisternis, dat hem de “rechtvaardige” en “heilige” doet uithangen. Een Schriftuurlijke illustratie vinden wij in die Farizeeër van Lukas 18:9-14, die zichzelf zo rechtvaardig en geweldig voelde: Hij was het, die vastte, die tienden gaf, die God dankte, dat hij geen rover, onrechtvaardige en overspeler was. Zo was hij in zijn eigen ogen. Maar God bezag hem in zijn duistere hoogmoed! Pas als Gods genade-licht over de mens komt, ontdekt hij zijn duistere neigingen tot zonde en rebellie; iets, waarin hij geboren is (Psalm 51:7). En deze zonde-desem, gelegd in elk mensenkind, heeft slechts tijd nodig, om het ganse meel van zijn leven te verzuren. Als God, in Zijn liefde en genade, tot ons komt en het licht van Zijn Evangelie ons bestraalt, ontdekt Hij ons aan onze hopeloze, gevaarlijke en verloren toestand. “Hopeloos”, tenzij wij in erkentenis van dit alles, Hem ons leven overgeven om ons te verlossen van deze zonde-desem, en zijn -werkingen; iets, waarvan wij onszelf niet kunnen verlossen. Pas dan ontdekken wij onze eigen armoede van geest, maar tegelijkertijd ook de volmaakte genade van onze barmhartige God in Jezus Christus, onze Heer.
Als de Geest van God ons heeft overtuigd van zonde in het licht van Zijn Evangelie, vrezen wij om langer in deze staat van zonde te blijven; dit is, wanneer het Evangelie zijn rechtvaardigende werking in ons heeft gehad. Maar velen gaan helaas hieraan voorbij!
IN de samenkomst komt Jezus in hun gedachtewereld, misschien worden ze wel tijdelijk getroffen door Gods oordelend licht, en zijn ze wenend tot de “zondaarsbank” gekomen. Maar als de samenkomst VOORBIJ is, staan en wandelen ze weer volop in de wereld met haar lusten, die strijd voeren tegen de ziel. Dan is alles weer weg, en zijn alle goede voornemens weer verdwenen, want satan heeft dan het goede zaad van Gods Woord uit hun hart weggenomen. Dezulken zijn alleen maar Christen IN de kerk; daarbuiten zijn zij wereldling, al doen zij op gezette tijden hun “gebeden”. Luistert: NIET ons gedrag IN de kerk bepaalt ons Christen-zijn bij God maar juist ons leven DAARBUITEN! Dáár moet ons leven worden gekenmerkt door de overwinning van Christus; dáár moeten wij leven als mensen, die eerst de zonde hebben gediend, maar thans OVERWONNEN zijn door Zijn Evangelie en Heilige Geest; dáár moeten wij tot sier (= tot eer) strekken van de leer!
Maar als God ons heeft gezegend met Zijn tegenwoordigheid, en wij door Zijn Evangelielicht ons bewust zijn geworden van onze geestelijke armoede, dan wil Hij, dat wij gaan naar het kruis van Calvarie (= Golgotha) om daar onze zonden te belijden, opdat Hij ons daar Zijn tweede zegen kan geven.

Zalig zijn zij die treuren.

Mattheüs 5:4, “Zalig (gezegend) zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.”
Daar aan de voet van Zijn kruis, in het licht van Zijn vergevende liefde, verlangt Hij van ons belijdenis van schuld. En wie van ons is er zonder smet?
Jesaja 1:18, “Komt dan en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.”
Vooruit betuigt Hij ons te zullen vergeven en ons rechtvaardig te maken. Maar om ons genade te kunnen geven en rechtvaardigmaking, moeten wij bij Hem komen in erkentenis van zondaarschap en belijdenis van zonden, in “droefheid naar God” (2 Korinthe 7:10). Zo zullen wij ons “onberouwelijk tot Hem bekeren” en zullen wij door Hem “vertroost” worden en genezen van onze “zondekrankheid”.
“O God, wees mij zondaar genadig!” (Lukas 18: 13b). En de Here IS ons genadig, vergevende al ons kwaad. Niet alleen maar vergiffenis wil Hij ons schenken, maar Hij wil ons, zoals wij hebben gezien, ook verlossen van onze “oude natuur”, die bij komende verleidingen weer naar de zonde zal neigen en dit telkens weer zal doen. Vergiffenis alleen van bedreven zonden zal ons voeren in een hopeloze strijd tegen komende verleidingen tot zonde en ons deze strijd doen verliezen! Hij wil ons daarom ook verlossen van deze “oude natuur” en een “nieuwe natuur” geven, die niet zondigen kan, omdat die uit God is geboren (1 Johannes 3:9). Een natuur, die Gods gerechtigheid liefheeft èn DOET! Deze verlossing wordt ons bereid door Zijn volgende ZEGEN.

Zalig zijn de zachtmoedigen.

Mattheüs 5:5, “Zalig (gezegend) zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.”
Hij zegent ons met een zachtmoedig hart, dat Zijn KRUISWERKING dankbaar wil verdragen.
Lukas 9:23-24, “En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij. Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden.”
Als wij naar een aardse heelmeester gaan om genezen te worden, dan wacht ons daar vaak pijn, maar zijn pijn-aandoende handelingen brengen ons genezing. Zo is het ook met de hemelse Geneesheer gesteld. Zijn “Nieuw-Leven”-brengende kruiswerkingen, moeten onze zondige neigingen en begeerten met wortel en tak uitroeien, de “oude mens” met zijn begeerlijkheden, “die strijd voeren tegen de ziel”, in ons doden. Daartoe moet Hij ons soms brengen in pijnlijke levensomstandigheden om deze neigingen in ons gewaar te doen worden, zodat wij ze aan Hem kunnen uitleveren en Hij ons kan genezen.
Hij heeft ons zo een KRUISWEG voorgesteld, die Hij samen met ons betreden wil en waartoe Hij ons zachtmoedigheid in het hart heeft gestort, om deze kruisweg lijdzaam tot het einde toe te gaan. Zó kan Hij het scharlakenrode van onze zondige natuur maken tot het reine (sneeuw)witte van onze Nieuwe Natuur, ons maken van zondaren tot heiligen en kinderen Gods.
En al de pijnlijke werkingen van satan, die Hij in ons leven soms toelaat, ze werken alle tot onze verlossing en heil, die Hij met deze toelatingen beoogt (Romeinen 8:28). Dáár in dat “dal van Achor” opent Hij ons “een deur van hoop”, en voert Hij ons naar de triomf van het Nieuwe Leven in Hem, want bij een waarlijk overgegeven leven is Zijn overwinning in ons, en onze arbeid in Hem, zeker!
Laat ons daarom de ganse kruiswerking uit Zijn hand met zachtmoedigheid accepteren, Hem danken, óók voor harde en moeilijke tijden… Zo zullen wij door Hem waardig gemaakt kunnen worden om het aardrijk, gedurende het 1000-jarig Rijk (het Vrederijk van en met Christus), te beërven.
Wij hebben tot nu toe Zijn zegeningen in beschouwing genomen, die leiden tot de afbraak (de kruisiging) van onze “oude natuur”, wij zullen hierna de volgende zegeningen bezien, die ons moeten leiden tot de volmaaktheid van het Nieuwe Leven in Hem.

  • KLIK HIER als u deze (gratis) studie verder wilt lezen of downloaden.

E. van den Worm

.

Geplaatst in 'Vers voor vers' uitleg van Bijbelboeken, Bijbelstudie, Boek/studiebespreking, Geestelijke groei, Studie van E van den Worm, Volmaaktheid in Christus | Tags: , , , , | 1 reactie

Wederom Mijn volk (deel 6): De bekering van Israël

Het boek Hosea over de lotgevallen van de beide Israëlvolken:

Te weten:
het huis van Juda (2 stammen), en
het huis van Israël (10 stammen)

Herstel Israel

Deel 6

De bekering van Israël

Wij hebben inmiddels vastgesteld dat in de profetieën van de Bijbel sprake is van een westwaartse trek van Israël, nadat het door Assyrië was weggevoerd. Diezelfde profetieën vertellen ons ook dat Israël zich na haar wegvoering weer tot God zou bekeren en dit zou gebeuren in de nieuwe woonplaats waarheen zij zou trekken. Ook in het boek Hosea wordt ons dit meegedeeld. Zoals bijvoorbeeld in Hosea 13:15 (SV), waar wordt gezegd, dat Efraïm-Israël uiteindelijk vrucht zal dragen – tot geestelijke vruchtdracht zal komen – maar eerst moet hij weggevoerd worden (met de verdorrende “oostenwind”, naar het westen dus): “Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broederen; doch er zal een oostenwind komen, een wind des HEEREN, opkomende uit de woestijn; en zijn springader (HSV: bron) zal uitdrogen, en zijn fontein zal verdrogen….” Een juistere vertaling van deze tekst is: Hoewel hij vrucht zal voortbrengen…, toch zal er een oostenwind komen…”. In Hosea 2:13 staat dat God  Israël zal lokken en voeren in de “woestijn der volken” (over deze woestijn spraken wij al eerder in hoofdstuk 5 [1]) en dáár – aan het eind van die woestijnreis (Hosea 2:14a); als zij in een vruchtbaar land is aangekomen – zal Hij tot haar hart spreken (wat wijst op het overtuigingswerk van de Heilige Geest): Daarom, zie, Ikzelf ga haar lokken, haar de woestijn in leiden, en naar haar hart spreken. Ik zal haar daarvandaan haar wijngaarden geven, en het Dal van Achor tot een deur van hoop (Hosea 2:13-14a). En in Hosea 12:10 zegt God, dat Hij Israël wederom in tenten zal doen wonen – zij zullen dus wederom een zwervend bestaan moeten leiden – maar daarna zal Hij Zich weer aan hen openbaren: Maar Ik ben de HEERE, uw God, sinds het land Egypte. Ik zal u weer in tenten doen wonen zoals in de dagen van de samenkomst. 11. En Ik zal tot de profeten spreken, en Ík zal de visioenen talrijk maken, en Ik zal door de dienst van de profeten in gelijkenissen spreken. (Hosea 12:10-11)

