Wederom Mijn volk (deel 1): Hosea – De schrijver en het Boek

Het boek Hosea over de lotgevallen van de beide Israëlvolken:

Te weten:
het huis van Juda (2 stammen), en
het huis van Israël (10 stammen)

Herstel Israel

Inleiding

Het heil van God is bestemd voor alle volkeren der aarde. Toch is er onder deze volkeren ook een volk dat God Zijn volk noemt. Wat is de plaats van dit volk in het heilsplan van God? Dit is een vraag, waarmee wij ons bezig zullen moeten houden, als wij het boek van de profeet Hosea bestuderen. In hetzelfde Bijbelboek lezen wij dat God dit volk, Israël, tijdelijk niet als Zijn volk zou beschouwen, om het daarna wederom Zijn volk te noemen:

  • “En Hij zei: Geef hem (de zoon van Hosea en zijn vrouw, “een vrouw der hoererijen” – zie vers 2) de naam Lo-Ammi, want u bent niet Mijn volk en Ík zal er voor u niet zijn (SV: zo zal Ik ook de uwe niet zijn). Toch zal het aantal Israëlieten (SV: het getal der kinderen Israëls) zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden. En het zal gebeuren dat in de plaats waar tegen hen gezegd is: U bent niet Mijn volk, tegen hen gezegd zal worden: (SV: gij zijt) Kinderen van de levende God.” (Hosea 1:9‑10) [1]
  • “En Ik zal haar voor Mij in (SV: op) de aarde (uit-)zaaien en Mij (dan) ontfermen over Lo-Ruchama (wat betekent: “niet ontfermd”). Ik zal (dan) zeggen tegen Lo-Ammi: U bent Mijn volk, en hij zal zeggen: Mijn God!” (Hosea 2:22)

Zij die het Joodse volk voor geheel Israël aanzien, zullen er bepaald moeite mee hebben om in de geschiedenis van dit volk een periode te onderscheiden, waarin voor dit volk geldt, dat het niet langer Gods volk is. Dezulken houden er immers juist zo aan vast, dat de Joden altijd Gods volk gebleven zijn! Jammer genoeg staat men echter niet stil bij deze kwestie, want anders zou men wel tot de slotsom moeten komen, dat het hier in Hosea om een ánder Israël moet gaan. Er is een Israël, dat gedurende een lange tijd geheel gelijk is geweest aan een heidens volk! Er is een ander Israël. In de Bijbel wordt onderscheid gemaakt tussen het Huis van Juda, zo men wil de Joden, en het Huis van Israël [2], dat derhalve een ander volk (of wellicht meer dan één volk) moet zijn, een niet‑Joods Israël. Men kan niet straffeloos aan dit onderscheid voorbij gaan.

Heeft dan Paulus, toen hij bovenbedoelde woorden van Hosea aanhaalde in Romeinen 9:25‑26, deze woorden niet van toepassing verklaard op de heidenen (Rom.9:24)?

  • “Zoals Hij ook in Hosea zegt: Ik zal Niet-Mijn-volk noemen: Mijn volk, en de Niet-geliefde: Geliefde (SV: en die niet bemind was, Mijn beminde). En het zal zijn dat op de plaats waar tegen hen gezegd was: U bent Niet-Mijn-volk, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden.” (Rom.9:25‑26)
  • “Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.” (Rom.9:24)

Daarmee is toch de hele zaak opgelost?! Zo lijkt het, maar we vergissen ons dan wel deerlijk en maken ons er te gemakkelijk van af, want in het volgende, 27ste vers blijkt dat Paulus over Israël (!) spreekt: “En Jesaja roept over Israël uit: Al zou het getal van de Israëlieten (SV: het getal der kinderen Israëls) zijn als het zand van de zee, slechts het overblijfsel zal behouden worden.” (Rom.9:27). De verklaring is deze, dat Paulus hier weliswaar ook de bekeerlingen uit de oorspronkelijke heidense volkeren erbij haalt, maar desondanks in de eerste plaats doelt op de bekering van een verheidenst Israël.

De belangstelling is gewekt, zo hoop ik, voor wat er in het tamelijk onbekende boek Hosea wordt onthuld. Ik heb gekozen voor een systematische behandeling van de stof, mede omdat veel gedeelten van het boek pas goed ontsloten blijken te kunnen worden, als zij in de juiste samenhang worden geplaatst. Deze wijze van behandeling maakt dat deze studie ook te lezen is als de beschrijving van een stuk heilsgeschiedenis. De eerste hoofdstukken bieden daarnaast allerlei praktische lessen en praktisch inzicht in toestanden die zich in ieders persoonlijk leven kunnen voordoen. Herhaaldelijk dringen zich ook vergelijkingen op met onze tijd, wanneer wij ons verdiepen in de oorzaken van de ondergang van het rijk Israël. Vanaf hoofdstuk 5 van Hosea gaat het vooral om inzicht in en begrip van Gods raadsplan der eeuwen.

Moge deze studie behulpzaam zijn bij het verstaan van de “verborgenheid der gerechtigheid”. Deze te onderzoeken wordt ons in het allerlaatste vers van het boek Hosea (14:10, SV) als een opdracht meegegeven:

  • Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen.”

Als wij “wijs” willen zijn, zullen wij er moeite voor willen doen. Velen worden geïntrigeerd door een vergelijkbare opdracht die wij vinden in Openbaring 13:18, “Hier is de wijsheid: wie verstand heeft, laat hij het getal van het beest berekenen, want het is een getal van een mens, en zijn getal is 666.” Daar gaat het om de “verborgenheid der ongerechtigheid”, die uiteindelijk in het rijk van de Antichrist tot openbaring zal komen.
Maar… de verborgenheid der gerechtigheid doet ons uitzien naar de openbaring van dat Rijk, waarin het weer zal zijn: ISRA-EL, waarin verloste en gerechtvaardigde mensenkinderen zullen heersen als koningen met Christus.

H. Siliakus, 1986

***********************

Deel 1

Hosea – De schrijver en het Boek

De profeet Hosea had – evenals de profeet Amos, die een oudere tijdgenoot van hem was – zijn werkterrein in het “Noordelijk Rijk”, het10-stammenrijk”, (het huis van) Israël” – ook wel Efraïm-Israël genoemd – en trad evenals Amos op in de vervaldagen van dit rijk. Amos was echter afkomstig uit (het huis van) Juda, het “Zuidelijk Rijk” (van 2 stammen), en eigenlijk een vreemdeling, terwijl Hosea naar alle waarschijnlijkheid ook geboren en getogen was in Israël. Hosea is dan de enige onder de profeten die ons een profetisch geschrift hebben nagelaten die uit het 10-stammenrijk komt. Wij mogen hierin echter geen aanwijzing zien dat het geestelijk leven in Israël (het 10-stammenrijk) op een veel lager peil stond dan in Juda (het 2-stammenrijk). Evenmin mogen wij op grond hiervan concluderen, dat God voor het Noordelijk Rijk minder belangstelling had dan voor het Zuidelijke. Want juist uit de profetieën van Hosea zal blijken dat het 10-stammenrijk, ondanks verval en ballingschap, nog een rijke toekomst wachtte. Ja, zelfs een rijkere toekomst dan Juda! Bovendien moeten wij bedenken dat in datzelfde 10-stammenrijk enige van de grootste profeten van Israël hebben gewerkt. Te weten achtereenvolgens: Elia, Elisa en Jona. Hun arbeid en krachtvolle bedieningen hadden een geestelijk reveil tot gevolg zoals er in Juda, het 2-stammenrijk – ook al stond daar de tempel van God, in Jeruzalem – nooit is geweest. De opwekkingen onder Hizkia en Josia, die beide plaatsvonden nadat de 10 stammen al waren weggevoerd in ballingschap, waren kortstondiger en van geringere diepgang als die onder Elia en Elisa.
In hun tijd, zo lezen wij in het 2de boek der Koningen, waren er overal in het 10-stammenland “profetengemeenten”, gemeenten van getrouwe Israëlieten (de 7000 van 1 Koningen 19:18, “die hun knieën niet gebogen hebben voor Baäl”), de vroegste representanten van het “heilig overblijfsel”, dat in de profetieën zo’n belangrijke rol speelt. Genoemd worden die te Bethel, Jericho en Gilgal:

  1. “Toen kwamen de leerling-profeten (SV: zonen der profeten) die in Bethel waren, de stad uit, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg erover.” (2 Kon.2:3),
  2. “Toen kwamen de leerling-profeten (SV: zonen der profeten) die in Jericho waren, naar voren, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg erover.” (2 Kon.2:5) en
  3. “Toen Elisa weer in Gilgal kwam, was er honger in het land, en de leerling-profeten zaten voor hem. Hij zei tegen zijn knecht: Zet de grote pot op het vuur en kook soep (SV: moes, en zij konden het niet eten, het was als “de dood in de pot”, zie vers 39-40) voor de leerling-profeten (SV: zonen der profeten).” (2 Kon.4:38).

We kunnen deze profetengemeenten enigszins vergelijken met de huidige “pinkstergemeenten” [3], waar de geestelijke gaven ruimte krijgen om te functioneren en welke gemeenten eveneens min of meer buiten de officiële kerk staan (zonder te willen beweren dat heden uitsluitend hier de getrouwe christenen worden gevonden en in andere christengemeenten niet). Tot in de tijd van Hosea, niet deze profeet maar de laatste koning, moet dit reveil nog doorgewerkt hebben. Daarop wijst het optreden van de profeet Oded, waarschijnlijk de opvolger van de profeet Jona, beschreven in 2 Kronieken 28:9-11 en het feit dat nog verschillende hoofden van Efraïm naar hem luisterden (2 Kron.28:12-15):

  • “En daar was een profeet van de HEERE en zijn naam was Oded. Die ging het leger, dat naar Samaria kwam, tegemoet en zei tegen hen: Zie, door de grimmigheid van de HEERE, de God van uw vaderen, over Juda heeft Hij hen in uw hand gegeven, en u hebt hen gedood (SV: doodgeslagen) met een woede die tot aan de hemel reikt. En nu denkt u de Judeeërs (SV: de kinderen van Juda) en de inwoners van Jeruzalem aan u te onderwerpen als slaven en slavinnen. Maar hebt u zelf dan geen schulden bij de HEERE, uw God? Nu dan, luister naar mij en breng de gevangenen terug die u van uw broeders als gevangenen weggevoerd hebt. Want de brandende toorn van de HEERE is tegen u.” (2 Kron.28:9-11)
  • “Toen stonden er mannen op afkomstig uit de hoofden van de nakomelingen van Efraïm: Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth, Hizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai. Zij keerden zich tegen hen die uit het leger kwamen, en zeiden tegen hen: U mag deze gevangenen niet hier brengen, want dat leidt tot een schuld voor ons tegenover de HEERE. Denkt u nog meer toe te voegen aan onze zonden en onze schuld? Wij hebben immers al veel schuld, en de brandende toorn is tegen Israël. Toen gaven de gewapende mannen de gevangenen en de buit over aan de leiders en heel de gemeente. De mannen die met hun namen aangewezen waren, stonden op, grepen de gevangenen, en allen van hen die naakt waren, kleedden zij van de buit. Zij kleedden en schoeiden hen, lieten hen eten en drinken; zij zalfden hen en leidden allen die verzwakt waren, zachtjes op ezels, en brachten hen bij hun broeders in Jericho, de Palmstad. Daarna keerden zij terug naar Samaria.” (2 Kron.28:12-15)

Om terug te keren naar de profeet Hosea, hij was behalve van Amos en Oded ook een tijdgenoot van Jesaja en Micha, die beide in Juda werkten. De koningen die hij meemaakte, worden in Hosea 1:1 genoemd: “Het woord van de HEERE dat gekomen is tot Hosea, de zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, de koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël.” De 6 laatste koningen van Israël, die elkaar snel opvolgden, ontbreken in deze opsomming. Maar daar Hosea tot in de dagen van Hizkia heeft gearbeid, kunnen wij aannemen dat hij de ondergang van zijn land nog heeft meebeleefd en waarschijnlijk ook meegevoerd is in ballingschap. Zijn bediening moet zich hebben uitgestrekt over een periode van 60 of 70 jaar. Een zeer lange tijd dus.

Het boek Hosea heeft 14 hoofdstukken en bevat bijna uitsluitend profetieën die bestemd zijn voor Efraïm-Israël, het 10-stammenrijk. Alleen het 3de hoofdstuk is gewijd aan Juda-Israël en voorts wordt Juda nog een paar keer genoemd (in Hosea 4:15 + 5:10 + 6:4, 11 + 12:1, 3). Evenals Amos heeft Hosea de zonden van Israël genadeloos aan de kaak gesteld, maar het verschil tussen de beide boeken is dat in Amos de nadruk valt op het onrecht dat in Israël bedreven wordt, terwijl in Hosea de ontrouw van Israël de nadruk krijgt. Hosea 4:1 verwoordt wat de voornaamste klacht is van het Boek: Hoor het woord van de HEERE, Israëlieten (SV: gij kinderen Israëls !), want de HEERE heeft een rechtszaak (SV: een twist) met de inwoners van dit land, omdat er geen trouw, geen goedertierenheid en geen kennis van God in het land
Als kinderen Gods tegen God zondigen, doen zij Hem niet alleen onrecht aan, zoals ook de goddelozen doen, maar zij zijn Hem bovendien ontrouw! Zij schenden het verbond van liefde en handelen trouweloos. Hosea zouden wij dan ook wel de “profeet der liefde” kunnen noemen en Amos de “profeet van het recht”. De oneindige liefde van God, Die trouw is aan Zijn verbonden en beloften, komt in dit boek sterk tot uiting: Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw. Hij kan Zichzelf niet verloochenen.” (2Tim.2:13, SV)
En, zoals ons niet verwonderen zal, ook het thema van het Boek Hosea heeft te maken met die liefde van God. Het centrale thema is namelijk: het Gods-huwelijk, oftewel het huwelijk van God met Zijn Volk:

  • “Klaag uw moeder aan, klaag haar aan (SV: Twist tegen uw moeder, twist), want zij is Mijn vrouw niet en Ik ben haar Man niet. Laat zij haar hoererij van haar (aan)gezicht wegdoen, en haar overspel van tussen haar borsten.” (Hosea 2:1)
  • “Wees niet blij, Israël, tot jubelens toe, zoals de volken, want u hebt in hoererij uw God verlaten (SV: gij hoereert van uw God af). U hebt hoerenloon lief op alle dorsvloeren voor koren.” (Hosea 9:1)

Het zal blijken dat door dit thema ook de Nieuwtestamentische Gemeente van Christus in het vizier komt. Niet in parallellie, maar door een historisch “samenvallen” of door een mysterieuze “rol-overname”, zo men wil. Over de Bruiloft van het Lam wordt weliswaar niet gesproken, maar er wordt wel naar verwezen (in Hosea 2:18-19, SV): “En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. (En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE kennen.”
Dit samenvallen van de geschiedenis van Efraïm-Israël (= het 10-stammenrijk van het “huis van Israël”) met de geschiedenis van de Gemeente/Kerk van Jezus Christus, waarop wij als het zover is uitgebreid zullen ingaan komt – behalve in de desbetreffende teksten en tekstgedeelten – ook op een andere, bijzondere wijze aan de orde. Hosea moet huwen met 2 overspelige vrouwen (Hosea 1:2-3 + 3:1), die de eveneens overspelige volkeren van Israël en Juda moeten uitbeelden:

  • “Het begin van het spreken van de HEERE door Hosea. De HEERE zei tegen Hosea: Ga! Neem voor u een vrouw van de hoererijen en kinderen van de hoererijen, want het land wendt zich in schandelijke hoererij van de HEERE af. Hij ging en nam Gomer, een dochter van Diblaïm; zij werd zwanger en baarde hem een zoon.” (Hosea 1:2-3)
  • “En de HEERE zei tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven.” (Hosea 3:1, SV)

Hosea’s huwelijk is dus een afschaduwing van het huwelijk van God met de beide Israëls (Efraïm en Juda), dat eertijds gesloten werd bij de Horeb, na de uittocht uit Egypte, en uit het één en ander volgt als vanzelfsprekend dat Hosea zelf hier het type van God is: de Man. De naam Hosea (= in God is heil, redding), ook wel geschreven als Jozua, is echter de Hebreeuwse vorm van de Griekse naam Jezus. Als een type van God de Vader de naam Jezus draagt, is hij onmiskenbaar – vanuit een andere invalshoek – ook een type van God de Zoon. Zo hebben wij dan in Hosea te doen met iemand die de geschiedenis van de Oude Bedeling [4] en die van de Nieuwe Bedeling [5] tezamen brengt. Dit moeten wij goed voor ogen houden, want het zal de sleutel blijken te zijn tot het verstaan van het Boek Hosea.

Tot slot nog iets over de indeling van het Boek. Er zijn verschillende indelingen mogelijk, eenvoudige en wat meer samengestelde. Een goede en verduidelijkende indeling is de volgende:

  1. Hoofdstuk 1 t/m 3 – Het huwelijk tussen God en Zijn beide vrouwen, Israël en Juda, zinnebeeldig toegelicht.
  2. Hoofdstuk 4 t/m 5 – Het woord gericht tot het volk en tot de leiders (van Israël en Juda).
  3. Hoofdstuk 6 t/m 9 – Schets van de geestelijke staat van het diepgezonken Efraïm-Israël (het 10-stammenrijk).
  4. Hoofdstuk 10 t/m 14:1 – Klacht over Efraïm-Israël.
  5. Hoofdstuk 14:2-10 – Beschrijving van het toekomstig herstel.

Wij zullen het boek Hosea echter niet volgens deze indeling behandelen. Wij kiezen voor een heilshistorische behandeling van de stof.

Wordt vervolgd

H. Siliakus
Bewerkt door A. Klein

PDF (deel 1)

***********************************************************************************

[1] Alle Bijbelteksten zijn door mij vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)

[2] Het volk van Israël bestaat uit de 12 stammen, vernoemd naar de 12 zonen van Jakob (die later van God de naam Israël kreeg). Maar later komt er een splitsing. Er wordt in de Bijbel dan onderscheid gemaakt tussen het ‘huis van Israël’ en het ‘huis van Juda’ (de zgn. Joden). Het ‘huis van Israël’ bestaat uit 10 stammen, die in de loop van de geschiedenis weggevoerd zijn uit het beloofde land Kanaän/Palestina. Zij zijn daarna de zgn. heidenwereld ingetrokken, waar zij tot op heden (in het ‘verborgen’, vaak zonder het zelf te weten) wonen. Het zijn vooral de zgn. ‘christelijke’ landen in Noordwest Europa en de landen, waar velen later naar toe zijn gemigreerd, zoals Amerika, Canada, en Australië. Het ‘huis van Juda’ bestaat uit 2 stammen, namelijk het volk van Juda en Benjamin die, in de dagen dat Jezus op aarde was, in het beloofde land Kanaän/Palestina leefde. Het ‘huis van Juda’, de zgn. Joden, is dan ook het deel van Israël waarover de verharding is gekomen (zie Rom.11:25).
Het huidige land Israël (waar heden voornamelijk de 2 stammen van het ‘huis van Juda’ – de Joden – wonen) doet thans haar rechten gelden op het land Palestina. Historische rechten, waarvan we ook lezen in de Bijbel. Als de tijd daar is dat het profetisch Woord vervuld wordt, dan kan het niet anders of geheel Israël (alle 12 stammen) zal uiteindelijk in bezit komen van geheel Kanaän/Palestina en van de stad Jeruzalem (zie Gen.15:18). Abrahams nakomelingen zouden volgens de Goddelijke belofte het land Kanaän bewonen. Dat land zou zich uitstrekken van de beek van Egypte (een kleine rivier ten oosten van de Nijl) tot aan de rivier de Eufraat. Voor ons zijn het tekenen dat we in de (Bijbelse) ‘laatste dagen’, vlak voor de wederkomst van Jezus, leven. Daarom is het juist in deze tijd belangrijk om na te gaan wat de Bijbel over deze dingen zegt.

[3] Pinkstergemeenten = Gemeenten waar de Pinksterboodschap en de Pinksterervaring – dus: de boodschap over en de ervaring van de uitstorting van en/of de vervulling met de Heilige Geest – gepredikt en ervaren wordt. (noot AK)

[4] Oude Bedeling = De periode die de verhouding tussen God en mens vóór Christus’ (1ste ) komst aangeeft. (noot AK)

[5] Nieuwe Bedeling = De periode die de verhouding tussen God en mens NA Christus’ (1ste) komst aangeeft. (noot AK)

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Israël/huis van Israël, Oordelen Gods, Studie van H Siliakus, Uitleg over het boek Hosea, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (16): De Levitische offeranden – deel 1

Levitische offeranden

In Leviticus hoofdstuk 1 t/m 7 worden 5 typen van OFFERANDEN onderscheiden.

I. Vrijwillige offeranden “tot een liefelijke reuk den Here”.
Het zijn offeranden, die GEMEENSCHAP met God en Zijn Christus ten doel hebben en openbaren; offeranden die aan God worden gegeven door de NIEUWE mens in Christus, waarom ze ook wel “offeranden der Gerechtigheid” worden genoemd. (Ps.51:21).
1.  het BRANDOFFER (Lev.1 + 6:8-13)
2.  het SPIJSOFFER (Lev.2 + 6:14-18)
3.  het VREDE of DANKOFFER (Lev.3 + 7:11-34 + 19:5-8)
II. Verplichte offeranden. Het zijn offeranden, die VERBROKEN GEMEENSCHAP met God moeten herstellen. Deze offeranden moeten worden gegeven door de OUDE mens tot zijn zelfs behoud in Christus.
4.  het ZONDOFFER (Lev.4 + 6:24-30)
5.  het SCHULDOFFER (Lev.5 + 6:1-7 + 7:1-7)
ALLE offeranden wijzen heen naar Christus, Die Zich voor ons op Golgotha offerde; en vertellen ons van onze GEMEENSCHAP, die wij met Christus en Zijn offerande hebben.
Ook moeten ALLE offeranden met ZOUT gezouten worden (Lev.2:13, Ezech.43:23-24, Mark.9:49) dat wil zeggen alle offeranden moeten de NIEUWE MENS IN CHRISTUS, HET WOORD GODS, ten doel hebben, die zich door de mens openbaart in de KRACHT en in de LIEFDE GODS.

De eerste 3 offeranden

(1)
Het BRANDOFFER (Lev.1 + 6:8-13)

Ritueel

Betekenis

Het is een VRIJWILLIG offer uit liefde tot God.

Het is een typering van de vrijwillige keuze van het menselijk hart om “één plant te zijn” met de LEVENSOFFERANDE van Jezus Christus in Zijn vrijwillige overgave en toewijding aan de Vader tot verzoening van de mensheid met God (Ps.40:7-9, Hebr.10:5-7, Ef.5:2).

De offerdieren: (Lev.1:1-3a + 10 + 14).
Gradatie in offer naar welstand.
Rijken: Volkomen stier (var);
Middenstand: Volkomen ram of geitenbok;
Armen: Volkomen gevogelte (tortelduif of jonge duif).

Alle offerdieren wijzen naar het ZONDELOZE, VOLMAAKTE Lam van God. Zo is er ook GRADATIE onder de toegewijden, naar de mate van Christus, die in hen is gegroeid:
·   zuigelingen in Christus;
·   kinderen in Christus;
·   jongelingen in Christus;
·   vaders en moeders (volwassenen) in Christus (1Joh.2:12-14, Hebr.5:12-14, Ef.4:13-16).
Naar die mate, die in hen is gegroeid, moeten Zijn dienstknechten Hem dienen (Rom.12:3, Luk.12:47-48).

De offeraar legde zijn hand op het offerdier (Lev.1:4).

Wij hebben als dienstknechten en dienstmaagden Gods “één plant te zijn” met de wijding en overgave van Christus (Rom.12:1-3) en deze moeten VRIJWILLIGE zaken zijn (Hoogl.6:12).

De offeraar slachtte het offerdier voor het Aangezicht des Heren (in de heilige plaats, voor de deur van de tent der samenkomst; aan de noordzijde van het altaar), (Lev.1:3b + 5 + 11a).

Het is God, Die bepaalt WAAR, WANNEER en HOE wij te dienen hebben en te allen tijde moet het leven in een GEHEILIGDE staat zijn (Joh.17:19).

De offeraar slachtte ZELF zijn eigen offer, stroopte het vel ervan af en deelt het in stukken (Lev.1:5-6 + 11-12).

Wij moeten PERSOONLIJK hebben gekozen voor (toe)wijding en overgave aan de dienst van God en tot in details delen in de wijding van Christus.

Het BLOED van het brandoffer werd gesprenkeld rondom het altaar door de dienstdoende priester (Lev.1:5).

Het menselijk, dienend hart moet GEMEENSCHAP blijven hebben met het REINIGENDE BLOED van het Lam van God, zodat het in BLIJVENDE reinheid Hem kan dienen (1Joh.1:7-9).

Bij een offerande van GEVOGELTE (tortelduif of jonge duif) spleet de priester met de nagel de kop en duwde het bloed tegen het altaar uit. De vleugels werden ingescheurd, niet afgetrokken (Lev.1:14-15 + 17a).

Alle EIGEN KRACHT moet door het Bloed van het Lam teniet worden gedaan.

Ingewand en schenkels werden met water gewassen (Lev.1:9 en 13).
Van de vogels werden KROP en VEREN weggegooid (Lev.1:16).

Zowel het INWENDIGE als het UITWENDIGE leven (handel en wandel) moeten in de reiniging van het Bloed van het Lam blijven.

Het GEHELE offer werd door heilig Vuur tot as verteerd (Lev.1:9 + 13 + 17b, Ps.20:4). Het vuur op het altaar mocht niet uitgaan, maar voortdurend brandende gehouden worden (Lev.6:12-13).

Onze eigen wil, menselijke idealen, ja ons ganse leven moeten door de voortdurende, reinigende werkingen van het BLOED, het WOORD en het VUUR des GEESTES gans en al gekruisigd worden en in de DIENSTBAARHEID aan God, in de redding van de mensheid, worden verteerd.

Het brandoffer moet met ZOUT gezouten worden (Lev.2:13, Ezech.43:23-24, Mark.9:49).

Het HEMELSE LEVEN van God in de Liefde Gods en de Heiligheid van God hebben wij, bij onze (toe)wijding en arbeid in Christus, de overhand te laten hebben (Hand.19:20).

Het vel van het brandoffer was voor de priester (Lev.7:8, Joh.17:22).

Christus geeft Zijn dienstknechten Zijn bedekkingen en heerlijkheid (Joh.17:22).

Het MORGEN- en het AVONDOFFER van Israël (het “gedurig offer”) waren BRANDOFFERS voor het GEHELE volk (Exod.29:38-42).

Alzo moet het GANSE volk van God leven in een VOORTDURENDE toewijding en overgave aan Christus tot dienstbaarheid aan God voor de verzoening van de mensheid met God (2Kor.5:18-20, Luk.1:74-75).

De dienstdoende priester moest zich verkleden na elk brandoffer (Lev.6:10-11).

De dienstknecht van God moet zijn ziele-klederen voortdurend reinigen in het Bloed van het Lam.

Een BRANDOFFER werd nooit alléén geofferd, altijd in samenhang met een spijsoffer en een drankoffer (Exod.40:29, Num.15:1-12).
Ook het “gedurig-offer” (de dagelijkse offeranden) was een BRANDOFFER gepaard aan een spijsoffer en een drankoffer.

LEVENSOVERGAVE en (toe)WIJDING tot arbeid in Christus moet gepaard gaan met gemeenschap met de Liefde, de bekwaamheden (Gaven, Krachten, Kennis) van Christus in de Heilige Geest. Wij moeten zelf als arbeiders Gods VERVULD zijn van het Brood des Levens (dat tot ons is gekomen, omdat Hij Zijn Lichaam aan het kruis gaf en Zijn Bloed voor ons stortte) om anderen met dit HEMELSE BROOD te kunnen spijzigen.

(2)
Het SPIJSOFFER (Lev.2:1-3 + 6:14-18).

Ritueel

Betekenis

Het SPIJSOFFER werd door de gelovige Israëliet VRIJWILLIG geofferd als een liefdesuiting aan zijn God.

Het SPIJSOFFER wijst in de eerste plaats naar Christus (Hebr. hfd. 9 en 10, Dan.9:27).
Hij zou door Zijn Eigen offerande het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden.
Het brengen van het SPIJSOFFER is een typering van de VRIJWILLIGE keuze van het menselijk hart om “één plant te zijn” met Christus, om door Hem, het “Brood des Levens” te eten, uit Hem te leven (Joh 6:56-58) en verzadigd zijnde van dit Brood des Levens, anderen er in te delen (Jes.66:20; de uitdeling bij de vermenigvuldigingen der broden; Luk.12:42, Matth.24:45).

SPIJSOFFERS werden altijd gelegd op (bloedige) BRANDOFFERS. (Zie hierboven).

De genadekracht van het Woord des Levens is slechts mogelijk door Golgotha.

De priester neemt uit het spijsoffer een GEDENKOFFER, een klein gedeelte, onder andere een vuistvol van het meel en werpt het – gemengd met olie, zout en wierook – op het brandoffer (Lev.2:2 en 9 + 6:14-15).

Naar het vermogen van zijn hand (een vuistvol) moet de arbeider Gods het Woord des Levens aan anderen brengen, de liefelijke genadedaad van Christus op Golgotha GEDENKEND, tot redding van anderen en tot eer van God alleen (2Kor.5:20).

Het overgrote deel ervan is tot spijze (=voedsel) van de priesters, het is een heiligheid der heiligheden en moet ongedesemd gegeten worden (Lev.2:3 + 10 + 6:16-18 + 10:12-13).

De kennis van en de gemeenschap met de reine en heilige Christus, het Brood des Levens, vult de dienstknecht Gods zelf met rein en heilig leven en OVERVLOED van leven (Joh.10:10, Jer.31:33) en het OVERVLOEIENDE LEVEN (Ps.23:5), het overvloeiende uit de mond, van hetgeen het hart heeft VERVULD, is ook anderen weer tot leven.

Het spijsoffer kan bestaan uit MEELBLOEM (Lev.2:1) van fijn gestoten tarwe.

Tarwebloem wijst heen naar Christus reine MENSELIJKHEID (Zijn vleeswording), voor ons verbrijzeld op Golgotha (Jes.53:5-10). Hij was het Tarwegraan”, Dat sterven moest voor ons behoud (Joh.12:24).

Ook kan het spijsoffer bestaan uit tot koeken GEBAKKEN meelbloem of in een ketel GEKOOKT (Lev.2:4).

Dit bakken in een oven of koken in een ketel wijst heen naar het VERBORGEN lijden van Christus (Luk.9:4 + 12:50, Hand.2:24 + 27).

Verder kan het spijsoffer bestaan uit in een pan tot VLADEN GEBRADEN meelbloem of uit in het vuur GEROOSTERDE koren uit de eerste vruchten (Lev.2:5 + 14-16).

Dit wijst heen naar Christus OPENBAAR lijden, Hem aangedaan door de mensen om Hem heen.
De “eerste vruchten” wijzen heen naar de EERSTELING Christus (1Kor. 15:20 + 23).

Bij het spijsoffer werd OLIE gevoegd (Lev.2:1-2 + 4-6 + 15).

Olie wijst heen naar de Heilige Geest door Wie Hij ontvangen was (Matth.1:21, Luk.1:35) en Die op Hem uitgestort was (Jes.61:1, Matth.3:16-17): Alle Woord moet worden gebracht in de kracht van de Heilige Geest (Hand.1:8).

Bij het spijsoffer werd ZOUT gevoegd (Lev.2:13).

Het zout wijst heen naar de KRACHT en de AANGENAAMHEID van Zijn Woord, iets wat ook in Zijn discipelen moet worden gevonden (Luk.4:22, Mark.9:49-50, Kol.4:6).

Bij het spijsoffer (het GEDENK-OFFER) werd WIEROOK gevoegd (Lev.2:1-2).

Wierook wijst heen naar het BIDDENDE leven van Christus, waar alle Evangeliën ons over vertellen; iets waaraan ook wij deel moeten hebben.

Nooit mocht DESEM in het spijsoffer voorkomen (Lev.2:11).

Desem wijst in het Woord Gods altijd naar ZONDE en het Lam van God was ZONDELOOS (2Kor.5:21, Exod.12:15 + 19-20, 1Kor.5:6-8).

Ook mocht HONING nooit bij het spijsoffer worden gevoegd (Lev.2:11).

Honing wijst heen naar het toegeven aan MENSELIJKE neigingen en lusten, iets wat in Christus nooit werd gevonden. Ook VERZUURT (bederft) honing bij hitte.