Is dit nu allemaal al vervuld, zal nu vast de vraag zijn, en zo ja, waar, wanneer en wat weten wij daarvan? Laat ons, om op deze vragen een antwoord te krijgen, eerst gaan naar Jeremia 3:8: “Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief (SV: scheidbrief) gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd. Zij ging zelf ook hoererij bedrijven.” Daar zegt God dat de wegvoering van het 10-stammenrijk in Assyrische ballingschap beschouwd moet worden als de wegzending van een overspelige vrouw door haar man, met een “scheidbrief” (= verstoting). God verbrak Zijn huwelijk met Israël vanwege haar onbekeerlijkheid. Ook en met name nog wel in het boek Hosea wordt over de band tussen God en Israël gesproken als over een huwelijk. En ook in Hosea wordt over de verstoting of wegzending van Israël gesproken (denk aan Lo-Ammi, wat betekent: niet Mijn volk). In Jesaja 50:1 lezen wij vervolgens dat er een tijd zou komen dat God deze scheidbrief ongedaan zou maken, zou “verscheuren”: “Zo zegt de HEERE: Waar is de echtscheidingsbrief van uw moeder waarmee Ik haar weggezonden heb? Of wie van Mijn schuldeisers is het aan wie Ik u verkocht heb? Zie, om uw ongerechtigheden bent u verkocht, om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.” Dat is namelijk de zin van de vraag: “Waar is de scheidbrief…?” Wat nu voor een menselijk huwelijk geldt, geldt ook voor het huwelijk van God met Israël: ondanks de scheidbrief blijft een vrouw aan haar (ex-)man verbonden tot aan diens dood: “Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen (SV: vrijgemaakt) van de wet die haar aan de man bond” (Rom.7:2). God is altijd de eerste Die Zich aan Zijn eigen wetten houdt! Als een getrouwde vrouw echter “van een andere man” wordt, terwijl haar wettige echtgenoot nog leeft, pleegt zij overspel: “Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden. Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt” (Rom.7:3). Dit is al het geval als zij tijdens haar huwelijk ontrouw wordt en gemeenschap heeft met een andere man en het wordt alleen nog maar erger als zij na een scheidbrief te hebben ontvangen met die andere man, of met nog weer een ander, een huwelijk aangaat. Nadat de vrouw overspel heeft gepleegd en berouw heeft, kàn haar man haar weer in genade aannemen (zo deed God bijvoorbeeld met Juda): “Daarom zei de HEERE tegen mij: Het afvallige Israël heeft zichzelf nog rechtvaardig doen lijken, vergeleken bij het trouweloze Juda (SV: De afgekeerde Israël heeft haar ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda) (Jer.3:11). Dit kan echter niet als hij haar al een scheidbrief heeft gegeven en heeft weggezonden. Dit alles lezen wij in Deuteronomium 24:1-4: “Wanneer een man een vrouw genomen heeft en met haar getrouwd is, en het gebeurt dat zij geen genade meer vindt in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, en hij haar een echtscheidingsbrief (SV: scheidbrief) schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt, 2. en als zij dan uit zijn huis vertrekt, weggaat en de vrouw van een andere man wordt, 3. en die laatste man ook een afkeer van haar krijgt, haar een echtscheidingsbrief schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt, of als die laatste man, die haar voor zichzelf tot vrouw genomen heeft, sterft, 4. dan mag haar eerste man, die haar heeft weggestuurd, haar niet terugnemen om hem tot vrouw te zijn, nu zij onrein geworden is; want dat is voor het aangezicht van de HEERE een gruwel. U mag geen zonde brengen over het land (SV: alzo zult gij het land niet doen zondigen) dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft.” Voor de volledigheid is hier nog aan toegevoegd dat de man – als hij zijn vrouw om een andere reden dan overspel heeft weggezonden (het moet wel om “iets schandelijks” gaan!) en de vrouw heeft ook daarna géén overspel gepleegd – haar in dit geval wel kan terugnemen (let op de woorden “nu zij onrein geworden is[Deut.24:4], wat teruggrijpt op “de vrouw van een andere man” worden, wat overspel betekent [Deut.24:2]; als hiervan geen sprake is kan de man haar terugnemen).
Wat is er nu met Israël gebeurd? Israël pleegde overspel door niet God maar de Baäls na te lopen. En ondanks herhaald waarschuwen ging zij daarmee maar door, totdat bij God de maat vol was en Hij haar een scheidbrief gaf en haar wegzond in de Assyrische ballingschap. Deze scheidbrief kon overeenkomstig Gods eigen Woord niet meer ongedaan gemaakt worden (omdat het om overspel ging) TENZIJ DAT DE MAN – God Zelf – ZOU STERVEN!!! Toch lazen wij in Jesaja 50:1a dat er een tijd zou komen dat de scheidbrief wèl tenietgedaan zou zijn of zijn waarde zou hebben verloren!: “Zo zegt de HEERE: Waar is de echtscheidingsbrief (SV: scheidbrief) van uw moeder waarmee Ik haar weggezonden heb? Of wie van Mijn schuldeisers is het aan wie Ik u verkocht heb?” Wat dan? Zou God Zijn eigen wet breken of, maar dat lijkt helemaal absurd, zou God dan zijn gestorven? En, om op dit laatste nog even in te gaan, hoe zou God, na te zijn gestorven, Israël Zelf weer als vrouw aan kunnen nemen?
Het meest verbazingwekkende is echter gebeurd: God is GESTORVEN! Toen Jezus Christus stierf aan het kruishout van Golgotha, was het God Zelf Die stierf! Jezus was ten volle mens, maar ook ten volle God. Hij was Immanuël, “God met ons”. Filippensen 2:6 leert ons dat Hij was en is God: “Die (= Christus Jezus), terwijl Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn.” Het geheimenis van de Goddelijke Drie-eenheid [2] en het wonder van de vleeswording maakten het mogelijk dat de onsterfelijke God kon sterven! De reikwijdte van Christus” kruisdood op Golgotha zal een mens hier op aarde nooit ten volle kunnen vatten en één van die onbekende en vergeten aspecten van dit centrale gebeuren in de wereldgeschiedenis is dat Christus” sterven de scheidbrief – aan het Israël van de 10 stammen gegeven – ongeldig maakte en het aldus mogelijk maakte voor dit Israël om terug te keren tot haar Man. Als dit tot ons is doorgedrongen, hoe vol betekenis zijn dan de woorden van Johannes de Doper in Johannes 3:29!: “Wie de bruid heeft, is de Bruidegom, maar de vriend van de Bruidegom, die erbij staat en hem hoort, verblijdt zich zeer over de stem van de Bruidegom. Deze blijdschap van mij nu is volkomen geworden.” Waarom sprak Johannes eerst over de bruid? Waarom moest deze erbij gehaald worden om het verschil tussen Jezus en Johannes de Doper aan te geven? Christus stierf en bracht heil en verlossing aan heel het mensdom. Maar laat ons er niet aan voorbijgaan dat het eerste doel van Jezus’ kruisdood was: “om op te richten de stammen van Jakob en om hen die van Israël gespaard werden (SV: de bewaarden in Israël), terug te brengen”, zoals in Jesaja 49:6b staat (waar daarna als tweede doel wordt genoemd: “een Licht voor de heidenvolken” en “Heil voor alle volkeren der aarde”). Daarom horen wij Zacharias bij de geboorte van Johannes de Doper ook profeteren over verlossing voor Israël om God te dienen (Luk.1:68-79) en waren de woorden die de hogepriester Kajafas sprak ook zo belangrijk (Joh.11:49-52):

  • “Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht. En Hij heeft een hoorn van zaligheid voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht, zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn, namelijk verlossing van onze vijanden en bevrijding uit de hand van allen die ons haten, om barmhartigheid te bewijzen aan onze (voor)vaderen en te denken aan Zijn heilig verbond, de eed die Hij aan Abraham, onze vader, gezworen heeft om ons te geven, dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen van ons leven. En jij, kind (= Johannes de Doper), zult een profeet van de Allerhoogste genoemd worden, want je zult voor het aangezicht van de Heere uit gaan om Zijn wegen gereed te maken, en om Zijn volk kennis van de zaligheid te geven in de vergeving van hun zonden, door de innige gevoelens van barmhartigheid van onze God, waarmee de Opgang uit de hoogte naar ons omgezien heeft, om te verschijnen aan hen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood, en om onze voeten te richten op de weg van de vrede.” (1:68-79).
  • “En één uit hen, namelijk Kajafas, die datzelfde jaar hogepriester was, zei tot hen: Gij verstaat niets; En gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat één mens sterft voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga. En dit zei hij niet uit zichzelf; maar, zijnde hogepriester van datzelfde jaar, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk; En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot één zou vergaderen.” (11:49-52, SV)

Uit de toelichting die Johannes op deze profetie geeft blijkt dat de discipelen des Heren wisten dat het Israël van de 10 stammen niet afgeschreven en in de volken opgegaan was, ook al waren toen sedert de wegvoering al meer dan 700 jaren verstreken. “Niet alleen voor dat volk” – het Joodse volk – zou Jezus sterven, maar ook voor “de kinderen Gods die verstrooid waren”, om ze “tot één (lichaam) te vergaderen” (SV) (namelijk, dat van de Christelijke Gemeente). Over het heil voor het mensdom wordt in dit gedeelte zelfs niet gesproken. De hier bedoelde “kinderen Gods” zijn natuurlijk geen gelovigen uit de heidenen, want die waren er toen nog niet in grote getale. Het gaat hier om kinderen Gods naar het vlees, het natuurlijk nageslacht van Abraham. Let er ook op dat er staat “verstrooid waren”, voltooid verleden tijd, wat duidt op iets dat al gebeurd was toen Kajafas deze woorden uitsprak. Trouwens, wat zei Jezus Zelf in Mattheüs 15:24 (?), “Hij antwoordde en zei: Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.” Hij zond Zijn discipelen later naar alle delen van de aarde, maar Zelf was Hij, strikt genomen, slechts gezonden tot “de verloren schapen van het huis Israël(= het 10-stammenrijk)! Wat zelfs de mogelijkheid inhoudt dat Jezus in de nieuwe woonplaats van Israël heeft verkeerd [3] (lees hiervoor, onder andere, “Stonden Zijn voeten op Engelse bodem?”, van DWL Milo), maar in ieder geval een toespeling is op het verbreken van de “scheidbrief-doem” die op de 10 stammen lag! En als Hij later, na Zijn opstanding, tot de apostelen zegt dat zij het Evangelie moeten prediken “tot aan het uiterste van de aarde” (Hand.1:8), zou Hij dan niet in de allereerste plaats bedoeld hebben West-Europa?

  • KLIK HIER voor het vervolg van Hosea, deel 6.

Wordt vervolgd

H. Siliakus
Bewerkt door A. Klein

**********************************************************************************

[1] Voor uw gemak nogmaals vermeld: In de al eerder aangehaalde tekst van Hosea 8:8 lezen wij dat Israël (de 10 stammen) in de gebieden van de heidenvolkeren verzeild zou raken. Maar Hosea 9:17 preciseert wat het lot van Israël zou zijn en zegt dat Israël zal “omzwerven” onder de heidenvolkeren, wat dus zeggen wil: van de ene plaats naar de andere gaan (de verwerping door God, waarover in dit vers ook gesproken wordt zal, zo zullen wij nog zien, maar tijdelijk zijn). Wij moeten ons daarbij kennelijk een “trektocht” voorstellen, want in Hosea 12:10 wordt de tijd die dan aanbreekt voor de 10 stammen vergeleken met de woestijnreis onder Mozes. Uit deze tekst kunnen wij ook afleiden dat het Israël van de 10 stammen gedurende zekere tijd weer als een nomadenvolk zou moeten leven. Trouwens, ook al eerder in Hosea wordt, als het gaat over de tijd na de wegvoering, herinnerd aan het verblijf in de woestijn aan het begin van Israëls geschiedenis, namelijk in Hosea 2:13, een tekst waar wij nog op terug zullen komen (merk nu reeds op dat God met de wegvoering van de 10 stammen toch een liefdevolle bedoeling had; het woord “lokken” duidt daarop). En zo gebeurt het ook, volgens Ezechiël 20 vers 35-36. Hier wordt het verblijf van Israël in de “woestijn van het land Egypte” (vers 36) gesteld tegenover het verblijf van Israël in de “woestijn der volkeren (vers 35). Deze laatste woestijn is dus zinnebeeldig bedoeld.
Verder wordt in Jeremia 31:2 gezegd dat Israël na haar wegvoering genade zal vinden in de woestijn. Uit het feit dat zij niet alleen in het boek Hosea gevonden wordt, volgt dat het hier niet zomaar om een toevallige vergelijking gaat. Het is als het ware een herhaling van de geschiedenis. En er moeten ook overeenkomsten zijn tussen de eerste woestijnreis en de omzwervingen en tochten van het Israël van de 10 stammen door de “woestijn der volkeren”. Op zijn minst wel één overeenkomst, namelijk dat het niet allemaal op niets uitloopt – “Israël lost op in de heidenvolkeren” – maar dat aan het eind van de woestijntijd dit Israël als volk een nieuwe woonplaats, een nieuw Kanaän, zal hebben bereikt! De vraag is dan: Waar hebben wij deze nieuwe woonplaats te zoeken? (noot AK)
[2] In Deuteronomium 6:4 staat: “Luister, Israël! De HEERE, onze God; de HEERE is één! (dus één Persoon!).
Dit wordt ook onderschreven door het feit, dat de beide cherubs en het verzoendeksel uit één brok goud moesten worden gesmeed (= geslagen) (zie Exodus 25:18). De beide cherubs en het verzoendeksel beelden onze almachtige God in Zijn drie openbaringsvormen uit. De cherubs beelden de Vader en de Heilige Geest uit, en het verzoendeksel beeldt het Lam, de Zoon van God uit. Gods wezen is een EENheid. Hij is één Wezen, één Persoon. De leer, dat God uit 3 Personen bestaat, is een dwaling. Het is dus beter te spreken van de 3 Openbaringsvormen van God, te weten:
de 1ste Openbaringsvorm van God: de Vader
de 2de Openbaringsvorm van God: Jezus, de Zoon
de 3de Openbaringsvorm van God: de Heilige Geest.
Net zoals wij mensen ook bestaan uit: lichaam, ziel en geest. (noot AK)
[3] Over dit boeiende onderwerp gaat het, onder andere, ook in dit boek: Onbekend Israël – van David tot vandaag”, zie voor meer info hierover: https://vlichthus.nl/onbekend-israel-van-david-tot-vandaag/  (noot AK)
.