(3)
Het VREDE- of DANKOFFER (Lev.3 + 7:11-34 + 19:5-8).
Ook het VREDE- of dankoffer was een offer dat GEMEENSCHAP van de gelovige en wel in de Heilige Geest typeert, hier in DANK en LOF en PRIJS op grond van de ontvangen verzoening, die VREDE heeft gemaakt tussen God en hem (Matth.5:9, Rom.8:6, Ef.2:13-14 + 17, Kol.1:20) tussen hem en de medemensen (Hebr.12:14, Rom.12:18, Mark.9:50).
Een antitypering [1] hiervan vinden wij in het Heilig Avondmaal des Heren (ons Nieuwtestamentische Pascha).

Slachtoffer van DIEREN.
Runderen: volkomen mannetje of vrouwtje.
Klein vee: schapen of geiten, volkomen mannetje of vrouwtje (Lev.3:1 + 6-7 + 12). Ook VROUWTJESdieren mochten worden geofferd.

Het VROUWELIJKE typeert hier de GEMEENTE (vertegenwoordigd door de offeraar, zijn gezin, zijn genodigden), die mede met Christus dank, lof en prijs zegt tot de Vader.
Het offer moest VOLKOMEN zijn. Dank, lof en prijs van harten in onreinheid gebracht, wil God niet.

Bij DANK- of LOFOFFERS werden daartoe SPIJSOFFERS geofferd (Lev.7:12-13).

Het GEDESEMDE brood beeldt hier weer het aandeel van de GEMEENTE uit in haar dankbare getuigenis van ontvangen genade.

Wie hadden er DEEL aan het Vrede-offer?
A.  God (de Vader),
B.  de priester (Christus typerend) en
C.  de offeraar, zijn gezin en zijn genodigden (de Gemeente typerend).

A. Het deel van GOD.
Het net der ingewanden, de nieren en het vet, en bij schapen daartoe het vet van de staart, tot een VUUROFFER (Lev.3:3-5 + 9-11 + 14-16).

Lof, dank en prijs vinden hun motivering in de (INNERLIJKE) werkingen van Gods Geest in de harten van de gelovigen (2Kor.9:11, Filip.1:11, 1Thess.3:9).

AL het BLOED werd gegoten rondom het brandofferaltaar (Lev.3:2).

Dank, lof en prijs zijn vanwege de in het hart ontvangen VERZOENING door het gestorte BLOED van het LAM.

B. Het deel voor de PRIESTERS.
De RECHTERSCHOUDER (hefschouder) van het offerdier + één van de gedesemde broden, na die als een hefoffer op en neer bewogen te hebben, is voor de dienstdoende priester (Lev.7:32-33).
De BORST (beweegborst) van het offerdier, na die BEWOGEN te hebben voor het aangezicht van de Here, is voor de andere priesters (Lev.7:31-34).

De DIENSTDOENDE PRIESTER stond hier typerend voor Christus, net zoals de dienstknecht van God in zijn arbeid staat in de Naam van Jezus Christus en door de Heilige Geest tot die arbeid gedreven wordt. Door Christus’ verzoenend werk en toewijding tot deze verzoening zijn DANK, LOF en PRIJS door de gelovige mogelijk.

C. Het deel van de OFFERAAR en de zijnen.
De offeraar brengt VRIJWILLIG zijn offerande (Lev.19:5).

De gelovige brengt God VRIJWILLIG zijn lof, prijs en dank (Ps.119:108, Hebr.13:15).

Hij legde zijn handen op de kop van het offerdier.
Hij slachtte zelf zijn offerdier; scheidt het vet, het ingewandsnet en de beide nieren af en gaf die aan de priester tot een VUUROFFER den Here (Lev.3:2 + 7:28-30).

De gelovige is één in dank, lof en prijs met de Geest, Die hem hiermee vervult (Hand.2:4).

Hij at met zijn gezin en zijn genodigden van de rest van het vredeoffer in de heilige plaats (= de voorhof). NIETS mocht overblijven tot de morgen (Lev.7:15). Bij een GELOFTE- of VRIJWILLIG of­fer, nadat de gelofte was volbracht, mochten zij er 2 dagen van feesten in de voorhof van de tabernakel. (Lev.7:16-17 + 19:6).

De Gemeente neemt deel aan het Heilig Avondmaal voor het aangezicht des Heren en looft en dankt en prijst God en het Lam voor haar ontvangen verzoening; zij eet van Zijn vlees en drinkt van Zijn bloed (Joh.6:53-58, Matth.26:17-19, 1Kor.11:23-26). De lof en prijs en dank moet een betuiging zijn van vers ontvangen GENADE en niet van genade ontvangen in de verleden tijd, terwijl er nu wellicht ONGELOOF en ZONDE zijn. Is een Goddelijk werk VOLBRACHT, dan mag men in de tijd erna nog DANKBAAR van GETUIGEN.

Het vredeoffer mocht op de 3de dag niet gegeten worden, wat overbleef moest worden verbrand (Lev.7:18 + 19:7-8).

Het kind van God mag niet teren op OUDE ervaringen, maar steeds IN HET HEDEN God danken bij verse ervaringen in Hem.
Het oude moet worden vergeten (Hebr.10:20; “een verse, levende Weg”).

Het vrede-offer mocht niets onreins aanroeren of door onreinen worden gegeten op straffe des doods (Lev.7:19-21).

Het Heilig Avondmaal mag niet worden gegeten met een ONREIN hart (1Kor.11:27-30).
De GENADE van God mag niet samengaan met een BELAST geweten (1Tim.1:19 + 3:9).

Het vet was altijd des Heren. Wie het vet of het bloed at waren “des doods” in Israël (Lev.7:22-27).

“Vet” typeert de rijkdom van het Offerlam en het “bloed” het Bloed van Christus. Geen mens mag de eer van God zich toe-eigenen op straffe van “geestelijke dood” (Jes.42:8 + 48:11).

.

Tab Sym blz 67

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

***********************************************************************************

[1] Antitype = Een persoon of ding voorgesteld of voorafschaduwd door een type of symbool; vooral een figuur in het Oude Testament met een tegenhanger in het Nieuwe Testament. (noot AK)

.

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel
  9. De DEUR en de heilige zalfolie
  10. De Tafel met Toonbroden
  11. De GOUDEN 7-voudige KANDELAAR
  12. Het REUKALTAAR en het reukwerk
  13. De HEILIGE driehoek van Gods arbeid in ons
  14. (14a): De geestelijke heerlijkheids-klederen van Christus – waar ook Gods dienaren in hebben te wandelen om te kunnen dienen + (14b)
  15. De priesterwijding

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Israël/huis van Israël, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Werkers in Gods dienst, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Waar gaan wij heen ?

Jezus sprak eenmaal tot de Farizeeën en de Sadduceeën:
“…Als het avond geworden is, zegt u: Mooi weer, want de hemel is rood; en ‘s morgens: Vandaag storm (SV: onweder), want de hemel is somber rood. Huichelaars! De aanblik van de lucht weet u wel te onderscheiden, en kunt u de tekenen van de tijden niet onderscheiden? (Mattheüs 16:1-3) [1]
Wij leven in tijden van burgerlijk oproer, omwentelingen, opstootjes, strijd en demonstraties. Vanwaar komt dit toch allemaal? Het behoort allemaal tot de “tekenen van de tijd”. Wij leven aan het eind van de tijdsbedeling der genade. De tijd voor de mens loopt snel af.

Geweld

De profetie van de Here Jezus Christus, die wij aantreffen in Lukas 17:26-27, luidt, dat zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen (van de wederkomst) van de Zoon des mensen.
“En zoals het gebeurde in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen. Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk en zij werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam en hen allen om deed komen.”
Welke toestanden deden zich voor in de dagen van Noach? In Genesis 6:5 lezen we dat de mensen verdorven waren, vol van kwade gedachtenspinsels in hun hart en van onreine gedachten, door en door corrupt. En vervolgens wordt ons in vers 11 van hetzelfde hoofdstuk gezegd, dat “de aarde was vervuld met geweld”:
“…de aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol met geweld (SV: vervuld met wrevel).”
Het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt, komt van de wortel die de betekenis heeft van “van zich afschudden”, “op gewelddadige wijze wegnemen”, “geweld-plegen” en “zich verkeerde dingen in het hoofd halen”. Geweld behoort dus tot de tekenen der tijden.

De macht aan het volk

De gemeente van Laodicea wordt in Openbaring 3:14-22 door de Here ernstig verweten lauwhartig te zijn. Hoewel zij van zichzelf geloofden dat zij (ook geestelijk gezien) rijk waren en niets nodig hadden, zei Jezus van hen dat zij ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt waren. Het woord Laodicea is samengesteld uit twee Griekse woorden: Laos hetgeen betekent “volk”, en dice”, hetgeen betekent “recht” of “wraak”. Het woord Laodicea heeft dus als betekenis “recht van het volk”, “wraak aan het volk” of letterlijk: “macht aan het volk”. Is deze laatste uitdrukking niet één van de leuzen van onze tijd? Waar zal het allemaal op uitlopen? Waar gaan wij heen? Het volk, de massa’s, regeren. En er zal iemand komen, die de keuze zal zijn van de massa’s. Hij zal een wereldheerser zijn, een werelddictator.

De wetteloze

Deze man wordt in 2 Thessalonicenzen 2:8 “de wetteloze” genoemd:
“En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn (weder)komst.
Hij zal een man zijn die zich aan geen enkele wet zal houden, een “wetteloze”. In 2 Thessalonicenzen 2:7 kunnen wij lezen:
“Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er Iemand (Gods Geest, de Heilige Geest, wonend in Zijn waarachtige kinderen – AK) die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden (door de wegname en opname van Zijn kinderen) verdwenen is.”
In de Amplified Bible wordt deze verborgenheid omschreven als “dat verborgen element van rebellie tegen de gevestigde autoriteiten”.
Is dit element in de huidige wereld niet al volop werkzaam? En dit zal niet minder worden, maar toenemen, totdat de wetteloze zelf, de antichrist, zal worden geopenbaard. Deze zal orde op zaken stellen in de wereld en tegelijk aan de wensen van de massa’s voldoen. Die zullen hem aanbidden (lees Openbaring 13 + uitleg)!

Tekenen der tijden

Paulus schreef aan Timotheüs, in twee verschillende brieven, over de kenmerken van de laatste dagen:

  • “Maar de Geest zegt uitdrukkelijk dat in latere tijden sommigen afvallig zullen worden van het geloof en zich zullen wenden tot misleidende geesten en leringen van demonen, door huichelarij van leugenaars, die hun eigen geweten als met een brandijzer hebben toegeschroeid.” (1 Timotheüs 4:1-2)
  • “En weet dit dat in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken. Want de mensen zullen liefhebbers zijn van zichzelf, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedig, lasteraars, hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, kwaadsprekers, onmatig, wreed, zonder liefde voor het goede, verraders, roekeloos, verwaand, meer liefhebbers van zingenot dan liefhebbers van God. Zij hebben een schijn van godsvrucht, maar hebben de kracht ervan verloochend. Keer u ook van hen af. Want tot hen behoren zij die de huizen binnensluipen en vrouwtjes in hun macht krijgen die met zonden beladen zijn en door allerlei begeerten gedreven worden, die altijd leren en nooit tot kennis van de waarheid kunnen komen.” (2 Timotheüs 3:1-7)

Paulus voorzegde dat de mensen van het geloof zullen afvallen. Maar, zij zullen niet afvallen van een godsdienstige vorm! Zij zullen enkel de kracht ervan verloochenen. Zij zullen ook luisteren naar misleidende geesten, wat een mogelijke verklaring is voor wat achter veel van de huidige oproerig schuilgaat. Hij zei verder dat hun geweten dood zal zijn, dat zij trots, hebzuchtig, godslasteraars, de ouderen ongehoorzaam en zonder natuurlijke liefde zullen zijn. Zij zullen ook onverzoenlijk zijn. Letterlijk wil dit zeggen dat zij niet tot verzoening, tot bedaren of tot vrede te brengen zijn, maar dat zij onverzettelijk en voortdurend vijandig blijven. Is dit niet wat wij vandaag de dag steeds meer te zien krijgen? Verdorvenheid en ongehoorzaamheid aan God zal uiteindelijk leiden tot een politieke machtsovername door de massa’s. Jesaja schreef:
“Want het volk en het koninkrijk die u niet zullen dienen, zullen vergaan en die volken zullen totaal verwoest worden.” (Jesaja 60:12)

Een tijd van opschudding

In Hebreeën 12:26-27 voorzegt de schrijver, daarbij citerend uit het boek Haggaï, dat er een tijd zal komen waarin alles zal worden bewogen:
“Zijn stem bracht indertijd de aarde aan het wankelen. Nu echter heeft Hij openlijk verkondigd: Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde, maar ook de hemel doen beven. Dit ‘nog eenmaal’ duidt op de verandering van de dingen die kunnen wankelen als van dingen die gemaakt zijn, opdat de dingen die onwankelbaar zijn, zouden blijven.”
De dingen die deze wereldwijde opschudding zullen doorstaan, zullen blijven. De dingen die dit niet doorstaan, zullen weggenomen worden of verdwijnen. De gedachten en meningen van de mensen zullen bewogen en geschud worden als nooit tevoren. Volkeren zullen in grote opschudding geraken. Alle fundamenten, al de goddelozen, alle overheden zullen bewogen worden. Maar er zijn enige dingen die niet bewogen kunnen worden! Gods Woord kan niet wankelen en ook ons fundament kan niet wankelen, indien het de Rots Christus Jezus is en het Woord van God. Gods Koninkrijk en de Christelijke hoop kunnen niet omvergehaald worden. Zij zijn onwankelbaar. Wat is uw fundament? Wat is uw hoop?

Een glorieuze Gemeente/Kerk

Uit al die opschudding en verwarring zal God een Gemeente tevoorschijn brengen die glorieus, heilig en zonder vlek of rimpel is. Zij die ertoe zullen behoren, zullen één zijn van hart en zin door de Heilige Geest. Het zal een sterke Gemeente zijn en gezalfd met de Geest van God, een Gemeente/Kerk die de poorten van de hel overwint. Het zal een Gemeente zijn die vervuld is met al de volheid van God, een Gemeente die de Bruid van Christus zal worden.
Waar gaan wij heen?
Het hangt er geheel van af wáár u zich bevindt. De wereld heeft als bestemming om voorbij te gaan. Maar de Gemeente/Kerk die gebouwd is op de Rots Christus zal alle gewoel der tijden doorstaan. De vraag is eenvoudig:
Waar stáát u?

RR Cabe
Uit: Tempelbode, augustus 1985
Enigszins bewerkt door A. Klein

PDF (in tablet of smartphone-formaat)

***********************************************************************************

[1] Alle Bijbelteksten zijn door mij vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)

.

Geplaatst in Bijbelstudie, De antichrist(elijke tijd), de grote verdrukking, Eindtijdstudie, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (15): De priesterwijding

De verzoening van het altaar en het voortdurende offer
(Lees Exodus 29 en Leviticus 8)

Priesterwijding

De klederen (uit deel 14) hebben ons verteld hoe wij als kinderen Gods, en als arbeiders in het bijzonder, BEELDDRAGERS moeten zijn van Jezus, onze hemelse Hogepriester (Rom.8:29). Thans hebben wij in beschouwing te nemen hoe een arbeider Gods tot de dienst van zijn Heer moet worden gewijd.
Elke hogepriester en priester moest in de dienst van de tabernakel worden INGEWIJD. Dit wil in overdrachtelijke zin zeggen dat elke GEROEPEN arbeider van de Here tot de bediening van de Gemeente van God – na gereinigd te zijn in het Bloed van het Lam, na GEHEILIGD te zijn door Zijn Woord (Joh.17:17) en na zich VRIJWILLIG in toewijding aan zijn Heer te hebben gegeven – gesterkt en bekwaam gemaakt moet worden in en door de Heilige Geest (Hand.1:8).

Voor deze inwijding waren nodig:
1. een (volkomen) var (= jonge stier);     )
2. twee (volkomen) rammen                     )
–> een drievoudige dier-offerande;        )  Exodus 29:1-3 en Leviticus 8:1-4
3. een ongezuurd brood                             )
ongezuurde koeken met olie gemengd   )
ongezuurde vladen met olie bestreken   )
–> een drievoudige spijsofferande.         )
Deze 3-voudige offeranden vertellen ons dat de dienstbaarheid op Gods arbeidsveld geheel een zaak van God is, Die aan de ene kant ons leven – dat zich, na door Hem hiertoe geroepen te zijn, in toewijding wil geven – wil reinigen in Zijn verzoenend Bloed, maar aan de andere kant ons ook wil vullen en gemeenschap wil geven met Zichzelf, met Zijn Eigen Heerlijkheid (Joh.17:22).

Inleidende handelingen

Ritueel Betekenis
(1)
Zij moesten zich wassen (Exod.29:4, Lev.8:5-6).
WATERDOOP. Waarlijk deel hebben aan de dood van Christus. Een dienstknecht van God mag niet meer leven uit het oude, zondige leven, niet leven in bewuste zonden, maar moet daarvan AFGESTORVEN zijn (Rom.6:1-6).
(2)
Zij moesten zich kleden met de voorgeschreven gewaden (ziet vorig hoofdstuk). (Exod.29:5-6 + 8-9a, Lev.8:7-9 +13)
Alle heilige klederen moesten ze aangetrokken hebben, alvorens ze gezalfd werden (zie punt 3).
Het geestelijk kleed van de WEDERGEBOORTE aan de ene kant (Joh.3:3 en 5, 1Petr.1:23 + 1:4, Joh.13:34-35), en VOORTGEZETTE kruiswerkingen aan de andere kant (Joh.3:30). De Natuur en het Wezen van Christus moet in zulk een leven de overhand verkrijgen. Je moet een “overwonnene” van het Woord zijn. De volle rechtvaardigmaking moet aan een kind van God voltrokken zijn, vóór er sprake is van enige taak in het Heiligdom van God (1Tim.3:1-13, 2Tim.2:24-25, Tit.1:6-9, Matth.11:29, Joh.1:14 + 16-17).
(3)
Zij werden gezalfd (Exod.29:7, Lev.8:12).
DOOP met de Heilige Geest. Het is Gods wil dat IEDER kind van God met Zijn Geest worde gedoopt (Hand.2:38-39), als een onderpand van de eeuwige erfenis (Ef.1:13-14 + 5:17-18).
(4)
Hun handen moesten door Mozes worden gevuld (Exod.29:9b).
GEBEDSLEVEN. De Here Jezus vult ook de handen van Zijn met de Geest gedoopte kinderen en dienstknechten met Zijn zegen en kracht, evenzovele malen als zij in het gebed de handen tot Hem opheffen (1Tim.2:8). Deze zegen en kracht stroomt via de handen Gods kind en dienstknecht binnen. Via zijn handen ook worden anderen weer gezegend, als hij hen biddend de handen oplegt.
Dat Gods kinderen leren om in devotie hun handen ten hemel te heffen.

Het eigenlijke wijdingsfeest

Ritueel Betekenis
(5)
Een VAR werd tot een ZONDOFFER geofferd (Exod.29:10-14, Lev.8:14-17).
Gemeenschap met de Liefde Gods.
De Liefde Gods dreef Hem, in Christus, naar Golgotha (Joh.3:16) om daar VERZOENING te brengen voor de GANSE wereld (2Kor.5:19, 1Tim.2:4, Hebr.9:12).
Alzo moet elke dienstknecht van God alléén door deze Liefde Gods worden gemotiveerd om zijn leven te wijden aan de dienst der VERZOENING (2Kor.5:14-15 en 18). Deze Liefde Gods moet worden uitgestort in ons hart door de Heilige Geest (Rom.5:5). Gelijk deze Liefde Gods de Zoon vóór de grondlegging der wereld riep tot het Verlosser-schap (1Petr.1:20, Ps.40:7-9), alzo roept deze Liefde Gods elke arbeider in Christus tot zijn eigen bestemde taak in het Lichaam van Christus (Ef.4:11).
Aäron en zijn zonen moesten hun handen op het hoofd van de var leggen. Elke dienstknecht van God moet zich identificeren met deze verzoening en met deze Liefde Gods tot verzoening der wereld, de last der zonden (de last der verlorenen) in de Liefde Gods brengend voor Gods aangezicht.
Het bloed van de var moest bestreken worden op de hoorns van het altaar en al het bloed moest worden uitgegoten op de bodem van het altaar. Het Bloed van het Lam van God zal het berouwvolle hart, dat zich zo in het gebed tot Hem geeft, wassen; en door de Bloedstroom wordt het gans en al gereinigd (1Joh.1:7-9).
De var moest – behalve zijn vet, zijn nieren en het net over de lever – buiten de legerplaats worden verbrand. Jezus moest buiten Jeruzalem worden gekruisigd (Hebr.13:11-13).
Het vet, de nieren en het net over de lever moesten op het brandofferaltaar worden verbrand. Voor de gelovige is er GENADE op grond van deze verzoening, als zijn hart en leven deel wil hebben aan het zoenoffer van Gods Lam.
(6)
De EERSTE RAM werd ten brandoffer geofferd (Exod.29:15-18, Lev.8:18-21).
Dit brandoffer werd tot as.
Gemeenschap met de overgave van Jezus.
Jezus werd, door Zijn OVERGAVE in de dood, ons tot LEVEN gesteld (2Kor.5:21). Niet Zijn wil geschiede, maar des Vaders wil (Matth.26:39, Hebr.10:5-7, Ps.40:7-9). Net zo moet onze overgave aan de Here zijn. Ons GANSE wezen (lichaam, ziel en geest, Rom.12:1-3),onze wil (Matth.6:10), moet op Gods altaar geofferd worden ten BRANDOFFER, en dit offer moet worden VERTEERD tot AS!
Gods Geest moet onze wil voeren tot de hoogte van ‘s Vaders Wil.
De ingewanden en schenkels moesten worden gewassen. Zo moet ons INWENDIG als UITWENDIG leven (onze handel en wandel) gereinigd zijn, wil onze overgave oprecht zijn en blijven.
Het bloed van de ram werd rondom het altaar gesprenkeld. Ons hart moet onder de DEKKING (bewaring) blijven van Zijn dierbaar Bloed (1Thess.5:23).
(7)
De TWEEDE RAM werd tot een vuloffer geofferd (Exod.29:19, Lev.8:22).
Gemeenschap met de toewijding en kracht van Jezus. Typeerde de EERSTE RAM onze OVERGAVE in het voetspoor van de overgave van Jezus; de TWEEDE RAM typeert de PRIESTERWIJDING zelf, eveneens in het voetspoor van Jezus, immers hebben wij Zijn werk van VERZOENING voort te zetten, in Zijn zoete Naam en in de kracht van de Heilige Geest (2Kor.5:18-20, Matth.10:1).
Aäron en zijn zonen leggen de ram, alvorens geofferd te worden, de handen op. Dit typeert de GEMEENSCHAP met de WIJDING van Jezus, met het werk der verzoening, dat Hij op Golgotha principieel volbracht, maar die wij nu in Zijn Naam en in de kracht des Geestes aan de mensheid hebben uit te dragen.
Het bloed van de ram (Exod.29:20, Lev.8:23-24) werd bij Aäron en zijn zonen gestreken
– op hun rechteroorlapje,
– op de duim van hun rechterhand,
– op de grote teen van hun rechtervoet,
Verder werd het bloed op het altaar gesprenkeld “rondom heen”.
Voor zijn priesterdienst moet de ingewijde
– dezelfde gehoorzaamheid hebben aan de Vader als Jezus,
– dezelfde liefdevolle handel, en
– dezelfde liefdevolle wandel als die van Jezus.
Ja, zijn ganse hart (altaar) moet deze “toegerustheid” tot de dienst der verzoening kennen, net als het hart van Jezus (Luk.1:17d).
Het bloed van de ram, gemengd met zalfolie, werd gesprenkeld op de klederen van Aäron en zijn zonen (Exod.29:21, Lev.8:30). De “ZIELEKLEDEREN” (het karakter) van de ingewijde moeten dezelfde reine MOTIVATIE tot de dienst als Jezus kennen, namelijk die van de Liefde Gods in de kracht van de Heilige Geest.
Het vet met de staart, het ingewandsvet, het net van de lever, en nieren met het vet eraan en de rechterschouder, en daartoe:
– een ongezuurd bolbrood,
– een ongezuurde koek geolied brood en
– een ongezuurde vlade worden op de handen van Aäron en zijn zonen gelegd tot een VUL- en BEWEEGOFFER (Exod.29: 22-24, Lev.8:25-27).
De ingewijde wordt met Gods Kracht aangedaan TOT DE BEDIENING (waartoe hij/zij geroepen is). Frappant is, dat dan heel het inwendige en de schouders van de ingewijde ook KRACHTIG door Gods Geest WORDT BEWOGEN, hij wordt als het ware dronken van de Geest (Hand.2:13-15, Ef.5:18).
Hierna, ontvangt hij het “drievoudige Brood”, de Goddelijke bedieningsgaven tot de dienst der verzoening (het Woord der verzoening; Luk.11:5-8). Alzo VULT God zijn handen tot de priesterdienst, naar zijn roeping. Hij vult het hart met Zijn Kennis en Wijsheid.
Daarna werd dit hele “beweeg- en vuloffer” op het brandofferaltaar verbrand als een vuuroffer (Exod.29:25, Lev.8:28). De dienstknecht van de Here geeft God al de eer van de ganse bediening. Zijn hart wil in niets delen in de glorie van de ganse zalving; welke eer God ALLEEN TOEKOMT (Jes 42:8 en 48:11).
Wij zijn als dienstknechten des Heren slechts als de “ezel”, die Hem bij de intocht in Jeruzalem moest dragen en naar Jeruzalem moest brengen. Ook die ezel liep over de klederen en de palmtakken. Maar ALLE EER, waarin ze liep, gold de Here en niet haar. Laat ons ondanks alle zegeningen blijven blikken op Hem alléén en ALLES van Hem verwachten, opdat de zegeningen ons niet hoogmoedig en onvoorzichtig maken.
Daarna werd de BORST en de andere SCHOUDER van deze tweede ram, die eerst tot een vul- en beweegoffer was, de Here gebracht tot een HEF- en DANKOFFER (Exod.29:26-28, Lev.8:29). De DANK, LOF en PRIJS die wij – dronken zijnde van Zijn zegeningen – Hem brengen met opheffing der handen (1Tim.2:8).
Hoe belangrijk is dit deel van onze bediening in de Here, namelijk dat wij Hem ALTIJD alle lof en dank en prijs gaan brengen.
De zoon die Aäron op zal volgen moet zijn klederen 7 dagen dragen, in dezelve wordt deze dan gezalfd (Exod.29:29-30). Zo moet het karakter van elke dienstknecht van Christus voortschrijden tot de volmaaktheid in Hem bereikt is. 7 is het getal van de PERFECTIE (Luk.6: 40). In het Laatste der dagen zal de Bruid van Christus worden gevoerd naar haar perfectie (Openb.12:1) en in het bijzonder geldt dit de vrucht van haar schoot, die er na de Bruiloft zal zijn door de “bevruchting” van de Bruidegom, de 144.000 (Openb.14:1-5 + 7:1-8) .
Het gezouten vlees van de ram en het brood van de offers ter wijding zullen Aäron en zijn zonen bij de deur van de tent der samenkomst eten. Niemand anders mocht van dit heilige eten. Wat over was moest worden verbrand (Exod.29:31-35, Lev 8:31-32). De dienstknechten van de Here, die het Evangelie bedienen, mogen van het Evangelie leven (1Kor.9:7-14, Matth.10:10). Toch zullen zij, als goede rentmeesters, de Evangeliegelden goed moeten beheren en die moeten besteden naar des Heren wil; namelijk, enkel en alleen tot bevordering van de Evangelische arbeid.

Roeping GodsResumerend komen wij tot de slotsom, dat:

  • gemeenschap met de VAR wil zeggen: gemeenschap met Zijn Liefde als de enige motivatie en drijfveer tot redding en verzoening van de in de zonde verloren mensheid;
  • gemeenschap met de 1ste RAM wil zeggen: gemeenschap met Zijn OVERGAVE tot het doen van het GODDELIJKE werk waar, wanneer en onder welke omstandigheden ook;
  • gemeenschap met de 2de RAM wil zeggen: gemeenschap met Zijn TOEWIJDING, Zijn KRACHTEN, Zijn VERMOGEN om het door God gestelde doel – met ons aandeel in het werk – te kunnen volbrengen;
  • gemeenschap met de 3 “BRODEN” wil zeggen: de nodige gemeenschap met het Goddelijke Brood des Levens, opdat onze woorden en daden de zondige mensheid tot REDDING, tot GEESTELIJKE SPIJZE en tot ZEGEN zij (Luk.11:5).
    Alzo wordt waar, wat Paulus – onder de zalving van de Heilige Geest – schreef: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef; doch niet meer ik, maar Christus LEEFT IN MIJ… (Gal.2:20).
(8)
De INWIJDING van de nieuwe hogepriester moest 7 dagen herhaald worden. Ook het brandofferaltaar moest 7 dagen worden geheiligd. (Exod.29:36-37, Lev.8:33-36).
7 is het getal van de PERFECTIE.
Het brandofferaltaar typeert, zoals wij weten, het menselijk hart dat gereinigd moet worden in het Bloed van het Lam Gods, waar de var een typering van vormt. Ook deze hogepriesterwijding moest perfect zijn (7 dagen lang, elke dag een var, een brandoffer en een vuloffer), want het dienende hart moet de EEUWIGE VERLOSSINGEN in Zijn Bloed smaken (Hebr.9:12) en in Zijn reiniging en verlossingen BLIJVEN. Ook die 7-malige besprenkelingen met het bloed van de offerdieren op de Grote Verzoendag (Lev.16:18-20) wijzen op deze perfecte reiniging in Zijn Bloed. De zalving van het altaar wijst op de zalving met de Geest.
(9)
Exodus 29:38-46.
Het GEDURIGE offer: DAGELIJKS:
– ‘s morgens (9 uur) een éénjarig, volkomen lam;
– tussen twee avonden (3 uur) een éénjarig volkomen lam.
Bij de lammeren worden geofferd: als spijsoffer: 1/10 dl. meelbloem, gemengd met ¼ hin (1 hin = 6,5 liter) gestoten olie, als drankoffer: ¼ hin wijn.
Door dit GEDURIG OFFER zal de Here tot de kinderen Israëls komen en tot hen spreken en door dit WOORD GODS worden ze dan GEHEILIGD.
Dan worden ook de BEDIENAREN, Aäron en zijn zonen geheiligd, opdat zij het priesterambt bedienen.
Te midden van dit geheiligde Israël wil God WONEN en Hij zal hen tot een God zijn.
VOORTDUREND moet de knecht van God zijn hart aan God TOEWIJDEN en het Offer des Heren op zijn hart dragen tot voortdurende reiniging en heiliging ervan. De lammeren en daartoe het meel, de olie en de wijn, doen ons denken aan het eens-en-voor-altijd geslachte Paschalam, dat met brood en wijn gegeten werd (Exod.12:8, Luk.22:7-8 en 14-20).
Ook doen ze ons denken aan ONS Heilig Avondmaal. Alzo door dit Bloed GEHEILIGD, heeft de dienstknecht van God VOORTDUREND voor Gods aangezicht de wacht te houden, opdat hij de BOODSCHAP van God verneme en hij die in Jezus’ Naam doorgeve aan de Gemeente, opdat de Gemeente door Gods Woord GEHEILIGD worde (Joh.17:17) en hierdoor God te midden van Zijn kinderen kan wonen door de DOOP en VERVULLING des GEESTES (2Kor.6:16-18 + 7:1).

Wij zien uit het voorgaande, dat de GANSE bediening van de dienstknecht Gods UIT God is en DOOR God is, om de mensheid wederom TOT God te brengen (Rom.11:36).

.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

 

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel
  9. De DEUR en de heilige zalfolie
  10. De Tafel met Toonbroden
  11. De GOUDEN 7-voudige KANDELAAR
  12. Het REUKALTAAR en het reukwerk
  13. De HEILIGE driehoek van Gods arbeid in ons
  14. (14a): De geestelijke heerlijkheids-klederen van Christus – waar ook Gods dienaren in hebben te wandelen om te kunnen dienen + (14b)

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Gehoorzaamheid aan God, Getuige-zijn, Heiligmaking, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Werkers in Gods dienst, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Boekbespreking 67: Christus wederkomst als Koning en Rechter

Christus wederkomst als Koning en Rechter kleur

De diep zondige eindtijd en Gods naderend eind-oordeel !