****************************

Deel 1: Hosea – De schrijver en het Boek
Deel 2: Israël vóór de tijd van Hosea
Deel 3: Israël in Hosea’s dagen
Deel 4: Israëls wegvoering
Deel 5: Omzwervingen en nieuwe woonplaats van Israël

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Israël/huis van Israël, Oordelen Gods, Opwekking, Studie van H Siliakus, Uitleg over het boek Hosea, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Liefdeloosheid in de Gemeente

De beste oplossing van een probleem is altijd: de oorzaak ervan wegnemen. En wie een probleem begrijpen wil, moet eerst naar de ontstaans-oorzaak zoeken. Kinderen Gods weten dat zij niet alleen bij gemeentelijke kwesties, maar bij alle levensproblemen, het licht en de raad van Gods Woord en Gods Heilige Geest [1] niet kunnen ontberen.
Een vraag waarmee ook u waarschijnlijk bij tijd en wijle worstelt, is: Waarom is er toch zoveel liefdeloosheid onder christenen vandaag de dag? “Heb elkaar vurig lief uit een rein hart” staat er geschreven in 1 Petrus 1:22b. Waarom wordt dit gebod, dat aangeeft wat het wezenlijke is van de Bijbelse fellowship (broederschap), zo weinig en gebrekkig opgevolgd?
Wij weten waar wij het antwoord zoeken moeten en vinden het in Mattheüs 24:12, waar wij lezen: “En doordat de wetteloosheid (SV: de ongerechtigheid) zal toenemen, zal de liefde van velen verkillen”. [2]
We gaan hier dadelijk nader op in, maar eerst moet het volgende worden gezegd. Als ik over liefde spreek, bedoel ik niet liefdoenerij en ook niet vleselijke liefde. Het eerste heeft doorgaans met veinzerij te maken en van het tweede is sprake als het bijvoorbeeld alleen maar om gezelligheid gaat. Coterietjes [3] ontstaan er dan en met het leven naar Gods Woord neemt men het niet zo nauw. Eigenlijk is niet alleen liefdoenerij – dat is: gemáákte liefde – maar ook vleselijke liefde een vorm van liefdeloosheid! Dat zal uit wat hierna volgt wel duidelijk worden.

De toename van de ongerechtigheid

De toename van de ongerechtigheid, dus de ongerechtigheid, is de oorzaak van het “verkillen van de liefde”, zo lazen wij. Bedoeld wordt dan: de liefde van de kinderen Gods. Want al is het dan in zijn algemeenheid waar dat door het hoe langer hoe rotter en vuiler worden van de wereld er bijna geen zuivere en oprechte liefde meer onder de mensen gevonden wordt, toch moeten wij voor ogen houden dat Jezus het in Mattheüs 24:12 eigenlijk alleen over de kinderen Gods heeft!
Van de gevolgen van het steeds zondiger worden van de wereld in de eindtijd, lezen wij onder andere in 2 Timotheüs 3:1-5, “En weet dit dat in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken. Want de mensen zullen liefhebbers zijn van zichzelf, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedig, lasteraars, hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, kwaadsprekers, onmatig, wreed, zonder liefde voor het goede (SV: tot de goeden), verraders, roekeloos, verwaand, meer liefhebbers van zingenot (SV: van wellusten) dan liefhebbers van God. Zij hebben een schijn van godsvrucht (SV: een gedaante van godzaligheid), maar hebben de kracht ervan verloochend. Keer u ook van hen af.
Jezus heeft het in Mattheüs 24 dus over christenen, zo volgt uit het tekstverband. Lees ook Mattheüs 24:9-12, 9. Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en u doden, en u zult door alle volken gehaat worden omwille van Mijn Naam. 10. En dan zullen er velen struikelen (SV: geërgerd worden) en zij zullen elkaar overleveren en elkaar haten. 11. En er zullen veel valse profeten opstaan en die zullen er velen misleiden. 12. En doordat de wetteloosheid (SV: de ongerechtigheid) zal toenemen, zal de liefde van velen verkillen.
Opvallend is dat, terwijl wij het woord “ongerechtigheid” pas tegenkomen in vers 12, er in feite al sprake is van deze ongerechtigheid-onder-Gods-kinderen in de verzen 10 en 11. Dit komt ons van pas, want u vroeg uzelf misschien inmiddels al af hoe die ongerechtigheid in de Gemeente zich dan wel openbaart. In vers 9 lezen wij dat de ongerechtigheid in de wereld zich onder meer openbaart in de haat van de wereld tegen Christus en Zijn volgelingen. De verzen 10 en 11 tonen ons echter hoe de ongerechtigheid van binnenuit in de Gemeente tot uiting komt:

  • in de ergernis van de vleselijke Christenen (vers 10)
  • in de mis- of verleiding door valse en gemene lieden in de Gemeente (vers 11)

Ergernis zal er zijn aan de leer van Christus die geen ruimte laat voor wat het vlees prettig vindt en die maakt dat het leven voor kinderen Gods in de wereld steeds moeilijker wordt. Ergernis zal er ook zijn ten aanzien van die kinderen Gods die Christus in alles willen gehoorzamen en die geen “water bij de wijn” wensen te doen. Eva wilde niet alleen zondigen en probeerde Adam daarom met haar mee te trekken. Zo gebeurt het ook vandaag de dag onder Gods kinderen. En lukt dat niet, dan ergert men zich aan de broeder of zuster die gehoorzamer is en die niet meedoet. Deze openbaring van ongerechtigheid zal tot het einde toe in de gelederen van Gods kinderen gevonden worden. Want, reken maar dat ook de “dwaze maagden” [4] zich zullen ergeren als zij tijdens de grote opwekking van de Spade Regen [5], vlak vóór Jezus’ wederkomst, zullen bemerken dat “de wijzen” hebben wat zij, “de dwazen”, niet bezitten. De “kinderen van haar moeder” (dat zijn de “dwaze maagden”-gelovigen) zullen tegen de Bruid van Christus [6] – de Gemeente van de “wijze maagden” – ontstoken zijn: “Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.” (Hooglied 1:6, SV)
De ontrouwe dienstknecht gaat zijn mededienstknechten slaan: Maar indien dezelve dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; en zou beginnen de knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken, en dronken te worden; zo zal de heer van die dienstknecht komen… en zal zijn deel zetten met de ontrouwen.” (Lukas 12:45-46, SV)
De Gemeente die het nieuwe leven [7] is kwijtgeraakt, zal er alles aan doen om te zorgen dat de Gemeente die dit leven nog wel bezit, het ook zal verliezen. Denk aan die twee vrouwen die voor Salomo verschenen (lees 1 Koningen 3). De vrouw die het “nieuwe leven” (haar kind) was kwijtgeraakt, wenste dat haar huisgenote ook zou worden zoals zij.

Het ongekruisigde ik

Ergernis en jaloersheid worden veroorzaakt door een ongekruisigd “eigen-ik”. Als het vleselijke “ik” niet dood is, is er geen heiligmaking [8] en ergert men zich aan het woord van het kruis. [9] Maar, dan is er ook geen nederigheid en bijgevolg is er heerszucht en machtswellust en ergert men zich aan wie hoger op de geestelijke ladder staan. Het ongekruisigde ik is de wortel van alle zich in de Gemeente openbarende ongerechtigheid.
Arglistig is het menselijk hart! In het vlees woont niets goeds, maar kwaad, dus ongerechtigheid, leert ons Romeinen 7:18, “Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont. Immers, het willen is er bij mij wel, maar het goede teweegbrengen (SV: te doen), dat vind ik niet.”
Uitingen van liefdeloosheid worden dan ook “werken van het vlees” genoemd: “Het is bekend wat de werken van het vlees zijn, namelijk overspel, hoererij, onreinheid, losbandigheid (SV: ontuchtigheid), afgoderij, toverij, vijandschappen, ruzie, afgunst, woede-uitbarstingen, egoïsme, onenigheid, afwijkingen in de leer (SV: ketterijen).” (Galaten 5:19-20)
Dit “ik” is ook verantwoordelijk voor het mis- of verleiden en het zich laten mis- of verleiden, de openbaring van ongerechtigheid waarover Mattheüs 24:11 spreekt. Ook hierbij draait het weer, zowel bij de verleiders als bij degenen die verleid zijn/worden, om afkeer van de Goddelijke, voor het vlees harde waarheid – waar men zich aan ergert – en om heerszucht (het zuurdesem van Herodes). Want mis- of verleiden heeft mede tot doel om zielen in zijn macht te verkrijgen.

Wat staat ons te doen?

Wanneer wij onszelf dan afvragen waarom er zoveel liefdeloosheid is, zoveel schijn-liefde en zoveel vleselijke liefde, dan zullen wij moeten antwoorden: omdat er zo weinig zielen zijn in de Gemeente, die werkelijk met Christus gestorven zijn. In verband hiermee moet het de zorg zijn van hen die geestelijk leiding moeten geven dat het gebod des Heren Weest heilig, want Ik ben heilig (1 Petrus 1:16) opgevolgd wordt en dat elke neiging tot heersen over het erfdeel des Heren de kop ingedrukt wordt. Weliswaar zijn onheilig leven en heerszuchtig gedrag slechts symptomen met een dieperliggende oorzaak, maar als wij ze bestrijden, bestrijden wij de ongerechtigheid die de liefde doet verkillen. Wij kunnen niet de harten veranderen; daartoe is alleen de Heilige Geest in staat: “En als Die (de Trooster = de Heilige Geest) gekomen is, zal Hij de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel: van zonde, omdat zij niet in Mij geloven; van gerechtigheid, omdat Ik heenga naar Mijn Vader en u Mij niet meer zult zien; en van oordeel, omdat de vorst van deze wereld veroordeeld is.” (Johannes 16:8-11)
Aan ambtsdragers en andere leidinggevenden is echter de opdracht gegeven:

  • Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover.” (1 Petrus 5:2a, SV)
  • “Zie dan toe op uzelf en op heel de kudde, te midden waarvan de Heilige Geest u tot opzieners aangesteld heeft om de gemeente van God te weiden, die Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed”. (Handelingen 20:28)

“Weiden” betekent: een goede geestelijke opgang mogelijk maken. Daarom moeten wij het Woord “recht snijden” en wat het eigen leven èn het gemeentelijk leven betreft ook recht toepassen! Het heilig Bloed van Jezus [10] is betaald voor de Gemeente. Geen ander dan Jezus en Zijn Heilige Geest mag daarom over haar (= de Gemeente) heersen en heiligheid moet het stempel zijn dat op heel het gemeentelijk leven drukt.

.

KLIK HIER als u deze (gratis) studie verder wilt lezen of downloaden.

H. Siliakus
Enigszins bewerkt door A. Klein

********************************************************************************

[1] Zie eventueel onze studie De natuurlijke mens en de Heilige Geestvan CJH Theys. (noot AK)
[2] Alle Bijbelteksten zijn vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)
[3] Coterie = Een besloten gezelschap, een club of kliek van mensen die anderen stelselmatig uitsluiten. (noot AK)
[4] Zie eventueel onze studie De 5 wijze en de 5 dwaze maagden” (en hun eigen lotsbestemmingen in de eindtijd), van E. van den Worm. (noot AK)
[5] De Spade (of Late) Regen = Het beeld van de uitstorting van de Heilige Geest in de eindtijd – zie Joël 2:23b en 28-29.Terwijl de Vroege Regen het beeld is van de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag (zie Handelingen, hoofdstuk 2, vooral de verzen 1-4).
Zie eventueel onze studie De Spade Regen-OPWEKKING(in smartphone-formaat) van H. Siliakus. (noot AK)
[6] Zie eventueel onze studie Er komt spoedig een Goddelijke Bruiloft hier op aardevan E. van den Worm. (noot AK)
[7] Zie eventueel onze studie LUKAS – Het Boek van de NIEUWE MENS in Christusvan E. van den Worm. (noot AK)
[8] Zie eventueel onze studie Heiligmakingvan E. van den Worm. (noot AK)
[9] Het woord van het kruis = Ook wij moeten sterven. Namelijk (af)sterven aan onze oude, zondige natuur. (noot AK)
[10] Zie eventueel onze studie De overwinningen van het gestorte Bloed van het Lam van God, over satans zonde-machtvan E. van den Worm. (noot AK)
.

Geplaatst in Bijbelstudie, Gehoorzaamheid aan God, Gods Geest/De Heilige Geest/Geestesgaven etc., Heiligmaking, Studie van H Siliakus, Werkers in Gods dienst, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De Goliath van de eindtijd

Het Bijbelverhaal van David en Goliath in 1 Samuel 17 levert ons een wondervol “typebeeld” van een geprofeteerde gebeurtenis, die in de nabije toekomst zal plaats vinden. Goliath, de Filistijnse reus stond toen “tussen Socho en tussen Azéka, aan het einde van Dammim” (vers 1, SV) en daagde het leger van Israël uit. De Filistijnen hadden in hem een man die voor hen zou strijden, en zo vroegen zij ook om een strijder uit het volk van God, die als hun “kampioen” naar voren zou komen om deze Goliath in een eerlijk tweegevecht te bevechten.
Er staat geschreven dat de God van Israël Zijn man vond in de jongeling David, “de zoon van die man uit Efratha, uit Bethlehem-Juda, van wie de naam Isaï.” (vers 12) [1]
David was de jongste zoon, en hoewel hij geen reus was, was hij toch geliefd door zijn vader, die hem in die dagen uitzond met een efa (= een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter) van geroosterd koren en 10 broden voor Isaï’s 3 zonen, die zich in Sauls leger bevonden. Ook nam hij nog 10 melkkazen mee, die voor de oversten over 1000 waren. Veertig dagen lang hoonde Goliath, de Filistijn uit Gath, staande in de vallei, de slagorden van Israël.
In die dagen, toen alle mannen van Israël op de vlucht sloegen bij het zien van de Filistijnse reus, omdat zij vreesden (vers 24 [2]), zei David tegen hen: “Want wie is deze onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen (SV: de slagorden) van de levende God durft te honen?” (vers 26b)
En nog veel meer sprak David tegen deze Filistijn, en het meest opmerkelijke was wel: “U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een werpspies (SV: met een spies, en met een schild), maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen (SV: de slagorden) van Israël, Die u gehoond hebt. Op deze dag zal de HEERE u in mijn hand overleveren. Ik zal u verslaan en uw hoofd van u wegnemen. Ik zal deze dag de dode lichamen van het leger van de Filistijnen aan de vogels in de lucht geven en aan de dieren van de aarde, en heel de aarde zal weten dat Israël een God heeft (vers 45-46).
“En het gebeurde, toen de Filistijn opstond en naar voren kwam, David tegemoet, dat David snel naar de gevechtslinie liep, de Filistijn tegemoet.” (vers 48)
David had geen wapentuig zoals die reus; enkel een tas, een slinger en de 5 stenen, die in die tas waren. Menselijkerwijs was het een ongelijke strijd, maar “David stak zijn hand in de tas, nam daar een steen uit, slingerde die weg, en raakte de Filistijn daarmee tegen zijn voorhoofd, zodat de steen in zijn voorhoofd drong en hij met zijn gezicht ter aarde viel.” (vers 49)
David doodde de Filistijn, nam zijn zwaard en hieuw hem het hoofd af.
“Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, vluchtten zij.” (vers 51b)
Dit tweegevecht, dit duel tussen David en Goliath, een strijd van kampioenen, illustreert en voorafschaduwt de grootste strijd, die ooit op deze aarde zal worden uitgevochten. Het is het profetische “Meester-Duel” van Christus enerzijds en de antichrist anderzijds!
Gods Kampioen, Die straks op het wereldtoneel zal verschijnen, is Jezus, de geliefde en eniggeboren Zoon, Die eenmaal in de wereld kwam om Zijn broeders te dienen… gezonden door Zijn Vader. Geheel vrijwillig bond Hij de strijd aan, en in menselijke zwakheid had Hij alleen maar een kruis… een “wapen”, door de wereld veracht en eerloos bevonden.
Maar IN datzelfde kruis zegevierde Hij en behaalde Hij de grootste overwinning. Hij streed die strijd alleen. En alle machten der duisternis, van de hel, heeft Hij uitgetogen: “Hij heeft de overheden en de machten ontwapend (SV: uitgetogen), die openlijk te schande gemaakt en daardoor over hen getriomfeerd.” (Kolossenzen 2:15)
Jezus stond op uit het graf – de dood kon Hem niet houden – en voer op ten hemel om Zijn “re-entry” te maken in die glorieuze wereld vol van licht en heerlijkheid; en alwaar Hij eertijds was: (Toen) was Ik bij Hem, Zijn Lievelingskind (SV: een voedsterling), Ik was dag aan dag Zijn bron van blijdschap, te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht.” (Spreuken 8:30)
Alle machten, zowel in de hemel als op de aarde, en onder de aarde, zijn de Here Jezus Christus onderworpen. Hij is de Kampioen, de Leeuw van Juda en niemand meer!
Satans “man” is straks de antichrist. Zoals Goliath van weleer, zal de antichrist staan in het dal van Josafat en zal zijn uitdaging lanceren, gericht tegen God en Zijn Gezalfde!
Deze antichrist zal alsdan staan “tegen de Vorst der vorsten” zoals geprofeteerd door de profeet Daniël (in Dan.8:25b). De antichrist zal moeten strijden tegen de Zoon van de Almachtige God.
Het is bijna niet te geloven! Maar het staat zó in de Bijbel, Gods Profetisch Woord.
De mensheid zal straks worden verleid en misleid en zal de antichrist volgen in de meest dwaze handeling: strijden tegen God! Wie ogen heeft om te “zien”, en oren om te “horen”, zal onderkennen dat wij nu al zijn aangeland in dagen, waarin zulk een misleiding allerwege uitgeoefend wordt.
Jezus’ voorzegging in Mattheus 24:4b is in vervulling gegaan: Pas op dat niemand u misleidt.
En deze ver- en misleiding groeit met de dag, wordt omvangrijker, sterker en de gehele wereld is erbij betrokken. Deze onomstotelijke waarheid in twijfel trekken, betekent stekeblind zijn voor de satanische geest(en), die vandaag de dag overal ter wereld werkzaam zijn. Satans grootste kracht is de leugen!

De uitdaging wordt aangenomen

Wanneer straks satans “helse Goliath”, de antichrist, een mens in wie de satan woont (van wie de satan bezit heeft genomen) – zoals bij Goliath uit Gath, in de dagen van David – zal uitroepen: “Kiest u een man uit die naar mij toe komt. Als hij met mij vecht en mij kan verslaan, zullen wij u tot slaven zijn, maar als ik hem overwin en hem versla, zult u ons tot slaven zijn en ons dienen… Geef mij een man om samen te vechten!” (1 Samuel 17:8b-10)
Alsdàn zal het Schriftwoord vervuld worden:
“Die in de hemel woont, zal lachen, de Heere zal hen bespotten.” (Psalm 2:4)
“daarom zal Ik ook lachen om uw ondergang, u bespotten wanneer uw angst komt.” (Spr. 1:26)
“Ík heb wel gezegd: U bent goden, u bent allen zonen van de Allerhoogste; toch zult u sterven als een mens, zoals iedere andere vorst zult u vallen.” (Psalm 82:6-7)
En dàn, dàn komt vanuit een geopende hemel een Ruiter tevoorschijn, rijdend op een wit paard, Wiens Naam is Getrouw en Waarachtig, Die oordeelt en ten strijde trekt in gerechtigheid: “En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zat, werd getrouw en waarachtig genoemd. En Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid” (Openbaring 19:11); de grote David – Gods Zoon en Gods Kampioen. Hij heeft de uitdaging gehoord en ook aangenomen!
Dáár, in het dal van Megiddo, zal Hij van aangezicht tot aangezicht staan met de gepersonifieerde satan; de antichrist, de grote tegenstander van alle eeuwen. Dat zal een historisch moment zijn in de annalen van goddelijke geschiedenis! Halleluja! De Here Jezus Christus zal dan bekleed zijn met een “in bloed gedoopt bovenkleed” (Openbaring 19:13 [3]), Zijn eigen bloed, dat uitgestort werd op het kruis, op Golgotha’s heuveltop.
Zijn alles doordringende ogen zullen “als een vuurvlam” zijn,… op Zijn hoofd zijn dan vele koninklijke hoeden,… in Zijn mond, een scherp zwaard: Zijn Almachtig Scheppend en oordelend Woord, dat straks wereldwijd zal worden gehoord. Geprezen zij Zijn onoverwinnelijke Naam: KONING der koningen en HERE der heren. De legerscharen des hemels zullen Hem volgen… de heiligen van alle eeuwen, Zijn Bruidsgemeente,… en allen zullen net als Hij gezeten zijn op witte paarden, en bekleed zijn met witte klederen van Zijn gerechtigheid: “En Zijn ogen waren als een vuurvlam en op Zijn hoofd waren vele diademen (SV: koninklijke hoeden). Hij had een naam, die opgeschreven was, en die niemand kent dan Hijzelf. En Hij was bekleed met een in bloed gedoopt bovenkleed, en Zijn naam luidt: Het Woord van God. En de legers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed in fijn linnen, wit en smetteloos. En uit Zijn mond kwam een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de heidenvolken zou slaan. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf. En Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmige toorn van de almachtige God. Er stond op Zijn bovenkleed en op Zijn dij deze naam geschreven: Koning der koningen en Heere der heren.” (Openbaring 19:12-16)
De uitdaging van de antichrist is gehoord en wordt straks beantwoord. Het duurt niet lang meer! Satan haast zich, want hij weet dat hij nog maar een korte tijd heeft. Een persoonlijke ontmoeting van Jezus Christus met “de zoon van het verderf”, met de mens der zonde en wetteloosheid” (2 Thess. 2:3), de reus van satan, de kampioen van de duivel/satan: de antichrist… de door de duivel aangestelde god op aarde. Armageddon – De strijd der giganten, is aanstaande…
Wat gebeurt er straks, wanneer deze 2 machten elkaar ontmoeten? Johannes, de ziener te Patmos, beschrijft één en ander als volgt: “En het beest werd gegrepen, en met hem de valse profeet,… Deze 2 werden levend geworpen in de poel van vuur, die van zwavel brandt.” (Openbaring 19:20)
Al die pochende en snoevende (= zwetsende) machten van de antichrist en satans te hoop gelopen horden zijn onvoldoende en niet bij machte om de kracht van Gods Kampioen te niet te doen en te breken. Christus zal Zijn vijanden verslaan, nog vóór zij zich in beweging zetten,… de slagorde stellen, zoals de militaire uitdrukking luidt.
“Wee de herder van niets, die de kudde in de steek laat! Het zwaard zal zijn arm treffen en zijn rechteroog. Zijn arm zal helemaal verstijven, zijn rechteroog zal helemaal dof worden.” (Zacharia 11:17)
De goddeloze legerscharen der aarde zullen getuigen zijn van het neerslaan van hun valse god en kampioen, door de kracht en de macht van Jezus Christus, en van het werpen van hun aanvoerder in de poel van eeuwig brandend vuur; de tweede dood!
De antichrist en de valse profeet zullen dus straks de eersten zijn om de verschrikking van deze “tweede dood” te smaken!
Dàn zal het Zwaard des Heren, het Woord van God, Zijn overwinnend werk volbrengen, want er staat in dit verband geschreven: “En de overigen werden gedood met het zwaard van Hem Die op het paard zat, namelijk het zwaard dat uit Zijn mond kwam. En alle vogels werden verzadigd met hun vlees.” (Openbaring 19:21)
Alzo eindigt straks – naar Gods profetie en op Gods verordineerde tijd – de slag van Armageddon: het duel der kampioenen, de ontmoeting der giganten.
Alzo komt straks een einde aan satans laatste verzet tegen God en Zijn Gezalfde… In deze eeuw en tijdsbedeling!
Zo zal dan straks het lot zijn van de ongelovigen, de goddelozen, van hen die Jezus Christus niet hebben aangenomen als hun persoonlijke Verlosser en Zaligmaker, en niet geloofd hebben in het Evangelie (van bekering, wedergeboorte, reiniging, heiliging – alles door het Woord, het Bloed en de Geest).
En wat gebeurt er dan straks met satan? Er staat geschreven:
“En ik zag een engel neerdalen uit de hemel met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en bond hem voor 1000 jaar, en wierp hem in de afgrond, en sloot hem daarin op en verzegelde die boven hem, opdat hij de volken niet meer zou misleiden, totdat de 1000 jaar tot een einde gekomen zouden zijn. En daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten.” (Openbaring 20:1-3)
De duivel/satan en zijn satanische incarnatie – de antichrist – gaan de eeuwige verdoemenis tegemoet. Ook Jesaja heeft deze bestemming in de eeuwigheid geprofeteerd: “Echter, u bent in het rijk van de dood neergestort, in het diepst van de kuil! Wie u zien, kijken u aan en letten op u: Is dit nu die man die de aarde deed sidderen, die koninkrijken deed beven, die van de wereld een woestijn maakte, haar steden met de grond gelijkmaakte, zijn gevangenen niet losliet om naar huis te gaan?” (Jesaja 14:15-17)

CJH Theys
Uit: Perspectief, Bundel 1
Enigszins bewerkt door A. Klein

PDF (in tablet en smartphone-formaat)

**************************************************************************

[1] Alle Bijbelteksten zijn vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)
[2] 1 Samuel 17:24, “Maar toen de mannen van Israël die man zagen, vluchtten zij allen voor hem weg en waren zeer bevreesd.”
[3] Openbaring 19:13, “En Hij was bekleed met een in bloed gedoopt bovenkleed, en Zijn Naam luidt: Het Woord van God.”
.
Geplaatst in Bijbelstudie, De antichrist(elijke tijd), Eindtijdstudie, Studie van CJH Theys, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Wederom Mijn volk (deel 5): Omzwervingen en nieuwe woonplaats van Israël