“En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen. Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven tot de dag, op welke Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen. Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Maar op de dag, op welke Lot van Sódom uitging, regende het vuur en sulfer (= zwavel) van de hemel, en verdierf ze allen. Even alzo zal het zijn in de dag, op welke de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.” (Lukas 17:26-30 + uitleg)
Wij leven in de tijd van Jezus’ wederkomst! Zelfs wereldlingen voelen aan en geleerden wijzen erop, dat het einde van vele dingen daar is. Maar wij, als “kinderen des daags” zijn ons des te meer bewust van het einde van deze genadebedeling. Dit weten wij door Gods Woord te toetsen aan de tekenen der tijden. Ook weten wij uit dit Woord, dat de tijd van het einde geen gemakkelijke tijd is. O, nee! Ook, dat de tijd van het einde een ZONDIGE tijd is, zoals het was in Noachs dagen vóór de zondvloed, en in Lots dagen vóór het vuur en zwavel regende uit de hemel. Laat ons, uit Gods Woord, zien hoe de wereld in Noachs dagen eruit zag.
“En de Heere zag, dat de boosheid (het uit ‘de boze’ zijn) van de mensen menigvuldig was op de aarde, en al de gedachtenspinsels van hun hart te allen dage alleen boos was. Toen berouwde het de Heere, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. En de Heere zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb verdelgen van de aardbodem, van de mens tot het vee, tot het kruipend gedierte; en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. Maar Noach vond genade in de ogen des Heeren. (Gen.6:5-8)
U ziet, vrienden, net als in de dagen van Noach, alzo is het heden ten dage. Er is dieper wordende zonde-duisternis in onze huidige wereld. En God zendt Zijn oordelen hierover en zal tenslotte, net als in Noachs dagen, ALLEN VERDERVEN die de zonde liefhebben en doen.
Ook de zonden van de steden Sódom en Gomórra waren dusdanig, dat ze ten hemel schreeuwden om wraak! Ook onze huidige wereld geraakt in dezelfde zondige staat en ondergaat een zelfde oordeel als de wereld van destijds: “God verdierf ze allen!”
Het Boek Openbaring, sprekend over de eindtijd, de tijd waarin wij leven, kondigt 3×7 oordelen van God aan: 7 zegeloordelen van de Heilige Geest, 7 bazuinoordelen van de Zoon, en 7 fiooloordelen (de eind- of totaaloordelen) van de Vader. Het zijn oordelen die elk doorwerken tot het einde toe en zodoende elkaar overlappen. Met de beëindiging van het laatste zegel, de laatste bazuin en de laatste fiool komt Jezus als Koning en Rechter op de wolken des hemels terug en zal ze ALLEN VERDERVEN, geheel die antichristelijke wereld die het teken van het beest heeft ontvangen aan het voorhoofd of aan de hand (Openb.14:9-10). Hun lichamen zullen verast worden door de rijzende Zon van Gods gerechtigheid, want de hitte van Zijn gerechtigheid zullen zij niet kunnen verdragen: “Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal. U daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren. En gij zult de goddelozen vertreden; want zij zullen as worden onder de zolen van uw voeten, te dien dage, die Ik maken zal, zegt de HEERE der heirscharen.” (Mal.4:1-3)
God heeft echter geen lust in de dood van de goddelozen, maar wel in hun bekering: “Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?” (Ezech.33:11)
Daarom roept Hij tot Zijn volk en tot de mensheid van de laatste dagen, dat zij zich bekeren. Hij doet dit door Zijn inleidende oordelen, die tot BEKERING roepen; Zijn besluitende oordelen echter zijn tot VERNIETIGING van de mensen die in de duisternis van de zonde wensen te blijven. Want Hij moet de aarde (toe)bereiden voor haar nieuwe taak: die van het 1000-jarige Rijk!
God spreekt ons eerst toe, daarom beginnen de zegeloordelen ook met het WITTE PAARD en zijn Ruiter (Openb.6:1-2), dat de wereld van de laatste dagen brengt in het witte licht van Gods openbarend Evangelie, van Zijn Koninkrijk, waardoor de mensen bewust worden gemaakt van hun zonden en Gods dreigende doem, maar ook van Gods uitnemende GENADE bij hun algehele bekering. Zo brengt het WITTE PAARD oordeel over de zonden en spreekt het Gods oordeel uit over de onbekeerlijke zondaars, maar het brengt ook OPWEKKINGSKRACHT aan allen die zich van harte bekeren!
Maar als het volk van de eindtijd aan Gods vermanend Evangelie geen gehoor wil geven, dan komen de “zweepslagen”: oorlogen, hongersnoden, pestilentiën, dood en verderf! Jezus’ profetie van de laatste dagen (lees Matth.24) heeft ons van deze duisternis reeds verteld en in harmonie hiermee zijn de resterende zegeloordelen, de bazuinoordelen en de fiooloordelen uit het Boek Openbaring. De duivel krijgt dan zijn gelegenheid om met zijn horden te heersen over een mensheid, die Jezus’ liefdesheerschappij heeft verstoten en de tirannie van de satan heeft verkoren!
U ziet het, Gods lankmoedigheid, liefde en genade nemen spoedig een einde, de deur tot genade wordt dichtgedaan, de tijdsbedeling van Gods uitnemende genade wordt spoedig beëindigd en wordt besloten door de eindoordelen Gods.
Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God. (Hebr.10:31)
In deze zondige en om oordeel roepende tijd van het einde leeft er een Christelijke Gemeente/ Kerk, die door Gods Woord wordt getypeerd door de “Gemeente van Laodicea” (Openb.3:14-22). Het is een lauwe Kerk, die in haar zelfvoldaanheid denkt er wel te komen en Gods zaligheid wel denkt te verkrijgen, terwijl Gods Woord ons waarschuwt om erom te STRIJDEN en daarbij zegt, dat zelfs “de rechtvaardige ter nauwernood zalig wordt”:

  • Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen.” (13:24)
  • “En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen? (1 Petr.4:18)

Gods oordeel over de “Gemeente van Laodicea” is dan ook ondubbelzinnig:
“Gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm en blind en naakt! (Openb.3:17b)
Toch weet God ook uit deze “lauwe” Kerk Zijn OVERWINNAARS te vinden en Zijn Bruidsgemeente te vormen, Zijn GEZALFDEN (Openb.12:1) door wie Hij in opstandingskracht zal weten te werken tot de einden der aarde toe (Matth.24:14).
Laat ons nu die “grote” en voor zondaren “zeer vreselijke Dag” van Zijn Wederkomst in beschouwing nemen aan de hand van Habakuk 3:1-19.

  • KLIK HIER als u deze studie verder wilt lezen of downloaden

E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

.

Geplaatst in Bijbelstudie, Boek/studiebespreking, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, De antichrist(elijke tijd), de grote verdrukking, Eindtijdstudie, Oordelen Gods, Studie van E van den Worm, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (14b): De geestelijke heerlijkheids-klederen van Christus – waar ook Gods dienaren in hebben te wandelen om te kunnen dienen

De vierkante borstlap des gerichts met de Urim en Thummim

1_(40)De beschrijving van de vierkante borstlap des gerichts vinden wij in Exodus 28 vers 15-29 (HSV):
“Vervolgens moet u een borsttas van de beslissing (SV: borstlap des gerichts) maken, werk van een kunstenaar. U moet hem maken op dezelfde manier als de efod: van goud, van blauwpurperen (SV: hemelsblauw), roodpurperen, en scharlakenrode wol, en van dubbeldraads fijn linnen moet u hem maken. Vierkant moet hij zijn en dubbelgevouwen, zijn lengte moet een span zijn en zijn breedte een span. Dan moet u hem opvullen met een edelsteenvulling, 4 rijen edelstenen: een rij van een robijn, een topaas en een karbonkel; dit is de eerste rij. De tweede rij: een smaragd, een saffier en een diamant. De derde rij: een hyacint, een agaat en een amethist. Ten slotte de vierde rij: een turkoois, een onyx en een jaspis; ze moeten in hun zettingen in goud gevat zijn. En de stenen moeten 12 in getal zijn, overeenkomstig de namen van de zonen van Israël, overeenkomend met hun namen. De stenen moeten zegelgraveringen krijgen, ieder met zijn naam. Zij zijn voor de 12 stammen bestemd. Verder moet u op de borsttas ineengedraaide kettinkjes maken, vlechtwerk van zuiver goud. Vervolgens moet u op de borsttas 2 gouden ringen maken, en de beide ringen vastmaken aan de 2 uiteinden van de borsttas. Dan moet u de beide gevlochten gouden kettinkjes vastmaken aan de 2 ringen aan de uiteinden van de borsttas. Dan moet u de 2 andere uiteinden van de beide gevlochten kettinkjes vastmaken aan de 2 kassen (SV: kastjes). U moet ze vastmaken aan de schouderstukken (SV: -banden) van de efod, aan de voorkant ervan. U moet nog 2 gouden ringen maken en ze bevestigen aan de beide andere uiteinden van de borsttas, op de zoom ervan, die aan de kant van de efod, aan de binnenkant ligt. Daarna moet u nogmaals 2 gouden ringen maken en ze vastmaken aan de beide schouderstukken van de efod, van onderen af, aan de voorkant, dicht bij zijn verbinding, boven op de kunstige band (SV: riem) van de efod. Men moet verder de borsttas met zijn eigen ringen aan de ringen van de efod vastbinden met een blauwpurperen koord (SV: snoer), zodat hij boven de kunstige band (riem) van de efod vastzit en de borsttas niet van de efod kan losraken. Zo zal Aäron de namen van de zonen van Israël op de borsttas van de beslissing (borstlap des gerichts), op zijn hart dragen, als hij in het heiligdom binnenkomt, tot een voortdurende gedachtenis voor het aangezicht van de HEERE.”
Over de 2 schouderstenen, die met de borstlap verbonden zijn door middel van 2 gedraaide gouden kettinkjes, staat er geschreven in Exodus 28:9-14; over de Urim en Thummim in Exodus 28:30. 1_(41)De borstlap werd gevormd door 2 vierkante lappen, van een span (= de afstand tussen duim en pink bij een uitgestrekte hand, ca. 20 cm.) lengte en breedte in dezelfde kleuren van de efod, die samen een zak vormden, waarin de Urim en Thummim (waarover later meer) waren verborgen. Op deze lap waren 12 verschillende edelstenen , gevat in gouden kastjes, bevestigd.
Deze borstlap typeert de vierkante stad, het Nieuwe Jeruzalem, (de Bruid van Christus; Openb.21:9-27 + uitleg), dat hier de ganse Gemeente des Heren vertegenwoordigt.
Op de 12 stenen waren de namen van de 12 STAMMEN van Israël gegraveerd (Exod.28:21), het ganse VOLK van God – over de gehele wereld, en van alle eeuwen – symboliserend.
Zo hebben wij als kinderen Gods, en als ARBEIDERS Gods in het bijzonder, de Gemeente van God – samen met Jezus – “op ons hart” te dragen, de Gemeente lief te hebben (1Petr.2:17, Ef.4:11-16), haar te verzorgen en op te bouwen, en haar te vormen uit de gekochte zondaren van deze wereld, net zoals wij – door Jezus – bewogenheid moeten hebben voor het verlorene in deze wereld.
12 is het (Bijbelse) getal van de Gemeente. Dit getal is opgebouwd uit 3×4: de Godheid (getal 3) heilwerkend in de 4 windstreken der wereld. Het resultaat hiervan is de wereldwijde Gemeente van alle tijden.
Deze borstlap was met gouden, gedraaide kettinkjes verbonden (met de 2 schouderbanden) met daarop de 2 “schouderstenen”, die ook in goud waren gevat. In deze 2 schouderstenen waren de namen (6 per steen) van de 12 ZONEN Israëls gegraveerd (Exod.28:9-11). Zo draagt ook Jezus alle arbeiders en leiders van de Gemeente op Zijn Goddelijke schouders en schenkt hun Zijn Kracht, de kracht van de Heilige Geest; evenals wij alle waarachtige mede-arbeiders met ons hebben te waarderen en lief te hebben en met hen hebben samen te werken tot opbouw van het ganse Lichaam van Christus (Ef.4:16).
Deze “schouderstenen” waren met gouden, gedraaide kettinkjes verbonden met de borstlap. Zo is de Gemeente door de Liefde Gods verbonden met haar rechtgeaarde arbeiders en met haar voorgangers in het bijzonder en ontvangt ze door de werkingen der Liefde, in de kracht Gods, haar aanzien en wasdom (Ef.4:16, Zach.4:1-6 – Noot: in dit gezicht/visioen van Zacharia van de gouden kandelaar [beeld van de Gemeente] vormen de 7 “pijpen” de arbeiders Gods die als 7 doorvoerkanalen, van Gods gouden genade en kracht, dienst doen).
De borstlap was ook met 2 hemelsblauwe snoeren verbonden met de kunstige riem van de efod. De riem typeert “dienstbaarheid aan God”. Zo kent de hele Gemeente een leven van DIENSTBAARHEID aan God en wel in OPSTANDINGSKRACHT (Luk.1:74-75).
Wat de “Urim” en “Thummim” waren, weet men niet. Wel zaten deze voorwerpen in de borstlap des gerichts. “Urim” betekent “lichten”; “Thummim” betekent “volmakingen”.
God is LICHT (1Joh.1:5) en wij worden geleid, in alle volmaaktheid, door de Heilige Geest (1Kor.6:11). Zo vormen deze Urim en Thummim, samen met de hogepriester, een heenwijzing naar de Drie-eenheid, naar de Vader, naar de Zoon als onze hemelse Hogepriester, en naar de Heilige Geest, Die in hun Drie-Eénheid het werk van de Gemeente (de “borstlap”) dragen en bezielen. Ze vertellen ook van het “woning-maken” van de Drie-Enige God [1] in de Gemeente en bij de kinderen Gods (Joh.14:23).

De rok vol oogjes

hogepriester2“Gij zult ook een rok vol oogjes maken, van fijn linnen; gij zult ook de hoed van fijn linnen maken; maar de gordel zult gij van geborduurd werk maken.” (Exod.28:39a, SV)
Wijst de EFOD naar de kruisdood van Christus en onze gemeenschap ermee, de MANTEL van de EFOD naar de opstanding van Christus en onze gemeenschap met Zijn opstandingsleven, de WITTE ROK VOL OOGJES symboliseert Zijn hemelvaart en onze gemeenschap met Zijn Hemelleven.
In Handelingen 1:9-11 wordt ons verteld van Zijn hemelvaart, tot de hemelse Wolk Hem wegnam voor de ogen van Zijn discipelen. De Bijbel vertelt ons hier niet over Zijn glanzend witte kleding, die Hij bij die gelegenheid aan moest hebben gehad, maar wij weten dat de hemelse klederen, witte klederen zijn (Openb.7:14), daar zij klederen zijn der gerechtigheid (Openb.19:8 + 15:6).
In Daniël 7:13-14 zien wij het vervolg van de abrupt afgebroken “hemelvaarts-film” (uit Hand.1:9-11), waar Christus – van God de Vader – heerschappij, eer en het Koninkrijk ontvangt over alle volken, natiën en tongen.
In typerende zin ging de hogepriester op de Grote Verzoendag ook – ontdaan van EFOD en MANTEL en enkel in zijn witte rok vol oogjes – het allerheiligdom binnen met het bloed van de var en het bloed van “de bok voor de Here” (Lev.16:3-4 + 11-17). Het waarom hiervan is gelegen in de geestelijke achtergrond van deze dingen. Immers “DOOD” en “OPSTANDING”, die door de EFOD en de MANTEL van de EFOD worden gesymboliseerd, zijn dan voor de Messias achter de rug en dus is deze (toe)gang, éénmaal per jaar, in het allerheiligdom een typerend beeld van de hemelvaart van Christus, waar de WITTE ROK VOL OOGJES ook van spreekt.
Het is een witte rok VOL OOGJES; het is een hemelleven in de Volheid van de Heilige Geest (Openb.4:8 + 5:6). Voortaan zou Christus, vanuit de hemeltroon, de Heilige Geest tot en in Zijn kinderen zenden en door de Heilige Geest heen al het aardse werk aanschouwen en beleven (Joh.14:15-17 en 16:8 + 13-14). Ook de steen van Josua (Zach.3:9) spreekt van vervulling en leiding van het kind van God door de Heilige Geest.
Wij zien hier een WITTE rok vol OOGJES. Wij zien hier dat een hemel-wandel (Filip.3:20), reeds hier op aarde in de geest, gepaard gaat met VOLHEID des Geestes aan de ene kant en met REINHEID, HEILIGHEID en GERECHTIGHEID aan de andere kant. God wil een HEILIG volk hebben (1Petr. 2:5+9) en door dit heilige volk heen wil Hij tot deze wereld spreken en haar leiden in de, door Jezus Christus aangebrachte, VERZOENING met God (2Kor.5:19-20). Pinksteren [2] is daarom een beweging die, in waarheid, Gods volk in Zijn HEILIGHEID moet leiden!
Hoeveel te meer zal ons leven in de eeuwige hemelse heerlijkheid, in Zijn heerlijk Koninkrijk, een leven zijn in de witte gerechtigheid en liefde van God aan de ene kant en in de volheid en kracht van Zijn Heilige Geest aan de andere kant (Openb.21:1-7).