Het boek Hosea over de lotgevallen van de beide Israëlvolken:

Te weten:
het huis van Juda (2 stammen), en
het huis van Israël (10 stammen)

Herstel Israel

Deel 5

Omzwervingen en nieuwe woonplaats van Israël

Is er nog iets te zeggen over de 10 stammen (Efraïm-Israël) na hun wegvoering in de Assyrische ballingschap? De meeste Bijbelonderzoekers willen ons doen geloven dat het enige dat nog te vermelden valt is, dat de 10 stammen daarna ophielden als volk te bestaan en dat zij voorgoed uit de heilsgeschiedenis verdwenen zijn. Deze Bijbelonderzoekers gaan hierbij kennelijk uit van de stelling “Wat ik niet zie, is er niet”. Maar zij zouden beter moeten weten! Het huldigen van deze mening betekent bovendien dat wij moeten geloven dat vele onvoorwaardelijke beloften – die God aan Israël heeft gedaan en vele voorzeggingen uit de Schrift – niet vervuld werden of zullen worden. Mogen wij zoiets wel geloven? Voornoemde Bijbelonderzoekers willen ons verder doen geloven dat wij vanaf die tijd onder Israël alleen Juda-Israël hebben te verstaan. Maar is hiervoor echter enige grond? Hebben de 10 stammen voor God na hun wegvoering definitief afgedaan? Als wij een willekeurige tekst als Hosea 11:8-9 opslaan, krijgen wij een geheel andere voorstelling van zaken: Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm, u uitleveren, Israël? Hoe zou Ik u prijsgeven als Adama, met u doen als met Zeboïm? Mijn hart keert zich in Mij om, al Mijn medelijden is opgewekt (SV: al Mijn berouw is tezamen ontstoken). Ik zal Mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen, Ik zal niet terugkeren om Efraïm te gronde te richten (SV: te verderven). Want Ik ben God, en geen mens, de Heilige in uw midden, en in de stad zal Ik niet komen.
Efraïm-Israël heeft na haar in-ballingschap-gaan beslist niet afgedaan voor God! En hetzelfde zeggen ons nog een hele reeks andere teksten en passages, zowel in Hosea als in bijna alle overige profetische boeken en gedeelten van de Bijbel. En het getuigenis van het Nieuwe Testament sluit hierbij aan “Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers ook een Israëliet, uit het nageslacht (SV: het zaad) van Abraham, van de stam Benjamin. God heeft Zijn volk, dat Hij van tevoren kende, niet verstoten (Rom.11:1-2a). Ja, om ons nu eerst tot Hosea te beperken, niet alleen wordt op een groot aantal plaatsen in dit Boek over een herstel van de 10 stammen na hun wegvoering gesproken, maar de betreffende gedeelten vormen bovendien nog onmiskenbaar de hoogtepunten van het Boek. Zodat wij gerust kunnen stellen dat Hosea het Boek is dat handelt over het herstel van Israël! Het herstel van de 10 stammen is de centrale boodschap van dit Boek. Overigens zou het feit dat er afzonderlijke profetieën zijn voor Israël en Juda, ons al moeten doen vermoeden, dat er verschil is tussen die twee. Maar dit even terzijde. Wij zullen in dit en de volgende hoofdstukken al de bedoelde gedeelten uit het boek Hosea één voor één in ogenschouw nemen en wel zo dat wij de lijn zullen gaan zien in het verloop van de geschiedenis van de 10 stammen na hun wegvoering. Blijken zal dat de geschiedenis is: “profetie in demonstratie”! Vanzelfsprekend zullen wij daarbij ook uit andere profetische boeken en gedeelten van de Bijbel moeten aanhalen.

Al eerder vermeldden wij over de 3 aspecten van de straf die aan Israël werd voltrokken: verstrooiing, verlating, verstoting. In deze volgorde worden zij in Hosea 1 genoemd, naar de 3 kinderen die achtereenvolgens geboren werden. De verzen 11-12 (van Hosea 1) maken duidelijk dat alle 3 de vloeken eenmaal opgeheven zullen worden. Het zal blijken dat dit in dezelfde volgorde geschiedt. Eerst komt er een eind aan de verstrooiing, daarna aan de verlating en ten slotte wordt de verstoting ongedaan gemaakt. Met andere woorden: eerst vinden de Israëlstammen weer een vaste woonplaats. Daar gaan zij, nog levend als heidenvolkeren, onmiskenbaar weer Gods bescherming genieten. En vervolgens begint God hen weer als Zijn kinderen aan te nemen. Vanaf het ongedaan maken van de verstrooiing, zo zouden wij kunnen zeggen, is de ballingschap van Israël bezig opgeheven te worden.

De periode van de ballingschapstijd, die onmiddellijk volgt op de wegvoering, kunnen wij de periode van de omzwervingen of migraties noemen. Volgens 2 Koningen 17:6 (zie ook 1 Kronieken 5:26 [1]) werden de 10 stammen door de Assyriërs weggevoerd naar Halah en Gozan, aan de rivier de Habor (zoals het moet zijn), een zijrivier van de Eufraat, een streek op de grens van het huidige Turkije en het huidige Syrië, en naar Medië, aan de Kaspische Zee, in het huidige Iran (zij werden dus al meteen in 2 groepen verdeeld): “In het 9de jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in en voerde Israël weg naar Assyrië. Hij liet hen wonen in Halah en in Habor, aan de rivier Gozan en in de steden van Medië (SV: der Meden).” Maar zij bleven daar niet. In de al eerder aangehaalde tekst van Hosea 8:8 lezen wij dat Israël (de 10 stammen) in de gebieden van de heidenvolkeren verzeild zou raken: “Verslonden is Israël! Zij zijn nu onder de heidenvolken als een pot (SV: een vat [2]) waaraan niemand waarde hecht (SV: waar men geen lust toe heeft).” Maar Hosea 9:17 preciseert wat het lot van Israël zou zijn en zegt dat Israël zal “omzwerven” onder de heidenvolkeren, wat dus zeggen wil: van de ene plaats naar de andere gaan (de verwerping door God, waarover in dit vers ook gesproken wordt zal, zo zullen wij nog zien, maar tijdelijk zijn): Mijn God zal hen verwerpen, omdat zij naar Hem niet luisteren. Zij zullen zwervers onder de volken zijn (SV: omzwervende zijn onder de heidenen). Wij moeten ons daarbij kennelijk een “trektocht” voorstellen, want in Hosea 12:10 wordt de tijd die dan aanbreekt voor de 10 stammen vergeleken met de woestijnreis onder Mozes: Maar Ik ben de HEERE, uw God, sinds het land Egypte. Ik zal u weer in tenten doen wonen zoals in de dagen van de samenkomst. Uit deze tekst kunnen wij ook afleiden dat het Israël van de 10 stammen gedurende zekere tijd weer als een nomadenvolk zou moeten leven. Trouwens, ook al eerder in Hosea wordt, als het gaat over de tijd na de wegvoering, herinnerd aan het verblijf in de woestijn aan het begin van Israëls geschiedenis, namelijk in Hosea 2:13, een tekst waar wij nog op terug zullen komen (merk nu reeds op dat God met de wegvoering van de 10 stammen toch een liefdevolle bedoeling had; het woord “lokken” duidt daarop): Daarom, zie, Ikzelf ga haar lokken, haar de woestijn in leiden (SV: voeren), en naar haar hart spreken.
En zo gebeurt het ook, volgens Ezechiël 20:35-36, “Vervolgens zal Ik u brengen in de woestijn van de volken en daar van aangezicht tot aangezicht een rechtszaak met u voeren. Zoals Ik met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte een rechtszaak gevoerd heb, zo zal Ik een rechtszaak met u voeren, spreekt de Heere HEERE.” Hier wordt het verblijf van Israël in de “woestijn van het land Egypte” (vers 36) gesteld tegenover het verblijf van Israël in de “woestijn der volkeren (vers 35). Deze laatste woestijn is dus zinnebeeldig bedoeld.  Verder wordt in Jeremia 31:2 gezegd dat Israël na haar wegvoering genade zal vinden in de woestijn: “Zo zegt de HEERE: Het volk dat aan het zwaard ontkomen was, heeft genade gevonden in de woestijn, toen Ik op weg ging om hem, Israël, tot rust te brengen.” Uit het feit dat zij niet alleen in het boek Hosea gevonden wordt, volgt dat het hier niet zomaar om een toevallige vergelijking gaat. Het is als het ware een herhaling van de geschiedenis. En er moeten ook overeenkomsten zijn tussen de eerste woestijnreis en de omzwervingen en tochten van het Israël van de 10 stammen door de “woestijn der volkeren”. Op zijn minst wel één overeenkomst, namelijk dat het niet allemaal op niets uitloopt – “Israël lost op in de heidenvolkeren” – maar dat aan het eind van de woestijntijd dit Israël als volk een nieuwe woonplaats, een nieuw Kanaän, zal hebben bereikt! De vraag is dan: Waar hebben wij deze nieuwe woonplaats te zoeken?

Ook hierover vinden wij in het boek Hosea enige aanwijzingen. Wij zullen die onderzoeken in samenhang met wat andere profeten hebben voorzegt. Om te beginnen moeten wij dan op de merkwaardigheid wijzen dat God reeds tot David, door de profeet Nathan, gesproken heeft over een nieuwe woonplaats voor Israël. Dit lezen wij in 2 Samuël 7:10 en 1 Kronieken 17:9 (beide hebben deze zelfde tekst): Ik heb aan Mijn volk, aan Israël, een plaats toegewezen en het daar geplant, zodat het in zijn eigen gebied woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen (SV: kinderen der verkeerdheid) zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger.” In de grondtekst staat hier: “Ik zal voor Mijn volk, voor Israël, een plaats bestellen (NBG: bepalen) en zal hem planten…”.
Toen Israël zekerder leek te wonen dan ooit tevoren, in het land Palestina, en daar haar “gouden eeuw” ingegaan was, sprak God reeds over een nieuwe woonplaats voor het volk! Het zou een plaats zijn waaruit zij niet meer verdreven zouden worden en waar zij ook niet meer zou worden verdrukt (zoals na David en Salomo, in Palestina, wel is geschied).
Wij zullen nu dit nieuwe land – “de (door God) bepaalde plaats” – met behulp van Schriftgegevens lokaliseren. Wij ontdekken dan het volgende:

  • KLIK HIER voor het vervolg van Hosea, deel 5.

Wordt vervolgd

H. Siliakus
Bewerkt door A. Klein

**********************************************************************************
[1] 1 Kronieken 5:26, “Toen wekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië op, en de geest van Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië. Deze voerde hen in ballingschap, te weten de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Hij bracht hen in Halah, Habor, Hara en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.”
[2] Zij en wij moeten juist “een vat” te Zijner ere zijn: “Indien dan iemand zichzelf van deze reinigt, die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid.” (2Tim.2:21). (noot AK)

.

****************************

Deel 1: Hosea – De schrijver en het Boek
Deel 2: Israël vóór de tijd van Hosea
Deel 3: Israël in Hosea’s dagen
Deel 4: Israëls wegvoering

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Israël/huis van Israël, Oordelen Gods, Studie van H Siliakus, Uitleg over het boek Hosea | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Redding uit de hand van Assur

.

Twee ontkomingen

In de profetieën van Jesaja [1] wordt vaak van het gebeuren in Jesaja’s tijd overgegaan naar het gebeuren in de eindtijd. Iets wat trouwens ook in de andere profetenboeken van de Bijbel voorkomt. Een voorbeeld van dit “overgaan” vinden wij in Jesaja 37:31-32, waar wij lezen:
31. want opnieuw zal wat ontkomen, wat overgebleven is van het huis van Juda, wortel schieten naar beneden toe (SV: nederwaarts) en vrucht dragen de hoogte in (SV: opwaarts), 32. want van Jeruzalem zal uitgaan wat overgebleven is (SV: het overblijfsel), en wat ontkomen is, van de berg Sion. De na-ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen.” [2]
Vers 31 heeft betrekking op Jesaja’s tijd, maar vers 32 voert ons daarna – over de eeuwen heen – naar de tijd van “het laatste der dagen”. Het is mogelijk (en ook waarschijnlijk) dat dit 32ste vers een vóórvervulling heeft gekend in de dagen van Jeremia –ongeveer 120 jaar later, toen Jesaja reeds lang gestorven was– toen de Babyloniërs van de inwoners van Jeruzalem, nadat ze die stad hadden ingenomen, een klein gedeelte –onder wie Jeremia en de koningsdochters– vrijuit lieten gaan, terwijl alle overige Jeruzalemmers meegevoerd werden naar Babel. Over de lotgevallen van Jeremia en de zijnen na de val van Jeruzalem lezen wij in de hoofdstukken 39 t/m 45 van het boek Jeremia. Hoe het verder is gegaan met Jeremia in Egypte, waar hij uiteindelijk terechtkwam, vermeldt de Bijbel niet. Maar buiten-Bijbelse bronnen verschaffen ons sterke aanwijzingen om aan te nemen dat hij daarna met minstens één koningsdochter en met Baruch, zijn schrijver, naar Ierland vertrokken is. Sommige Schriftuitleggers zijn van mening dat het ook in het 31ste vers van Jesaja 37 moet gaan over deze “Jeremia-groep” (“nederwaarts” zou dan als “zuidwaarts” = “naar Egypte” gelezen moeten worden, en “opwaarts” als “noordwaarts” = “naar Noordwest-Europa”), maar tegen deze uitleg zijn toch bezwaren aan te voeren. Laat ons bedenken dat het hier een boodschap betreft aan Hizkia en de inwoners van Jeruzalem ten tijde van het beleg van deze stad door de Assyriërs, een boodschap inhoudende dat zij uit de macht van Assur (de Assyriërs) verlost zouden worden. Wij zullen de verzen 30 en 31 van Jesaja 37 in de eerste plaats moeten beschouwen als handelende over déze verlossing:
30. En dit zal voor u het teken zijn: men zal dit jaar eten wat vanzelf gegroeid is, in het tweede jaar wat daarvan weer opkomt; in het derde jaar moet u zaaien en maaien, en wijngaarden planten en de vruchten daarvan eten. 31. want opnieuw zal wat ontkomen, wat overgebleven is van het huis van Juda, wortel schieten naar beneden toe (SV: nederwaarts) en vrucht dragen de hoogte in (SV: opwaarts).” (Jesaja 37:30-31)
Zoals het gewas van het veld, zo zou ook het leven in Juda en in Jeruzalem weer “floreren” (gelet op de grondtekst kan het woordje want in vers 31 beter vervangen worden door het woordje “en; de aansluiting tussen beide verzen is dan beter te zien). “Wat ontkomen, wat overgebleven is” van vers 31 is dat deel van Juda dat uit de handen van de Assyriërs zou ontkomen (ook uit het koninkrijk Juda – het 2-stammenrijk [3] – was een groot deel van de bevolking weggevoerd in Assyrische ballingschap). Daartegenover staat “wat ontkomen is” van vers 32, waarmee de “Jeremia-groep” kan zijn bedoeld, die 120 jaren later ontkwam uit de Babylonische ballingschap.

Uit Jeruzalem

Doch, zoals gezegd, de vervulling in Jeremia’s tijd van dit 32ste vers van Jesaja 37 was “slechts” een vóórvervulling en dus nog niet de eindvervulling (de uiteindelijke vervulling). De eindvervulling van deze voorzegging hebben wij te verwachten in de Messiaanse tijd – zoals zovele vervullingen van profetieën van Jesaja – en wel in “de laatste dagen” daarvan, de tijd waarin wij nu leven.

  • KLIK HIER als u deze (gratis) studie verder wilt lezen of downloaden.

H. Siliakus
Uit: Tempelbode, maart 1983
Enigszins bewerkt door A. Klein

***************************************************************************************************
[1] Zie eventueel onze studie Beknopte verklaring van het boek Jesaja van H. Siliakus. (noot AK)
[2] Alle Bijbelteksten zijn vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)
[3] Het volk van Israël bestaat uit de 12 stammen, vernoemd naar de 12 zonen van Jakob (die later van God de naam Israël kreeg). Maar later komt er een splitsing. Er wordt in de Bijbel dan onderscheid gemaakt tussen het ‘huis van Israël’ en het ‘huis van Juda’ (de zgn. Joden). Het ‘huis van Israël’ bestaat uit 10 stammen, die in de loop van de geschiedenis weggevoerd zijn uit het beloofde land Kanaän/Palestina. Zij zijn daarna de zgn. heidenwereld ingetrokken, waar zij tot op heden (in het ‘verborgen’, vaak zonder het zelf te weten) wonen. Het zijn vooral de zgn. ‘christelijke’ landen in Noordwest Europa en de landen, waar velen later naar toe zijn gemigreerd, zoals Amerika, Canada, en Australië. Het ‘huis van Juda’ bestaat uit 2 stammen, namelijk het volk van Juda en Benjamin die, in de dagen dat Jezus op aarde was, in het beloofde land Kanaän/Palestina leefde. Het ‘huis van Juda’, de zgn. Joden, is dan ook het deel van Israël waarover de verharding is gekomen (zie Rom.11:25).
Het huidige land Israël (waar heden voornamelijk de 2 stammen van het ‘huis van Juda’ – de Joden – wonen) doet thans haar rechten gelden op het land Palestina. Historische rechten, waarvan we ook lezen in de Bijbel. Als de tijd daar is dat het profetisch Woord vervuld wordt, dan kan het niet anders of geheel Israël (alle 12 stammen) zal uiteindelijk in bezit komen van geheel Kanaän/Palestina en van de stad Jeruzalem (zie Gen.15:18). Abrahams nakomelingen zouden volgens de Goddelijke belofte het land Kanaän bewonen. Dat land zou zich uitstrekken van de beek van Egypte (een kleine rivier ten oosten van de Nijl) tot aan de rivier de Eufraat. Voor ons zijn het tekenen dat we in de (Bijbelse) ‘laatste dagen’, vlak voor de wederkomst van Jezus, leven. Daarom is het juist in deze tijd belangrijk om na te gaan wat de Bijbel over deze dingen zegt.
.

Geplaatst in BEWARING voor de grote verdrukking, Bijbelstudie, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, De antichrist(elijke tijd), de grote verdrukking, Eindtijdstudie, Oordelen Gods, Studie van H Siliakus | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Boekbespreking 69: De Openbaring van Gods verborgenheid in de laatste dagen

De openbaring van Gods verborgenheid in de laatste dagen kleur

Onze liefdevolle God en Vader heeft ons Jezus gegeven als onze Heiland, als het Brood des levens. Opent daarom geheel uw hart voor het Woord van God, opdat u Zijn liefdesroep mag horen, en Hij avondmaal met u mag houden en u met Hem. Blijft uw levensblik houden op de overste Leidsman en Voleinder van uw geloof. Hij moet het CENTRUM worden en blijven in de Gemeente, Hij moet het Centrum worden van het gereinigde en geheiligde hart, niet de voorganger. NIEMAND anders dan Hij mag deze centrale plaats innemen. Laat ons daarom Hem èn Zijn Woord LIEFHEBBEN en in ons hart plaats maken voor deze enorme LIEFDE van onze Vader-God, Die door Zijn Woord heen tot ons spreken wil en tot ons komt.
Voordat ik u naar de kern van deze boodschap breng, moet ik u eerst voeren naar 1 Johannes 5:11-12.

Jezus Christus, de 2e Persoon in de Godheid, ons gegeven tot een Zaligmaker

“En dit is de getuigenis (Gods), namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en dit-zelve leven is in Zijn Zoon. Die de Zoon heeft, die heeft het leven; Die de Zoon van God NIET heeft, die heeft het leven niet!” (1 Johannes 5:11-12)
God de Vader heeft ons Zijn Zoon gegeven, de 2e Persoon in de Godheid. [1] Deze is vlees geworden voor u en mij; Hij stierf voor u en mij, Hij ging de dood in voor u en mij, Hij stond op uit de doden en overwon voor u en mij alle macht van satan, ja, alle zonde, die satan in de gehele mensheid heeft aangebracht. Hij heeft geheel de wereld in Zich met God VERZOEND (2 Korinthe 5:19)!
Hij heeft zó een Goddelijk TESTAMENT aan geheel de mensheid gegeven. Hij is daarom de Redder en niemand anders. Wij hebben Zijn uitgestoken, doorboorde hand aan te nemen voor onze PERSOONLIJKE REDDING, deze 2e Persoon in God, Jezus, het Woord van de Levende God!
“In Hetzelve (Woord) was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.” (Johannes 1:4)
God, onze Vader, wil ons redden door Jezus Christus! Wij worden “WEDERGEBOREN niet uit vergankelijk, maar uit (het) onvergankelijk zaad: door het levende en eeuwig blijvende Woord Van God (1 Petrus 1:23)
Wij worden niet gered door de Vader, óók niet door de Heilige Geest; wij worden gered door de Zoon: Jezus, Jezus, Jezus! Door het Woord van de Levende God! Halleluja! Hij is voor ons HET LEVEN en DE VOLHEID VAN LEVEN. Ik wil hiermee de Doop in de Heilige Geest niet kleineren; o, neen! Hij is nodig! De Heilige Geest is geweldig! Maar Gods Heilige Geest wil onder ons NIETS anders zijn, dan de Proclamator (= Bekend-maker) van Het Woord! Hij wil INWONEND in ons LICHAAM dit Woord in ons inbouwen, ons zó leidend in alle Waarheid (Johannes 16:13). Hij wil dit Woord van de levende God in ons hart en in ons verstand schrijven (Hebreeën 10:16). Nogmaals: de Geest van God wil inwoning maken in ons LICHAAM (1 Korinthe 6:19), en inwonend in ons lichaam ons leven en onze innerlijke mens, ons hart, ons willen en denken leiden in alle Waarheid, in dit Woord. Dan is dit Woord voor ons scheppend, herscheppend. En dit kan Hij, omdat Hij voor ons mens is geworden en alles voor ons op Golgotha heeft volbracht.
Laat de Geest van God in ons een (ge)willig DISCIPEL vinden om ons te kunnen leiden in dit Woord van God, inwaarts in het leven en in volheid van leven. Dit niet alleen; de Geest van God wil – na ons inwaarts geleid hebbende in dit Woord – ons ook GEBRUIKEN als een INSTRUMENT om dit Woord aan anderen te proclameren. Nogmaals: De Geest van God is de PROCLAMATOR van dit Woord en niemand anders. Anders gezegd: “Het Woord is het Zwaard van de Heilige Geest!” (Efeze 6:17). Inwonend in ons gebruikt Hij ons als een instrument om de Boodschap die Hij in ons aanbrengt te vertolken, om aan de mensen het Evangelie te brengen, opdat de GEHELE WERELD moge weten, dat Jezus Christus voor een ieder mens is gestorven en opgestaan en dat God wil dat ALLE mensen zalig worden door aanneming van (door de kennis van) de waarheid in Jezus Christus (1 Timotheüs 2:4). Hij wil dat ALLE mensen zalig worden, geen één uitgezonderd. Hij wil dat ALLEN komen tot de verlossing door belijdenis van zonden en aanneming van het dierbare Woord omtrent het offer van Golgotha als onze persoonlijke redding.
Ieder mens moet weten, dat Jezus ons gegeven is als een Here tot het LEVEN; ieder mens moet komen tot de claim van Golgotha! Golgotha is uit GENADE voor ieder mens tot een claim geworden, omdat men – door het Evangelie – weet dat God onze Vader de mens alzo LIEFHEEFT dat Hij Zijn Zoon GEGEVEN heeft en dat het Lam van God ALLES voor ons heeft volbracht!
Deze CLAIM, diep in het hart, is uw en mijn redding! Deze claim doet ons – bij oprechte bekering – WEDERGEBOREN worden en INGAAN in het Koninkrijk van God! En de Geest van God wordt ons daartoe gegeven als een GELEIDER in dit dierbare Woord van God en als de PROCLAMATOR van dit Woord aan anderen.
Als wij, gedoopt zijnde in de Heilige Geest, tegen het Woord van God frauderen
Nogmaals: Gods Geest is de Proclamator van het Woord. Hij schenkt Gods kinderen GAVEN, openbaringen van Hemzelf door Zijn instrumenten heen, om dit wonder van Gods liefde bekend te maken aan de mensen, aan alle mensen.
Laat ons daarom, als medearbeiders van God, LUISTEREN naar wat de Geest van God te zeggen heeft, opdat Hij dit Woord door ons heen in anderen in kan bouwen. En waar Hij dit Woord in heeft kunnen bouwen, daar is Hij, de Geest van God, almachtig. Daar kan Hij die mens VERVULLEN met Zichzelf en hem/haar GEBRUIKEN in Zijn sublieme Vaderliefde, als een SPREEKBUIS van het Woord van God.
Elke arbeider van Gods Geest moet een OVERWONNENE zijn van dit Woord; moet door dit Woord zijn verlost en vernieuwd. Met andere woorden: de HEERLIJKHEID van Jezus moet, nadat deze aan ons is geopenbaard, IN ons worden ingebouwd, voordat wij door de Heilige Geest deze heerlijkheid aan ANDEREN kunnen meedelen. Dit Woord moet in het leven van een dienstknecht van God de overhand hebben. De mensen moeten de liefdesheerschappij van dit Woord in diens leven kunnen zien, in diens huisgezin, in diens omgang in de Gemeente, in diens omgang met anderen buiten de Gemeente, in diens omgang met God! Voorgangers, ouderlingen; ja een ieder die dit Woord draagt, diens leven moet ook door dit Woord zijn gevormd en – laat ons dit nooit vergeten – de kern van dit Woord is LIEFDE! Louter Liefde van God!
Hij, Die op de troon van het heelal zit, getuigt van Zichzelf: “…Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart!…” (Mattheüs 11:29). Hij wil ons even zachtmoedig maken als Hij, even nederig van hart als Hij, even LIEFDEVOL als Hij! Innerlijk en uiterlijk moet dit Woord aan de gelovige – en zeker aan de arbeider Gods – volbracht worden.
Hoe vaak komt het voor dat de proclamatie van het Woord door de dienstknecht van God gescheiden wordt van deze Vrucht van de Geest! De Schrift bewijst dat dit ontstellende feit kan gebeuren; namelijk dat de mens, gedoopt zijnde met Gods Geest, gebruikt wordt door die Geest, maar dat die mens in zijn leven FRAUDEERT tegen het dierbare Woord van God! Laat ons daartoe gaan naar 1 Korinthe 13:1-3,
“Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden. En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik (al) het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, (luistert:) zo ware ik niets! En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven!
Soms zijn er vermaningen in Gods Woord, die evenzovele uitingen zijn van een Hart VOL LIEFDE om Zijn ontspoorde werkers terug te roepen tot de getrouwe en hartelijke gehoorzaamheid aan Zijn Woord. Tot die vermaningen behoort het bovenstaande.
Elke arbeider Gods moet, net als Paulus, indachtig zijn dat zij, velen door het Evangelie tot Christus gebracht hebbende, niet ZELF verloren gaan door innerlijk niet waakzaam genoeg te zijn voor de macht van de ZONDE! O, dit is een tragiek, een mogelijke tragiek, waar het Woord ons voor waarschuwt: het veelvuldig spreken in tongen, het profeteren in de Gemeente door de Geest, de kennis van “al de verborgenheden en al de wetenschap” der Schriften tot een wonderlijke leraarsbediening, de betoning van een wonderwerkend GELOOF in de Gemeente; al deze betoningen der GAVEN kunnen plaats hebben, zonder dat ons hart en leven deelheeft aan de VRUCHT van de Geest, aan Zijn LIEFDE, aan de waarachtige werkingen van het Brood des Levens in de innerlijke mens. Dit kan wanneer wij de Geest van God bedroeven (Efeze 4:30), door te zondigen tegen God en de naaste, door Hem niet gehoorzaam te zijn. Gods Geest – in Zijn lankmoedigheid – woont dan nòg in ons lichaam, maar ons hart is droog en dor door de zonde, omdat het afgescheiden is van God (Jesaja 59:2).
De bovenvermelde teksten vertellen ons dat Gods Geest in zo’n toestand, in Zijn lankmoedigheid, nog een tijd door zo’n arbeider heen kan werken, maar dat al dit werk GEEN NUT, GEEN LOON, geeft en dat zo-iemand door de inwonende zonde voor God NIETS is: niet in het eeuwige Leven staat! Als de zonde niet dadelijk BELEDEN wordt en UITGELEVERD aan Jezus, dan kan ze zich nestelen in de diepten van ons hart en een verharding van ons geweten teweegbrengen. In zo’n verduisterde toestand kan de mens niet meer recht onderscheiden wat van de Heilige Geest komt en wat komt van een onreine “vrome geest” en gaat hij van lieverlee behoren tot de gruwelijke groepering van de “verborgen-heid der ongerechtigheid” (2 Thessalonicensen 2:7; Mattheüs 7:15-23).
Recapitulerend komen wij wederom tot de conclusie, dat ONZE ZALIGHEID niet is in God de Vader, niet is in de Heilige Geest, maar dat ONZE ZALIGHEID is in de Zoon, in het Woord van God. Dit Woord moet in ons geworden! Wij moeten een kind van het Woord zijn. Diep in ons hart moet het stempel gedrukt zijn van de Almachtige: Zijn Verlossend, Reinigend, Heiligend Woord, dat ons leidt in de VOLMAAKTE LIEFDE Gods, dat het kenmerk moet zijn van elke discipel van Jezus (Johannes 13:35)!