De kunstige riem van de efod

Wij kunnen hierover lezen in Exodus 28 vers 8 (SV):
“En de kunstige riem van zijn efod, die op hem is, zal zijn gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.”
Deze riem – die dezelfde kleuren heeft als de efod – houdt “efod”, “blauwe mantel” en “witte rok vol oogjes” tezamen. Omdat deze riem dezelfde kleuren draagt als de efod spreekt ook deze riem van de VLEESWORDING van Christus. Geestelijk gezien wil deze riem, die deze 3 klederen (of kledingstukken) tezamen hield, zeggen dat de vleeswording van Jezus Christus dood, Opstanding en Hemelvaart omvat.
Zijn dood vraagt ook van ons een STERVEN met Hem (Rom.6:1-8) door onze BEKERING, OVERGAVE en WASSING in Zijn Bloed;
Zijn opstanding vraagt ook van ons een OPSTAAN in het NIEUWE LEVEN, in heiligheid en liefde met Hem; dingen, waar ook onze WATERDOOP van spreekt;
Zijn heerlijkheidsleven in de hemelen vraagt ook van ons een leven in de HEERLIJKHEID van de Heilige Geest (doop, vervulling en manifestatie) en later een TOEGANG in Zijn Eeuwige Heerlijkheid.
Het Israëlitische Pascha-PINKSTEREN en LOOFHUTTENFEEST vertellen ons van deze heilsgeheimen. Net als ons (Christelijke) Pasen, Pinksteren en Opname in Heerlijkheid, bij Zijn Wederkomst.

De hoed met de gouden plaat

Wij kunnen hierover lezen in Exodus 28 vers 36-39 (SV):
Verder zult gij een plaat maken van louter goud, en gij zult daarin graveren, gelijk men de zegels graveert: De HEILIGHEID DES HEEREN! En gij zult dezelve aanhechten met een hemelsblauw snoer, alzo dat zij aan de hoed zij; aan de voorste zijde van de hoed zal zij zijn. En zij zal op het voorhoofd van Aäron zijn, opdat Aäron drage de ongerechtigheid der heilige dingen, welke de kinderen Israëls zullen geheiligd hebben, in alle gaven hunner geheiligde dingen; en zij zal gedurig aan zijn voorhoofd zijn, om henlieden voor het aangezicht des HEEREN aangenaam te maken. Gij zult ook een rok vol oogjes maken (HSV: het onderkleed weven), van fijn linnen; gij zult ook de hoed van fijn linnen maken; maar de gordel zult gij van geborduurd werk maken.
De hogepriester droeg op zijn hoed of muts een GOUDEN PLAAT met daarop gegraveerd: De Heiligheid des Heren”. Met deze gouden plaat moest de hogepriester alle ongerechtigheid van de gaven en offeranden van Israël wegnemen (dragen) en ze HEILIGEN. Alzo had Jezus de Heiligheid van de Vader, Zijn Heilige Wil, steeds in Zijn gedachten, die Hem naar Golgotha dreef tot verzoening van alle ongerechtigheid en om ons te maken tot KINDEREN en HEILIGEN Gods!
Alzo moeten ook WIJ Gods Heilige Naam voortdurend op ons voorhoofd dragen (Openb.3:12 + 7:3 + 14:1 + 22:4) en Zijn HEILIGE WIL indachtig en onze gedachten REIN zijn (Kol.3:1-3); immers, daar is ook onder de ganse hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven, door Welke wij moeten zalig worden (Hand.4:12) als juist de Naam van Here Jezus Christus, de drie-énige Naam van onze drie-énige God, die tot ons komt in de volheid van Zijn verzoening.
In deze drie-énige Naam zijn wij gedoopt door onderdompeling in water (Matth.28:19, Hand.2:38 + 10:48 + 19:5), deze drie-énige Naam moet ons hart en hoofd vervullen (Ef.1:13-14 + 5:17-20) in de kracht van de Heilige Geest. Dan zullen wij Hem loven en prijzen en aanbidden en dienen in heiligheid en gerechtigheid, omdat deze Heilige Naam onze ongerechtigheden zal hebben weggedragen.

De rok van de priesters

Exodus 28:40-41 spreekt van “(priester)rokken” (HSV: onderkleren) met gordels en mutsen voor de priesters, waar deze in moesten dienen en die hen tot “heerlijkheid” en tot “sieraad” moesten strekken.
Ook wij zullen deze WITTE klederen van REINHEID in GERECHTIGHEID aan moeten hebben om te kunnen dienen en om binnen te kunnen komen in de Bruiloft van het Lam van God (Matth.22:11-13, Openb.19:7-8).

De linnen onderbroeken

Tenslotte handelt Exodus 28:42-43 over “linnen onderbroeken”. De heerlijkheids-klederen van hogepriester en priesters mochten niet gedragen worden zonder dat “het vlees der schaamte” (HSV: de schaamdelen) bedekt was met deze linnen onderbroeken. Dit wil zeggen, dat wij de geestelijke heerlijkheids-klederen pas zullen dragen, NADAT wij zijn opgehouden te wandelen naar de begeerten van het vlees (2Petr.1:4).

Tabernakel symbolieken blz 52
De priesterlijke kleding

.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

 **********************************************************************************

[1] In Deuteronomium 6:4 staat: “Luister, Israël! De HEERE, onze God; de HEERE is één! (dus één Persoon!)
Dit wordt ook onderschreven door het feit, dat de beide cherubs en het verzoendeksel uit één brok goud moesten worden gesmeed (= geslagen) (zie Exodus 25:18). De beide cherubs en het verzoendeksel beelden onze almachtige God in Zijn 3 openbaringsvormen uit. De cherubs beelden de Vader en de Heilige Geest uit, en het verzoendeksel beeldt het Lam, de Zoon van God uit. Gods wezen is een EENheid. Hij is één Wezen, één Persoon. De leer, dat God uit 3 Personen bestaat, is een dwaling. Het is dus beter te spreken van de 3 Openbaringsvormen van God, te weten:
de 1ste Openbaringsvorm van God: de Vader
de 2de Openbaringsvorm van God: Jezus, de Zoon
de 3de Openbaringsvorm van God: de Heilige Geest.
Net zoals wij mensen ook bestaan uit: lichaam, ziel en geest. (noot AK)
[2] Pinksteren = Waarmee hier vooral (Pinkster)gelovigen worden bedoeld, waar de Pinksterboodschap en de Pinksterervaring –dus: de boodschap over en de ervaring van de uitstorting van en/of de vervulling met de Heilige Geest– gepredikt en ervaren wordt. (noot AK)

.

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel
  9. De DEUR en de heilige zalfolie
  10. De Tafel met Toonbroden
  11. De GOUDEN 7-voudige KANDELAAR
  12. Het REUKALTAAR en het reukwerk
  13. De HEILIGE driehoek van Gods arbeid in ons
  14. (14a): De geestelijke heerlijkheids-klederen van Christus – waar ook Gods dienaren in hebben te wandelen om te kunnen dienen

.

 

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Geestelijke groei, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Israël/huis van Israël, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Werkers in Gods dienst, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (14a): De geestelijke heerlijkheids-klederen van Christus – waar ook Gods dienaren in hebben te wandelen om te kunnen dienen

Tabernakel symbolieken blz 50

Elke arbeid in Christus moet worden volbracht, NIET naar de wil en de lust van de MENS, maar naar de HEILIGE roeping van God (Hebr.5:1-4, Matth.9:37-38, Luk.10:2).
In het Oude Verbond was, te midden van het volk Israël, de stam van Levi en waren in het bijzonder Aäron en zijn zonen (ook Levieten) hiertoe geroepen (Exod.28:1, Num.18:1-7), hoewel het hele volk “een priesterlijk koninkrijk (een koninkrijk van priesters), een heilig volk” genaamd werd (Exod.19:5-6).
Zo ook zien wij dit in het Christendom. Hoewel het ganse Christendom “een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk” genoemd wordt (1Petr.2:9), zien wij toch de “geroepenen Gods” functioneren als Gods Nieuwtestamentische priesters en Zijn “Lichaam” vormen om de “bediening der verzoening” de wereld in te dragen (2Kor.5:17-21, 1Kor.12:28-31 + 3:9-15, Ef.4:11-16).
Christus is onze hemelse Hogepriester. Het “Lichaam van Christus”, een organische eenheid met Hem vormend (Rom.6:5, Kol.1:18), zal alzo de geestelijke klederen van de Hogepriester Zelf dragen, omdat het –in de kracht van de Heilige Geest– het werk op aarde –in de Naam van Jezus, onze verrezen en ten hemel gevaren Heiland– moet verrichten.
Laat ons hierbij goed bedenken dat Gods Nieuwtestamentische dienstknechten – door de ZALVING Gods – geestelijk gekleed gaan met Zijn heerlijkheids-klederen (Joh.17:22, Jes.60:1-3, Exod.40:15). Ook dat zij deze HEERLIJKHEID Gods enkel en alleen maar mogen dragen om de ganse Gemeente van God uit deze wereld te helpen vormen en dienstbaar te zijn, opdat door dezulken heen, en elk naar zijn roeping, de ganse gemeente gezegend moge worden met alle zegeningen van de hemel (Ef.1:3 – Vergelijk in dit licht de 7×7 pijpen (of: toevoerbuisjes), die de 7-voudige kandelaar voeden, in Zacharia 4:2), opdat “God zij alles en in allen”.
De zalving Gods mag NIET strekken tot HEERSCHAPPIJ over het Erfdeel des Heren (2Kor.1:24, Matth.20:25-26, 1Petr.5:2-3)!
Laat ons daarom de KLEDEREN van Israëls HOGEPRIESTER in ogenschouw nemen en de geestelijke betekenis ervan leren kennen, omdat ze ons vertellen van de geestelijke wandel des Heren van elk van Zijn kinderen en van Zijn mede-arbeiders in het bijzonder (Exod.28:1-43).
De hogepriesterlijke kleding bestond uit:

  • de efod;
  • de blauwe mantel van de efod;
  • de vierkante borstlap des gerichts, met de Urim en de Thummim;
  • de rok vol oogjes;
  • de riem van de efod;
  • de hoed.

.

De efod

HogepriesterHier kunnen wij de beschrijving van vinden in Exodus 28 vers 1-8 (HSV):
“Wat u betreft, laat uw broer Aäron en zijn zonen die bij hem zijn, bij u komen uit het midden van de Israëlieten om Mij als priester te dienen (SV: om Mij het priesterambt te bedienen): Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron. Dan moet u voor uw broer Aäron geheiligde kleding maken om hem waardigheid en aanzien te geven (SV: tot heerlijkheid en tot sieraad). En ú moet spreken tot allen die wijs van hart zijn, die Ik met een geest van wijsheid vervuld heb, dat zij de kleding van Aäron moeten maken om hem te heiligen, zodat hij Mij als priester kan dienen. Dit zijn dan de kledingstukken die zij moeten maken: een borsttas (SV: borstlap), een efod, een bovenkleed (SV: een mantel), een onderkleed van bewerkte stof (SV: een rok vol oogjes), een tulband (SV: een hoed)  en een gordel. Zij moeten namelijk voor uw broer Aäron en voor zijn zonen geheiligde kleding maken om Mij als priester te dienen. En zíj moeten daarvoor het goud en de blauwpurperen (SV: hemelsblauw), de roodpurperen, en de scharlakenrode wol en het fijn linnen nemen. Vervolgens moeten zij de efod maken van goud, van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en van dubbeldraads fijn linnen, werk van een kunstenaar (SV: van het allerkunstigste werk). Hij moet twee schouderstukken (SV: -banden) hebben die de efod aan zijn beide uiteinden bijeenhouden, zodat hij één geheel vormt. En de kunstige band van zijn efod die erop vastzit, moet op dezelfde manier gemaakt worden en er één geheel mee vormen: van goud, blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en dubbeldraads fijn linnen.”
De EFOD werd gemaakt van gouddraad, hemelsblauw, purper, scharlaken draden en fijn (getweernd wit) linnen; welke kleuren, zoals wij gezien hebben, Christus typeren in Zijn aardse wandel en bediening; in Zijn Koninklijke GENADE (purper); in Zijn DIENSTBAARHEID aan de Vader en de Heilige Geest en in Zijn Goddelijke LIEFDE, die Zich deed offeren als Lam van God (scharlaken); in Zijn GERECHTIGHEID (wit) en in Zijn OPSTANDINGSKRACHT (hemelsblauw); terwijl het “goud” heen-wijst naar de krachtdadige werkingen van de Heilige Geest.
De EFOD is dus het kleed, dat vertelt van de KRUISWANDEL van Jezus op aarde, maar ook van de KRUISWERKING in de overgegeven levens van Zijn kinderen hier op aarde; kruiswerkingen die “nederigheid en zachtmoedigheid” in Gods kinderen, en in het bijzonder in Gods dienstknechten, moeten aanbrengen (Matth.11:29). Ook spreekt het van “zelfvernedering” (Filip.2:5-11, Luk.17:10).
Het devies dat Jezus gaf aan elke mens, die een “kind van God” wil worden luidt:
Zo iemand achter Mij wil komen:
die verloochene zichzelf,
en neme zijn kruis dagelijks op,
en volge Mij.
Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden. Want wat baat het een mens, die de gehele wereld zou winnen, en zichzelf (te) verliezen, of (zelf) schade (te) lijden?” (Luk.9:23-25).
Wij hebben eerst de verloochening van onze vleselijke, wereldse en zondige geneigdheden (onze natuur), en dan ons leven te leggen in de doorboorde handen van Jezus, onze Verlosser, opdat Hij ons wasse in (reinige door) Zijn dierbaar en kostbaar Bloed (naar geest, ziel en lichaam; 1Thess.5:23), zo de TOTALE verlossing van Hem verwachtend, en tenslotte Hem volgend in het Nieuwe, Goddelijke, Hemelse leven, en wel reeds HIER OP AARDE.

  1. Het “SCHARLAKEN” spreekt van de VERLOSSENDE KRACHT van het Bloed van Gods Lam, die de ganse “oude mens” in ons doet sterven (1:5 + 7:14, 1Joh.1:7, 2Kor.5:17-18a, Rom.6:6, Ef.4:22-24, Kol.3:5-10); maar ook van de LIEFDE Gods, die ons Zijn zoendood gaf (Joh.3:16) en die in ons moet heersen door Jezus Christus (Joh.13:34-35, Rom.5:5, 2Kor.5:14).
  2. Het “HEMELSBLAUW” spreekt van de OPSTANDINGSWANDEL van het kind van God en van de dienstknecht van God in het bijzonder (Filip.3:10).
  3. Het “WIT” spreekt van de Goddelijke RECHTVAARDIGHEID en GERECHTIGHEID, die in de plaats moet komen van de aardse onrechtvaardigheid en ongerechtigheid (Rom.6:13, 1Kor.1:30, 2Kor.5:21b, Ef.4:24 + 5:9, Filip.3:9).
  4. Het “PURPER” spreekt van Koninklijke GENADE en Goddelijke BARMHARTIGHEID, die ook in ons moeten heersen door Jezus Christus (Luk.6:36, Ef.4:32) in plaats van alle haat, wrok, nijdigheid en achterklap van de “oude mens”.
  5. Het “GOUD” spreekt van de KRACHTDADIGE WERKINGEN en ZALVINGEN van de Heilige Geest (Hand.1:8), Die ons uit al het “oude” en in al het “NIEUWE” leidt (Rom.8:14, Joh.16:13).

Het getal 5 is een (Bijbels) getal, dat spreekt van “verzoening” en “verlossing”; daarom spreken deze 5 kleuren van een “wereldwijde verzoening” (2Kor.5:19) en van een “eeuwige verlossing” (Hebr.9:12) in het Bloed van Gods Lam.
Daarom moet elk kind van God en de arbeider Gods in het bijzonder, de EFOD met Christus dragen!

.

De blauwe mantel van de efod

De beschrijving hiervan vinden wij in Exodus 28 vers 31-35 (HSV):

  • “U moet ook het bovenkleed (SV: de mantel) van de efod geheel van blauwpurperen wol (SV: hemelsblauw) Zijn halsopening moet dan in het midden ervan zijn. Zijn opening moet rondom een zoom hebben, werk van een wever. Het moet net zo’n opening hebben als bij een leren pantser, zodat het niet kan inscheuren. Vervolgens moet u op de zomen ervan granaatappels van blauwpurperen (hemelsblauw), roodpurperen en scharlakenrode wol maken, dus rondom op zijn zomen, en daartussenin gouden belletjes, rondom. Een gouden belletje, daarna een granaatappel, dan weer een gouden belletje en een granaatappel, rondom op de zomen van het bovenkleed (de mantel). Aäron moet dat namelijk dragen wanneer hij dienstdoet, zodat het geluid ervan gehoord wordt als hij in het heiligdom binnenkomt voor het aangezicht van de HEERE, en als hij naar buiten gaat, opdat hij niet zal sterven.”

BLAUW is de kleur van de OPSTANDING. “Dood” en “Opstanding” in Christus horen bij elkaar, zijn elkanders componenten in het heilsgeheim van God. De één is niet mogelijk zonder de andere; de laatste is slechts mogelijk na de werking van de eerste (2Petr.1:4). Daarom heet dit kleed ook: de BLAUWE MANTEL van de EFOD.
Slechts in en door deze OPSTANDINGSKRACHT kunnen Gemeenten zich vormen, herkennen de leden elkander als leden van hetzelfde Lichaam en vinden zij hun bindingskracht. Deze (plaatselijke) Gemeenten-vorming wordt in dit kleed getypeerd door de “granaatappels”, aangebracht aan de zoom van dit kleed. Deze granaatappels hebben de kleuren “hemelsblauw”, “purper” en “scharlaken”, en hieraan kunnen wij tevens zien, wat God van de Gemeenten verwacht:

  • hemelsblauw: een wandel in opstandingskracht met Jezus Christus;
  • purper: een wandel in koninklijke vergeving en genade jegens elkander en in Goddelijke barmhartigheid, gelijk Jezus en door de werkingen van Jezus in het hart;
  • scharlaken: een levenskleed, dat gewassen is, en in de wassing blijft, van het Bloed van het Lam, en een levenswandel, dat gekenmerkt wordt door de liefde Gods (Joh.13:34-35).

Aan de zoom van de “blauwe mantel” zijn, om en om, ook “gouden belletjes” aangebracht. “Goud” is het beeld van het leven in de Heilige Geest, van hemelse rijkdom. Het getingel van de belletjes geeft het leven en de werkzaamheid van de Heilige Geest in de Gemeente, en in het bijzonder in het leven van de arbeider Gods, weer; in de getuigeniskracht, in de werken der naastenliefde en in de hoogten van aanbidding (tongentaal; tongenzang).
Het opstandingsleven is het NIEUWE leven in Christus (2Kor.5:17-18a), dat zijn voeding vindt in de REINHEID en HEILIGHEID van Christus Zelf (1Thess.4:3-4, 2Kor.7:1, Hebr.12:14) en dat zijn openbaring vindt in de Liefde van God, die in onze harten wordt uitgestort door de Heilige Geest (Rom.5:5). De Liefde Gods keert zich in de eerste plaats tot God Zelf, om Hem boven alles lief te hebben (Matth.22:37 + 10:37), tot de broeder en zuster in Christus in “broederliefde” (Rom.12:10, 1Petr.1:22 + 2:17); tot de verlorenen in de wereld in “zondaarsliefde”; tot de naasten in het algemeen in “naastenliefde” (Matth.22:39). De Liefde Gods uit zich zelfs in “vijandsliefde” (Matth.5:44).
De NIEUWE MENS wordt in ons WEDERGEBOREN (Joh.3:3+5, 1Petr.1:23) en moet in ons groeien tot (volle) WASDOM (Ef.4:13-16, 1Joh.2:12-14).

.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel
  9. De DEUR en de heilige zalfolie
  10. De Tafel met Toonbroden
  11. De GOUDEN 7-voudige KANDELAAR
  12. Het REUKALTAAR en het reukwerk
  13. De HEILIGE driehoek van Gods arbeid in ons

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Geestelijke groei, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Israël/huis van Israël, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Werkers in Gods dienst, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Bloed en Bruidegom – Bloedbruidegom, deel 3 (n.a.v. Exodus 4:24-26)

Vervolg van:
Bloed en Bruidegom, deel 1 en deel 2

Bloedbruidegom

De verborgenheid van Efeze 5

Dit brengt ons tot de verborgenheid van Efeze 5, dat is het geheimenis van de gemeenschap tussen man en vrouw, bruidegom en bruid. Laat ons Exodus 4:27 bestuderen in samenhang met Psalm 2:11-12,
“De HEERE zei tegen Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging en ontmoette hem bij de berg van God en kuste hem.” (Exod. 4:27)
“Dien de HEERE met vreze, verheug u met huiver (SV: met beving).” (Psalm 2:11)
Dit “verheugen met beving” is een indicatie voor de doop des Geestes; Zijn kracht doet ons beven. En dan vervolgt de geïnspireerde schrijver in Psalm 2:12 met: Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt… ”. Deze kus der gemeenschap is een diep schaduwbeeld. Om dit te verstaan, moeten wij voor ogen houden dat Mozes het typebeeld is van de Here Jezus Christus en Aäron het typebeeld van de Gemeente die door dat geestelijk proces is gekomen tot het stadium van Efeze 4:13, namelijk: “…tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen (SV: volkomen) man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus (dat is dus de Bruidsgemeente van de eindtijd). Aäron is in dit licht dus het zuivere beeld van de tot volkomen man (= geestelijk volmaakt) geworden Bruidsgemeente. Want geestelijk gesproken was dit ook het stadium waarin Aäron gekomen was, toen hij Mozes kuste. Zo zal straks de Gemeente van Jezus Christus in de Spade Regentijd en vlak voordat Jezus komt, voor 100% Joëls profetie hebben vervuld (Joël 2:28-29 – dit zal zijn als “de kus van Jezus”):
“Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien. Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.” (Joël 2:28-29)
Dan is ze (de Bruidsgemeente) zover gekomen dat zij het volle getuigenis van haar Bruidegom bezit, omdat ze is gekomen tot de maat van de grootte van de volheid van Christus, zoals in Efeze 4:13 bedoeld. Als dan de Bruidsgemeente dit stadium heeft bereikt, zullen allen die tot die volheid van een volkomen man zijn gekomen – de graad van mannelijkheid; daarom dat in deze profetische geschiedenis nu Aäron het type van de Bruid is – aangedaan zijn met de kracht van de Leeuw van Juda, dus met de VOLLE KRACHT van de Heilige Geest; zowel mannen als vrouwen. Wat dit laatste betreft: wij staan dan in het teken van de volheid, waarin wij niet meer zullen leven zoals wij nu nog leven; niet langer leven wij dan naar menselijke verhoudingen. Wij hebben dan niets meer van node dan Christus als onze Bloedbruidegom. Dan zijn wij gekomen in het stadium genoemd in 1 Korinthe 7:29b, gehuwd zijnde zullen wij als niet-gehuwd zijn: “Laten zij die vrouwen hebben, voortaan zijn alsof ze die niet hebben.” Wij zijn dan de engelen gelijk: “Want in de opstanding nemen ze niet ten huwelijk en worden ze niet ten huwelijk gegeven, maar ze zijn als engelen van God in de hemel.” (Mattheüs 22:30)
Dan geldt: “daarin is geen man of vrouw”. Zowel man als vrouw zijn Hem dan gelijkwaardig. Dan zal weer blijken, dat er bij God geen aanneming des persoons is. Eenmaal dit stadium bereikt hebbende, zal Christus ons alles zijn. De mens is dan geheel en al gekruisigd door de kracht Gods.

Hier past wel een waarschuwing tegen over-geestelijkheid. Laat u niet verleiden om te proberen op eigen kracht tot deze dingen te komen. Dat heeft geen waarde voor God en is niet tot verheerlijking van Jezus Christus. Daar is geen verheerlijking van God in een leven als asceet of kluizenaar. Men komt tot over-geestelijkheid door vlug-vlug iets te willen bereiken. Men wordt dan tot mislukkeling, is lastig voor anderen, heeft geheel geen vreugde en raakt van de ene valstrik van de duivel in de andere. Zo’n iemand heeft lange tenen, let op fouten van anderen, hoort wat hij niet moet horen, maar is kittelachtig van gehoor als het Gods Woord betreft. Zulke mensen ervaren geen verlossing van de oude mens, groeien juist hoe langer hoe meer in de oude zondige mens vast! De Here beware ons voor over-geestelijkheid. De tijd van de (geestelijke) astronauten is nog niet daar, maar zij komt! Daar wij dan deze hoop hebben, laat ons onszelf reinigen van alle besmetting van vlees en geest, zegt Paulus: “Omdat wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bezoedeling van vlees en geest, en de heiliging volbrengen in het vrezen van God.” (2 Korinthe 7:1)
De apostel waarschuwt ons ook voor hoogmoed. Wij moeten trouw zijn in de eenvoudige dingen die God van ons vraagt. Dat is al moeilijk genoeg! Daarom dat Gods Woord zegt: “Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden(Zacharia 4:6b). Er is niemand uit of van zichzelf heilig. Wij worden heilig omdat Hij, de Heiligheid, in ons woont en werkt. En indien Hij in u woont en werkzaam is, kunt u niet over-geestelijk worden. Over-geestelijke mensen hebben een hoogmoedig hart. God verafschuwt hoogmoed. Lucifer viel door hoogmoed. Laat dit voor ons een waarschuwing zijn.

In Exodus 4:27 hebben wij dus een diep schaduwbeeld. Aäron ging Mozes tegemoet en… kuste hem. Deze kus van gemeenschap is, in profetisch licht, de grote verborgenheid bedoeld in Efeze 5:32, waarover Paulus in hetzelfde hoofdstuk spreekt vanaf Efeze 5:22-27,
“Dit geheimenis (SV: deze verborgenheid)  is groot; maar ik spreek met het oog op Christus en de Gemeente.” (Ef.5:32)
“Vrouwen, wees uw eigen mannen onderdanig, zoals aan de Heere, want de man is hoofd van de vrouw, zoals ook Christus Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam. Daarom, zoals de Gemeente aan Christus onderdanig is, zo behoren ook de vrouwen in alles hun eigen mannen onderdanig te zijn.” (Ef.5:22-24)
Deze onderdanigheid is geen slaafsheid. Geen Christenman stelt prijs op een slaafse echtgenote, die op alles “ja en amen” zegt. Ze moeten samen overleg kunnen plegen. In de gezamenlijke beraadslaging is onze wijsheid (vergelijk Spreuken 11:14, SV): “Als er geen wijze (be)raadslagen zijn (HSV: geen wijze raad is), vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.”
Wij vervolgen met Efeze 5:25-27,
“Mannen, heb uw eigen vrouw lief, zoals ook Christus de Gemeente liefgehad heeft en Zich voor haar heeft overgegeven, opdat Hij haar zou heiligen, door haar te reinigen met het waterbad door het Woord, opdat Hij haar in heerlijkheid voor Zich zou plaatsen, een Gemeente zonder smet of rimpel of iets dergelijks, maar dat zij heilig en smetteloos (SV: onberispelijk) zou zijn.”
Paulus is dus begonnen met gewoon te spreken over de menselijke verhouding tussen man en vrouw, het echtpaar. Om daarna diezelfde verhouding over te brengen in geestelijk opzicht op de betrekking tussen Christus en de Gemeente. Na de verhouding tussen man en vrouw te hebben besproken, zegt Paulus: “Zij kunnen niet zonder elkaar”. Daarom zal de man zijn familie verlaten en zijn vrouw aanhangen:
“Zo moeten de mannen hun eigen vrouwen liefhebben als hun eigen lichamen. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief. Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt en koestert het, zoals ook de Heere de gemeente. Want wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn gebeente. Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en die twee zullen tot één vlees zijn.” (Efeze 5:28-31)
En wat geldt met betrekking tot de gemeenschap tussen man en vrouw in een waarachtig Christelijk huwelijk, moet ook gelden in de gemeenschap tussen Christus en de Bruidsgemeente. Er moet sprake zijn van een waarachtig tot elkaar komen. Om dit duidelijk te maken moeten ook zij tot één vlees worden (Efeze 5:31), niet langer twee zijn; en dan kussen zij elkaar. Geen vrouw laat zich zó kussen dan door haar eigen man! Straks komt dat profetisch ogenblik, die wonderbare gemeenschap, wanneer Christus en Zijn Bruid worden tot één vlees. Bestudeer Efeze 5:25-31 in samenhang met Openbaring 12:1 en Mattheüs 25:1-13,
“En er verscheen een groot teken in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, en de maan was onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van 12 sterren.” (Openb.12:1)
Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan 10 maagden [1], welke haar lampen namen, en gingen uit, den bruidegom tegemoet. En 5 van haar waren wijzen, en 5 waren dwazen. Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich. Maar de wijzen namen olie in haar vaten, met haar lampen. Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap. En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet! Toen stonden al die maagden op, en bereidden haar lampen. En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie; want onze lampen gaan uit. Doch de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers, en koopt voor uzelf. Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. Daarna kwamen ook de andere (dwaze) maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open! En hij, antwoordende, zei: Voorwaar zeg ik u: Ik ken u niet. Zo waakt dan; want gij weet de dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal. (Mattheüs 25:1-13, SV)
In het laatst genoemd Schriftgedeelte zien wij de 5 wijze maagden de bruiloftszaal binnengaan (man en vrouw komen samen) en in Openbaring 12:1 zien wij de Bruid als gehuwde vrouw en getuigt haar barensnood door de overschaduwing van de Here Jezus Christus, dat zij gekomen is tot één vlees met Hem!
“…En zij (de vrouw, uit vers 1) was zwanger en schreeuwde het uit in barensnood en in haar pijn om te baren.” (Openbaring 12:2)

.

De weg tot die gemeenschap

Om tot een “volkomen man” te worden, is er voor de Bruidsgemeente maar één weg: 1 Thessalonicenzen 4:3a,– heiligmaking: “Want dit is de wil van God: uw heiliging…”
Als Efeze 5:26a spreekt over: “Opdat Hij haar zou heiligen…”, dan impliceert dit dat wij nooit komen zullen tot die volwassenheid (in de geest) als bedoeld in Efeze 4:13, tenzij dit proces plaats vindt: een groeiproces, een opklimmen in genade, een wassen (= groeien) in geloof, een toenemen in de volmaaktheid die er is in Christus:
“Totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus.” (Efeze 4:13)
Daarom moet die reiniging in de Gemeente door Woord (het badwater van het Woord) en Geest bij voortduring geschieden. Dat gebeurt niet zoals wij dat willen en ons indenken. Die reiniging kan dikwijls plaats hebben ten koste van de helft van de gemeente, die door God wordt gedecimeerd om tot deze reiniging in de Gemeente te komen! Allen die de weg van reiniging van het vlees en de Geest (2 Korinthe 7:1) niet willen gaan, blijven achter.
“Omdat wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bezoedeling van vlees en geest, en de heiliging volbrengen in het vrezen van God.” (2 Kor.7:1)
Zij zullen zich vanzelf afscheiden. Want… als wij te lang de dingen van het vlees vasthouden, wordt ook onze geest door die dingen besmet. Acht dit niet gering! U kunt dit in uw eigen leven constateren. Bent u bezig daarmee? Staat uw hoofd naar de zorgen des levens? Eten, drinken, man, vrouw, (klein-)kinderen? Welnu, dan weet u op het laatst van niets anders meer dan van deze dingen. Vandaar dat de apostel in Kolossenzen 3:2 zegt:
“Bedenk de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn.”
Dit is de moeilijkste en meest diepgaande vorm van heiligmaking. Onze geest moet altijd prevaleren en hier is de reiniging door de Heilige Geest het moeilijkst, omdat de mens het moeilijkst loskomt van zijn gedachtewereld. Misschien bent u nu 72 jaar en hebt u op 14-jarige leeftijd iets onprettigs ondervonden van iemand. En is dit litteken nog zo groot dat u er nog steeds mee bezig bent en het niet kunt vergeten en vergeven. Laat s.v.p. die dingen van het vlees toch los! Zelfs al zijn ze mooi of liefelijk of heerlijk! Uw hele wezen verstart er in en uw gedachtewereld kristalliseert daarin. Neem Ezau (Genesis 25:28-34). Hij wandelde in het teken van één van de werken van het vlees uit Galaten 5:19-21 (“…overspel, hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, vijandschappen, ruzie, afgunst, woede-uitbarstingen, egoïsme, onenigheid, afwijkingen in de leer, jaloersheid, moord, dronkenschap, zwelgpartijen, en dergelijke…”). Zijn eerstgeboorterecht zomaar prijsgeven, om zijn buik te vullen, gebeurde Ezau niet in een opwelling van het ogenblik, maar was een gevolg van een jarenlange onbeteugelde lust in lekker eten. Het was geen opwelling van het vlees, maar een uitbarsting van het leven in het vlees. Dit was de test van God en hij doorstond die niet, omdat hij nimmer de verlossing had gekend van de begeerten van zijn vlees. En ook wij, als wij verder willen gaan op de weg des geloofs, zullen bij iedere schrede worden getest. HEILIGMAKING is een eis van God. Zonder HEILIGMAKING zullen wij de komende tijd niet doorkomen als overwinnaars. Als God Zijn eigen Zoon door lijden heeft geheiligd, dacht u dan dat wij er alleen kunnen komen met opwekkingsdiensten? De Geest van God werkt in een opwekkingsdienst anders dan in een heiligingsmeeting, in welke Hij ons voert tot diepe verootmoediging en vernedering.