Gods Woord voor de laatste dagen, waardoor Gods verborgenheid wordt geopenbaard

Welnu, vrienden, God heeft een WOORD voor de laatste dagen. En wij zijn kinderen van de laatste dagen. Hij wil dat de Gemeente van de laatste tijd wordt toebereid om te kunnen ingaan in de bruiloftszaal van het Lam; Hij wil, dat de Gemeente van de laatste dagen wordt gevormd tot een Bruidsgemeente! Hij wil bruiloft vieren! Hij is de Bruidegom, rein en heilig.

  • KLIK HIER als u deze studie verder wilt lezen of downloaden.

E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

***********************************************************************************

[1] In Deuteronomium 6:4 staat: “Luister, Israël! De HEERE, onze God; de HEERE is één! (dus één Persoon!)
Dit wordt ook onderschreven door het feit, dat de beide cherubs en het verzoendeksel uit één brok goud moesten worden gesmeed (= geslagen) (zie Exodus 25:18). De beide cherubs en het verzoendeksel beelden onze almachtige God in Zijn drie openbaringsvormen uit. De cherubs beelden de Vader en de Heilige Geest uit, en het verzoendeksel beeldt het Lam, de Zoon van God uit. Gods wezen is een EENheid. Hij is één Wezen, één Persoon. De leer, dat God uit 3 Personen bestaat, is een dwaling. Het is dus beter te spreken van de 3 Openbaringsvormen van God, te weten:
  • de 1ste Openbaringsvorm van God: de Vader
  • de 2de Openbaringsvorm van God: Jezus, de Zoon
  • de 3de Openbaringsvorm van God: de Heilige Geest.
Net zoals wij mensen ook bestaan uit: lichaam, ziel en geest. (noot AK)
.

Geplaatst in BEWARING voor de grote verdrukking, Bijbelstudie, Boek/studiebespreking, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, de Heilige Geest, Eindtijdstudie, Geestesgaven, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Oordelen Gods, Studie van E van den Worm, Volmaaktheid in Christus, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Wederom Mijn volk (deel 4): Israëls wegvoering

Het boek Hosea over de lotgevallen van de beide Israëlvolken:

Te weten:
het huis van Juda (2 stammen), en
het huis van Israël (10 stammen)

Herstel Israel

Deel 4

Israëls wegvoering

Eén van de meest bedroevende maar toch ook wonderlijke keerpunten in de geschiedenis van Israël, is de wegvoering in de Assyrische ballingschap van het 10-stammenrijk (van het “huis van Israël”, hier ook Efraïm-Israël genaamd). Het is een gebeurtenis die vaak verkeerd beoordeeld wordt – velen weten zelfs niet van een Assyrische ballingschap – als gevolg waarvan de meeste christenen heden ten dage de Joden ten onrechte voor het gehéle volk Israël (van 12 stammen) aanzien. De Assyrische ballingschap, hoe zwaar deze straf ook was, betekende niet dat Efraïm-Israël (de 10 stammen) als volk ophield te bestaan, maar dat zij een nieuwe episode in haar bestaan als volk inging. Een episode van “verborgen zijn” voor de wereld, maar herkenbaar voor hen die de profetie van de Bijbel nauwgezet bestuderen en die zich in de geschiedenis van de volkeren verdiepen. Maar, er ligt ook een zegen in het verborgen en onbekend zijn! Dit verborgen zijn en onwetend van de eigen identiteit zou, zo verstaan wij het nu, een grote zegen voor dit Israël betekenen (uiteindelijk ook een zegen voor de gehele wereld!). Wij kunnen het vergelijken met het verborgen verblijf van Jozef in Egypte. [1] Bovendien zou dit verborgen zijn haar behoeden voor zelfverheffing (“wij zijn het uitverkoren volk”) en voor kwalijke bejegening (haat, vijandschap) door de heidense volkeren. Voor deze beide gevaren werd Juda-Israël – het Joodse volk – niet bewaard (vergelijk Joh.8:33 en 1Thess.2:15-16): “Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht (SV: zaad) en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden?” “die zowel de Heere Jezus als hun eigen profeten hebben gedood en ons hebben vervolgd. Zij behagen God niet en zijn alle mensen vijandig gezind. Zij verhinderen ons tot de heidenen te spreken opdat die zalig zouden worden. Zo maken zij voor altijd de maat van hun zonden vol. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.” En door hun volharding in het verwerpen van hun Messias kregen de Joden het nòg moeilijker. Efraïm-Israël, het “verborgen Israël”, zou echter eeuwenlang “zeker wonen”. Pas in het laatste der dagen komt daarin verandering. Dan zal gebeuren wat in Psalm 83:4 geschreven staat: “Zij beramen listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk en beraadslagen (zich) tegen Uw beschermelingen (SV: Uw verborgenen).” Over die benauwdheid die dan aanbreekt voor Jakob” (= Israël) komen wij in hoofdstuk 8 nog uitgebreid te spreken.

Ook in de profetieën van Hosea komt duidelijk naar voren dat het niet “gedaan” is met het Israël van de 10 stammen, nadat het is weggevoerd in ballingschap. Er komt weer een tijd van “heil” voor dit volk, zo luidt samenvattend de boodschap. Wij mogen hieraan niet voorbijgaan. Ook hier geldt dat wie voorbijgaat aan wat Gods Woord duidelijk leert, die komt tot dwaling! Voordat wij echter de op die nieuwe heilstijd betrekking hebbende passages en teksten zullen overgaan, willen wij eerst zien wat Hosea over het begin van de ballingschap geprofeteerd heeft.

De wegvoering in Assyrische ballingschap was de uiteindelijke straf die over Israël voltrokken werd. In deze wegvoering komen wij de 3 aspecten van de uiteindelijke straf tegen, die we aan het eind van het vorige hoofdstuk noemden.

  1. Het betekende “verstrooiing”. Zij werden verstrooid, verspreid onder de heidenvolkeren als schapen zonder herder.
  2. Het betekende “verlating”. Zij verloren de bijstand van God. Daarom konden zij de vijand niet weerstaan.
  3. Het betekende ook “verstoting”. Niet langer zouden zij Gods volk zijn.

Als een vrouw met een scheidbrief werden zij weggezonden. Zoals Ahasveros eens Vasthi zou verstoten: “Als het de koning goeddunkt, laat er dan een koninklijk besluit van hem uitgaan dat schriftelijk wordt vastgelegd in de wetten van Perzië en Medië, zodat het niet herroepbaar is, dat Vasthi niet meer bij koning Ahasveros mag komen. En laat de koning haar koninklijke waardigheid geven aan een andere vrouw, die beter is dan zij” (Esther 1:19). In Jeremia 3:8 wordt ook letterlijk van het 10-stammenrijk Israël gezegd, dat God “haar de scheidbrief gegeven had”: “Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief (SV: scheidbrief) gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd. Zij ging zelf ook hoererij bedrijven.” Deze 3 aspecten van de straf zullen wij in het boek Hosea nog verschillende keren tegenkomen. En op deze “scheidbrief” komen wij ook nog terug.

Wij moeten beginnen met te wijzen op een verband dat God zelf legt tussen de uiteindelijke straf die Israël trof en één van de zonden die Israël bedreef. Hosea 7:8-11 vertelt ons dat Efraïm zich vermengde met de heidense volkeren (vers 8) zoals Egypte en Assyrië (vers 11): 8. Efraïm, met de volken vermengt het zich. Efraïm is een koek die niet omgekeerd is. 9. Vreemden verteren zijn kracht, maar zelf merkt hij dat niet. Ook heeft hij grijze haren gekregen (SV: ook is de grauwheid op hem verspreid), maar ook dat merkt hij niet. 10. Hoewel de trots (SV: hovaardij = hoogmoed) van Israël tegen hem getuigde, hebben zij zich niet bekeerd tot de HEERE, hun God. In dit alles zochten zij Hem niet. 11. Efraïm is als een duif, onnozel, zonder verstand verstand (SV: als een botte duif, zonder hart); Egypte roepen zij te hulp, naar Assyrië gaan zij!Zij namen hun gewoonten, zeden en afgoderij over. En voordat ze het goed en wel beseften, waren ze al in de macht van “vreemden” (vers 9).
Zij wilden zo graag met de heidense volkeren optrekken. Daarom gaf God hen over in de macht van deze heidense volkeren, met name van Assyrië (zie ook Hosea 8:10): Ook al zoeken zij hulp bij heidenvolken (SV: dewijl zij dan onder de heidenen boelen [2] om hoerenloon gehuurd hebben), toch zal Ik hen nu bijeenbrengen (SV: verzamelen). Zij kunnen weinig beginnen vanwege de last van de koning van de vorsten.” In Hosea 7:10 (hierboven vermeld) wordt het zich vermengen met de heidenen, de wereld en de goddelozen hoogmoed genoemd. Wereldgelijkvormigheid, wat zich vaak openbaart als een “niet onder willen doen voor de wereldling”, is hoogmoed! Het is nodig om dit goed tot ons laten doordringen.