Nog vele profetieën zullen straks, in een korte tijdsspanne, worden vervuld vóórdat Jezus komt. Laten wij niet denken dat wij op dat laatste ogenblik dan nog tijd hebben om ons te heiligen. De antichristelijke geest wordt hoe langer hoe sterker, en zonder de kracht van de Heilige Geest vermogen wij niets! De weg van heiligmaking maakt Zijn inwoning in ons vaster en vaster. Hoe kan Hij blijvende bemoeienis met ons hebben, als wij geen heiligmaking willen en hoe kan Hij in ons blijven, als wij niet gereinigd zijn! REINIGING moet voorafgaan aan HEILIGING! Het gaat ten koste van tranen, van pijn, maar als wij een rank van de Wijnstok zijn, moet de Landman ons snoeien!
Dat snoeiproces zien wij ook in het natuurlijke vlak: ouders die hun kinderen opvoeden en corrigeren. En wie niet horen wil, moet maar voelen. Er is zowel een natuurlijke als een geestelijke kastijding, waarmee ik bedoel: wat in het natuurlijke gebeurt, gebeurt ook op het geestelijk vlak. Die de Vader liefheeft, kastijdt Hij tot hun eigen nut, zegt de Hebreeënbrief: “Want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt iedere zoon, die Hij aanneemt.” (Hebreeën 12:6, SV)

De weg die Jezus moest gaan was ook niet prettig voor Zijn vlees. Zelfs Christus moest geheiligd worden door lijden: “Want het betaamde Hem, om Welke alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen.” (Hebreeën 2:10, SV)
Maar, ook als onze weg gaat door vele verdrukkingen is daar de ervaring van Gods bemoeienis met ons. En Paulus, die zoveel heeft moeten ondervinden en meemaken, zegt in dit verband: “Die lichte verdrukking, die zo snel voorbijgaat, wat is die verdrukking vergeleken bij de glorie die ons wacht!
“Want onze lichte verdrukking, die van korte duur is, brengt in ons een alles-overtreffend eeuwig gewicht van heerlijkheid teweeg.” (2 Korinthe 4:17)
Wat hebben de geloofshelden (vermeld in Hebreeën 11), die de beloften niet hebben verkregen maar er toch rekening mee hielden, niet moeten verduren op aarde. Abraham bleef staan door geloof in Gods belofte! De hoop van zijn hart was: eens binnen te gaan in de stad waarvan God de Bouwer en Kunstenaar is. Voor deze allen waren Gods beloften reëel, ook al werden die tijdens hun aardse leven niet vervuld (dit is het waarover 1 Petrus 1:10-12 spreekt):
Naar deze zaligheid hebben de profeten, die geprofeteerd hebben over de genade die aan u bewezen is, gezocht en gespeurd. Zij onderzochten op welke en wat voor tijd de Geest van Christus, Die in hen was, doelde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat op Christus komen zou, en ook van de heerlijkheid daarna. Aan hen werd geopenbaard dat zij niet zichzelf, maar ons dienden in de dingen die u nu verkondigd zijn door hen die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die vanuit de hemel gezonden is; dingen, waarin de engelen begerig zijn zich te verdiepen.”
Zo geldt het ook voor een kind. Als onze aardse vaders, die boos (= van nature, “uit de boze”) zijn, weten hoe zij handelen moeten ten opzichte van hun kinderen, hoeveel te meer onze hemelse Vader, Die zegt dat al Zijn beloften “ja en amen” zijn in Christus Jezus. Moeten die dan voor ons geen realiteit zijn? “Want” zegt Paulus, “Wij houden onze ogen immers niet gericht op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.” (2 Korinthe 4:18)

Aan het leven van onze aardse vaders komt eens een eind, maar Gods Woord gaat nooit voorbij. De geestelijke boosheden, vermeld in Efeze 6, zien wij ook niet, maar ze bestaan. Laten wij daarom geen rekening houden met de dingen van beneden (= niet aardsgericht zijn), maar met de onzienlijke dingen en allereerst met de onzienlijke God! Wij moeten Jezus Christus ‘bezitten’ (eigenlijk Hij ons – AK) in en door de doop met de Heilige Geest. En willen wij de beloften Gods in ons leven waargemaakt zien, dan moeten wij volharden in de heiligmaking. Dit is wandelen in geloof, niet in aanschouwen. En dit geloof is het, dat de wereld overwint. Het is het geloof dat, door de Geest van God, in het hart van een mensenkind is gelegd. Het is niet iets wat overgaat van vader of moeder op kind, maar een eigen geloof, gewrocht door de Geest van God. Het geloof komt door het horen van het Woord: “Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God.” (Romeinen 10:17)
Je kunt als kind dit Woord thuis horen, maar je moet eens zelf kiezen. En als de Geest dat geloof in het hart heeft gelegd (het is een gave van God, zegt Romeinen 12:3, dus inderdaad niet door overlevering van ouders, die echter wel het fundament kunnen voorbereiden – 2 Timotheüs 1:5), dan werkt dat geloof door in ons leven en wij weten: “Er is méér”.

  • “Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik ieder onder u niet hoger te denken dan hij moet denken, maar laat hij denken in bescheidenheid, naar de mate van geloof zoals God die aan ieder heeft toebedeeld.” (Rom.12:3)
  • “Daarbij herinner ik mij het ongeveinsde geloof dat in u is en dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs en in uw moeder Eunike. En ik ben ervan overtuigd dat het ook in u woont.” (2Tim.1:5)

Er was méér achter de tabernakeldeur; daar was méér achter de Voorhang: de Ark des Verbonds stond daar. Jaagt daarom naar meer, zoals die wedloper van wie Paulus spreekt in 1 Korinthe 9:24-25,
“Weet u niet dat zij die in de renbaan lopen, allen wel lopen, maar dat slechts één de prijs ontvangt? Loop dan zo dat u die verkrijgt. En iedereen die aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles. Zij nu doen dat om een vergankelijke krans te ontvangen, maar wij om een onvergankelijke te ontvangen.”
Om de prijs, de gouden plak, te gewinnen, moet hij alles van zich afwerpen. Blijf niet staan kijken naar anderen. Als uw vorderingen afhankelijk zijn van de nalatigheden van anderen, komt u nooit “Thuis”. Als Lot hetzelfde had gedaan als zijn vrouw, zou hij nooit in de bergen van Zoar zijn gekomen. Gods Geest blijft niet met ons twisten. Onze genadetijd is eenmaal voorbij. Daarom, gebruik nu die tijd van wonderbare genade, waarin Hij ons wil klaarmaken voor die volkomenheid, die volheid van Christus. Waartoe Hij ons de bedieningen heeft gegeven van Efeze 4:12, “tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouw van het Lichaam van Christus”, net zo lang totdat wij komen tot die volkomenheid van Efeze 4:13,
“Totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus.”

De Gemeente van Christus is op zichzelf een koninkrijk, geregeerd van boven. Het Lichaam van Christus is een theocratisch bestel. En Hij Die het Hoofd is, is een God van orde. Alles kan tot verheerlijking van Zijn Naam zijn, als wij de Geest maar Zijn weg willen laten gaan in ons leven. Wij moeten hierin wijsheid betrachten, maar niet te zeer nauwgezetheid doen gelden, omdat wij dan weldra zullen ontdekken hiermee de Geest te dwarsbomen. Als onze geest bezig is met de dingen die het Lichaam van Christus aanbelangen (= betreffen, aangaan) blijven wij jong. Is de Gemeente latent (= onzichtbaar aanwezig zijn), dan is zij (geestelijk gezien) dood. Als de Geest werkt is er leven dat zich op verschillende wijzen uit. De leeuw brult, het lam blaat, de koe loeit, zó is het gesteld in de dierenwereld; zij vertonen leven. En zo heeft God de mens onderscheiden door de spraak. Dit op zichzelf is de doodsteek voor Darwins theorie (op latere leeftijd schijnt hij teruggekomen te zijn op zijn dwaling!). En als uw spraak een lofprijzing is, een grootmaken van Jezus Christus, een aanbidding van Hem, dan onderscheidt dàt u van de wereldling. Dàt is de weg van heiligmaking. Heiligmaking is wat de Geest kan doen IN ons; reiniging is wat Hij kan doen VOOR ons. Zoveel vaster Hij in mij woont, zoveel heiliger wordt mijn leven door hem. Niet door mijzelf, want er deugt niets aan mij! Dit gaat ten koste van de uitwendige mens; maar de inwendige mens wordt verheerlijkt. De Geest werkt van binnenuit, in tegenstelling tot de mens, die zegt “kleren maken de man”. De Heilige Geest zoekt echter de verborgen mens des harten, zoekt ons van binnenuit te veranderen, aan Christus gelijk te maken. Zodra u deze weg van God wilt gaan, komt er echter strijd, staat de satan tegenover u. De strijd begint IN het Lichaam van Christus: “Moet je zoveel moeite doen om in de hemel te komen? Moet je dan ALLE diensten, enzovoorts, meemaken? Het is toch: geloven alléén!” Zo redeneren straks de dwaze maagden, waardoor hun zal ontbreken wat God eist. Jezus is ons tot voorbeeld gesteld, opdat wij Zijn voetstappen zouden drukken. De duivel is niet bang voor u en mij, maar voor Gods Geest in ons. Daarom dat de Johannesbrief spreekt over Hem, Die in ons is en meerder is dan alles en allen in de wereld. Laten wij getrouw zijn, want wij leven in een tijd, dat een gelijkenis voor ons geen gelijkenis meer moet zijn, maar werkelijkheid moet worden. God wil, dat wij worden aangemerkt als getrouwe dienstknechten en -maagden. Weest daarom getrouw in het kleine, het minste, wat het ook is. Eén van de wonderbare karakteristieken van de Gemeente van de eindtijd zal zijn: getrouwheid. Zonder getrouwheid geven wij het op. De Heilige Geest werkt deze getrouwheid in ons uit en daarom moeten wij ons openstellen voor Zijn werkingen in deze laatste dagen. Als wij naar een samenkomst gaan, moet ons gebed niet meer zijn: “Heer, zegen mij!”, maar: “Heer kom tot Uw recht in Uw Lichaam!” Bid, als wij samen-vergaderen, voor de Gemeente, dat de Geest mag doorbreken in Zijn wonderbare kracht en heerlijkheid! Dan ontvangen wij vanzelf zegen! God wil zó doorwerken, dat gaven en vruchten van de Geest in de Gemeente gekend worden. Daarvoor zoekt Hij kwaliteit, geen kwantiteit. Wij zullen niet eerder die zoete vrede en wonderbare rust kennen, tenzij wij ons ALLES op Gods altaar hebben gelegd; dan pas zijn wij bekwaam om door de Geest te worden gebruikt. Hij kan door u en mij bidden voor het verlorene zoals wij het niet kunnen. God wil niet dat één ziel verloren gaat.
In het boek Handelingen lezen wij: “…En de Heere voegde dagelijks mensen die zalig werden, aan de Gemeente toe.” (Handelingen 2:47b)
Hoe kwam dat? De Heilige Geest werkte zó via de Gemeente, dat God het gebed van Zijn Geest niet kon afwijzen. Hoeveel wegen probeert de Geest niet te gaan om Zijn Lichaam te activeren? Het woord van getuigenis wordt in onze dagen veel ontbeerd. Velen missen blijdschap, vrede, rust; hun mond gaat niet meer open tot een genoegzaam getuigenis voor Jezus Christus. Ook daarin kunnen wij verstard of lui geworden zijn. Maar getuigenis is nodig, anders zou Hij niet hebben gezegd: “…En U zult Mijn getuigen zijn…” (Handelingen 1:8). Het is Zijn opdracht! Ons getuigenis is tot Zijn eer en glorie en meteen voor ons een kruisiging van ons vlees. Maar het is tot verheerlijking van Jezus en het houdt ons in afhankelijkheid van Hem. En wie weet wat de Geest van God kan doen met het eenvoudigste getuigenis!

De Sulamith (van het Hooglied) was lui geworden in haar getuigenis. Zij verstond niet eens dat haar bruidegom zo verlangend aan haar deur morrelde. Toen zij zich dat realiseerde, was ze te lui om op te staan. Op een gegeven ogenblik verstomde zijn stem…. Toen werd zij klaarwakker, rende naar de deur en opende die. Maar haar liefste was gevloden. Dan loopt ze de straten van Jeruzalem in en klampt iedereen aan: “Hebben jullie mijn liefste gezien?” “Wie is uw liefste, hoe ziet hij eruit?” was het antwoord. Als zij had volhard in haar getuigenis, zou men haar dit niet hoeven hebben te vragen (zie Hooglied 5).

Als kind van God wordt u een schouwspel voor de wereld. Maar ook de engelen kijken naar u, evenals de duivelen. De onzienlijke machten kijken wat er wordt van mensenzielen voor wie Christus gestorven is. Die Hem toebehoren zullen eenmaal behoren tot dat Lichaam zonder vlek of rimpel, heilig en onberispelijk. De Geest van God werkt in ons dingen uit die wij niet hadden durven hopen, maar… Hij wacht op onze goodwill. Zeg dus: “Hier ben ik!”, zoals Samuël. U leest van hem: “Samuël werd krachtiger en sterker in de Here”:
“En Samuel werd groot. De HEERE was met hem en liet niet één van al Zijn woorden onvervuld. En heel Israël, van Dan tot Berseba toe, erkende dat Samuel aangesteld was tot profeet van de HEERE. En de HEERE bleef in Silo verschijnen; ja, de HEERE openbaarde Zich aan Samuel in Silo door het woord van de HEERE.” (1 Samuël 3:19-21)

.

Uitgaan in de Kracht des Heren

Als wij in Exodus 4:28 lezen, dat Mozes Aäron te kennen gaf al de woorden des Heren, Die hem gezonden had, en al de tekenen, die Hij hem bevolen had, leren wij in profetisch licht verstaan, dat ook wij altijd zó behoren te handelen.
Als de Heilige Geest ons werkelijk vervult, zullen wij ook altijd de woorden Gods spreken en ons spreken zal gezalfd en gezouten zijn. In deze dagen is het voor menig Pinksterkind (of Christen) geen zonde meer om te liegen. Maar als wij hiervan niet verlost worden, wordt onze gehele gedachtewereld erdoor besmet. Wij kunnen met liegen God niet groot maken, hoe ‘goed bedoeld’ ook. Het laatste hoofdstuk van Openbaring zegt immers dat leugenaars niet binnengaan in de eeuwige stad “Maar buiten bevinden zich de honden, de tovenaars, de ontuchtplegers, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder die de leugen liefheeft en doet.” (Openbaring 22:15)
Gods Woord is te ernstig om het licht op te vatten. Wij moeten immers groeien naar die “volkomen man” van Efeze 4:13, en houden wij ons aan Gods Woord dan brengt Zijn Woord scheiding.
“Totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen (SV: volkomen) man (in de geest), tot de maat van de grootte van de volheid van Christus.”
Als kind van God kunt u niet alleen leven met een Evangelieboodschap. God heeft niet voor niets aan Zijn Gemeente leraars gegeven. Zij funderen u dieper. Dat wil niet zeggen dat de ene bediening meer is dan de ander. Er is verschil in bediening. De boodschap van een evangelist is anders dan die van een leraar! De één moet de ander aanvullen. De bediening van Filippus was wonderbaar, heel Samaria lag aan zijn voeten, maar de Gemeente aldaar moest gefundeerd worden door de pastorale bediening van Petrus en Johannes. Dezelfde dingen zullen in onze dagen hoe langer hoe meer tot uiting komen.

De ware kinderen Gods, die tot de Bruidsgemeente zullen behoren, die alles willen leggen op Zijn altaar, die zullen leren al de woorden Gods te spreken en de tekenen te doen, want Hij geeft hun daartoe Zijn macht. Het was niet alleen voor de dagen van Zijn discipelen, dat Hij zei: “…Ik geef u de macht om op slangen en schorpioenen te trappen (SV: te treden)…