De voorafgaande straffen, die tot waarschuwing hadden moeten dienen, betekenden tegelijk een steeds grotere verzwakking van Israël. Zo was het met dat overgegeven worden in de macht van vreemden en zo was het ook met de misoogsten waardoor het land getroffen werd. Als gevolg daarvan, zo lezen wij in Hosea 2:8-10, kwam Israël economisch aan de grond te zitten en kwam er een einde aan het losbandig leven van feestvieren en vrolijk zijn: “Daarom keer Ik terug (SV: Daarom zal Ik wederkomen) en neem Ik Mijn koren weg op zijn tijd, en Mijn nieuwe wijn (SV: most)  op de daarvoor vastgestelde tijd. Ik ruk Mijn wol en Mijn vlas weg, waarmee zij haar naaktheid moet bedekken. Nu dan, Ik zal haar schaamte ontbloten (SV: haar dwaasheid ontdekken) voor de ogen van haar minnaars, en niemand zal haar uit Mijn hand redden. Ik zal al haar vreugde doen ophouden, haar feesten, haar nieuwe-maans-dagen (SV: haar nieuwe maanden = de nieuwe maan in elke maand, naar de maanden van het jaar – zie Num.28:14)  en haar sabbatten, ja, al haar feestdagen (SV: haar gezette hoogtijden).” Maar de “grote klap” moest toch nog komen. Het schijnt begonnen te zijn met een veldslag in het dal van Jizreël, waarover verder niets bekend is: “Op die dag zal het gebeuren dat Ik de boog van Israël zal breken in het dal van Jizreël” (Hos.1:5). Deze slag ging waarschijnlijk vooraf aan de val van de hoofdstad Samaria, de “dag van het einde”, na een beleg van 3 jaar (volgens 2 Koningen 17:5) in 722 voor Christus: “Vervolgens trok de koning van Assyrië het hele land door. Hij trok ook op naar Samaria en belegerde het 3 jaar lang.” Herhaalde malen heeft Hosea over deze fatale dag gesproken als over de “dag der bezoeking”. Visitaties of bezoeken van God zijn niet altijd lieflijk en aangenaam. Er zijn bezoeken die een zegen inhouden, maar er zijn ook Goddelijke bezoeken die oordeel brengen. Vaak wordt een oordeelsbezoek door een zegenende aanwezigheid van God voorafgegaan. Zo was het in Hosea’s tijd en zo zal het ook zijn in de eindtijd.

  • KLIK HIER voor het vervolg van Hosea, deel 4.

Wordt vervolgd

H. Siliakus
Bewerkt door A. Klein

***********************************************************************************

[1] Zie mijn artikel De herleving van Jakob in de Tempelbode van november 1982. (noot HS)
[2] Boelen = Letterlijk: In overspel, in ontucht leven; ongetrouwd met elkaar leven.
Boelen om hoerenloon gehuurd = Degenen met wie zij (geestelijk gezien) in overspel leeft. (noot AK)
.

****************************

Deel 1: Hosea – De schrijver en het Boek
Deel 2: Israël vóór de tijd van Hosea
Deel 3: Israël in Hosea’s dagen

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Israël/huis van Israël, Oordelen Gods, Studie van H Siliakus, Uitleg over het boek Hosea | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Het triomferende Woord

Het Woord van God is onaantastbaar

De arrogantie van de mens bereikt in onze dagen tophoogten. Aanmatigend gedraagt hij zich op alle terreinen van het leven alsof hij God zelf is. Hij acht zich gerechtigd waar hij maar wil en wanneer het hem maar wenselijk voorkomt, in te grijpen en zijn invloed beslissend aan te wenden. De hedendaagse menselijke activiteit, waarvan het overheersend kenmerk WETTELOOSHEID is (waarmee vooral het niet gehoorzamen van Gods Wet of Woord bedoeld wordt) – en waarin heel veel gevarieerdheid is: van bijvoorbeeld het doen van bedenkelijke experimenten tot het doden van,  zo genoemd , “ongewenst” leven – roept onmiskenbaar herinneringen op aan de torenbouw van Babel (zie Genesis 11).
Toch zijn er nog zaken die door de mens niet aangetast kunnen worden, hoe graag hij dat ook zou willen. De wetten van de natuur laten zich door de mens niet blijvend veranderen of opheffen. Niemand kan ongestraft tegen de wet van de zwaartekracht zondigen. Ook de wetten van de tijd laten zich door de mens niet weerstaan. Maar ongenaakbaar als niets anders staat daar DE Wet of HET Woord van God. Dat Woord is één van die zaken waar de mens niet aan kan komen. Probeert hij dat toch te doen – het Woord zelf spreekt in dit verband van aan het Woord “afdoen” of “toedoen” – dan wordt hij daarvoor (volgens een door “genade” niet te beïnvloeden wetmatigheid) altijd gestraft:

  • “Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn. En indien iemand afdoet van de woorden van het boek van deze profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.” (Openbaring 22:18-19, SV) [1]

Het Woord van God is een zelfstandigheid, welke door de mens op geen enkele wijze te beïnvloeden is.

.

Onze houding tegenover Gods Woord

O ja, wij kunnen, en moeten zelfs, iets met dat Woord doen. Wij moeten het Woord, te beginnen bij onszelf, “recht snijden”: “Beijver u om uzelf welbeproefd voor God te stellen, als een arbeider die zich niet hoeft te schamen en die het Woord van de waarheid recht snijdt.” (2 Tim. 2:15)
En, zoals Jezus Zelf gezegd heeft, wij doen er goed aan als wij het Woord “bewaren” in ons hart: “Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.” (Joh. 14:23b)
Maar wat wij ook doen met het Woord, dat Woord zelf beïnvloeden wij daar niet mee. In deze en alle andere gevallen beschikt het Woord over ons; het omgekeerde is niet mogelijk. Bewaren, geloven, recht snijden, toedoen, afdoen, ja alles wat wij doen en niet doen met het Woord, heeft te maken met de houding die wij innemen tegenover dat Goddelijk Woord. En… naar deze houding tegenover Zijn Woord zal God ons eens oordelen. De bekende uitspraak van Luther: “Das Wort sollen Sie stehen lassen” (vertaald: het Woord moet u laten staan, u moet daar vanaf blijven), is eigenlijk alleen maar een wijze levensregel. Geen enkele vorm van boosaardige bemoeienis van de mens met het Woord van God is voor dat Woord zelf gevaarlijk. Zodanige bemoeienis is alleen voor de betrokken mens gevaarlijk en soms zelfs fataal. Van het Woord afblijven getuigt daarom van wijsheid. Maar verstandiger is het om méér te doen, om een meer actieve en positieve houding tegenover Gods Woord in te nemen. Johannes 1:4 leert ons, dat wie zich openstelt voor dat Woord, waarlijk zal leven (en dan ook “leven” zoals God het bedoeld heeft, en “voor eeuwig”): “In het Woord was het leven en het leven was het licht van de mensen.”

.

Het wassende Woord

Het Woord van God – de openbaring van Jezus Zelf (Johannes 1:14) – troost, geneest, geeft raad, redt, maakt vrij, loopt zeer snel (Psalm 147:15) en doet nog vele andere dingen die zijn zelfstandigheid benadrukken:
“En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.” (Joh. 1:14)
“Hij zendt Zijn bevel naar de aarde: Zijn woord loopt zeer snel.” (Ps. 147:15)
Een heel bijzondere werking van het Woord komen wij echter tegen in Handelingen 19, waar in het 20ste vers vermeld staat: Alzo wies het Woord des Heeren met macht, en nam de overhand (SV). Voor deze bijzondere werking, die voor een groot deel verklaart wat wij in het voorgaande reeds schreven over het Woord, vragen wij thans uw aandacht. Bij alles waartoe het Woord van God in staat is, kan dat Woord ook “wassen” (= groeien, in kracht toenemen). Door de eigen kracht van dat Woord. Nogmaals, dit “wassen” is een heel bijzondere werking van het Woord. Twee aspecten heeft deze werking; zij tonen het verband tussen – de aanwezigheid en werkzaamheid van – het Woord en de condities van “het laatste der dagen” duidelijk aan. Wij komen hierop nog terug. Het “wassen” van het Woord betekent natuurlijk niet zoiets als dat het Woord “groter wordt”. Net zo min als de maan door te “wassen” groter wordt. Als het eeuwig-hetzelfde-blijvende Woord van God “wast”, dan is er sprake van een toeneming in krachtsuitstraling en -ontwikkeling, precies zoals dat het geval is bij het wassen van de maan.
Kolossenzen 1:25-26 doet ons verstaan, dat er een – nogal groot – “verborgen deel” van het Woord is, dat bij – Goddelijke – openbaring gekend wordt als “Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid” (Kol. 1:27):

  • “Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeling (HSV: overeenkomstig de taak) van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Gods; 26. Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; 27. Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder (in) u, de Hoop der heerlijkheid.” (Kol. 1:25-27, SV)

Dit “Christus onder u” zal eens – in de meest letterlijke zin – werkelijkheid worden als de “mannelijke zoon”-groep [2] van Openbaring 12:5 zich manifesteert: “En zij (de vrouw [3], uit vers 1) baarde een mannelijke zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon.”
Het kan niet anders, of het halfuur stilzwijgen in de hemel van Openbaring 8:1 (“toen het Lam het 7de zegel geopend had, kwam er een stilte in de hemel van ongeveer een halfuur”) – als door de opening van het 7de zegel het Woord van God uiteindelijk geheel geopenbaard (= ontsloten) wordt – MOET betrekking hebben op de (geestelijke) verwekking van deze mannelijke zoon en op de daaraan ten grondslag liggende gemeenschap (in de geest) tussen de Hemelbruidegom Jezus en Zijn van de aarde gekochte Bruid. [4]

.

  • KLIK HIER als u deze (gratis) studie verder wilt lezen of downloaden.

H. Siliakus
Uit: Tempelbode, van juni 1980
Enigszins bewerkt door A. Klein

*********************************************************************************************

[1] Alle Bijbelteksten zijn vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)
[2] Jezus komt als BRUIDEGOM voor Zijn – reeds op deze aarde – gereinigde Bruid. De Bruiloft van het Lam is dan een feit en Zijn Vrouw (voorheen genaamd de Bruid) is dan (nàdat de Bruiloft heeft plaatsgevonden) reeds zwanger geworden (zie Openb. 12:2) van de geestelijke zonen, de 144.000 (die – in geestelijke zin natuurlijkuit haar voortkomen” door de VOLLE INWONING en WERKING van de Heilige Geest) vanwege de gemeenschap (in de geest) met haar Bruidegom.
In het natuurlijke leven wordt – na gemeenschap, bevruchting en geboorte – een baby zichtbaar, na 9 maanden verborgen te zijn geweest in de moederschoot. Hier – in geestelijk opzicht – is de mannelijke zoon ook eerst “verborgen” aanwezig in het Lichaam van de Bruid/Bruidsgemeente (want “de mannelijke zoon” is reeds onder hen), maar opeens, net als bij een natuurlijke geboorte, wordt deze zoon OPENBAAR (= het openbaar worden van de zonen Gods – zie Rom. 8:18-19). Het is dus niet “de geboorte van een zoon” die – in geestelijke zin – nog moet groeien, maar deze zoon wordt openbaar (= manifesteert zich) in de status van een VOLWASSEN (= VOLMAAKTE) zoon. Gekomen tot “de maat van de grootte van de volheid van Christus (Ef. 4:13). (noot AK)
[3] Zie eventueel ons artikel Een ANDER geluid – Wie is de VROUW uit Openbaring 12 ?”, van A. Klein.  (noot AK)
[4] Zie eventueel onze studie Er komt spoedig een Goddelijke Bruiloft hier op aarde” van E. van den Worm. (noot AK)
.

Geplaatst in Bijbelstudie, Eindtijdstudie, Geestelijke groei, Gehoorzaamheid aan God, Studie van H Siliakus, Wederkomst van Christus, Woord en Geest | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen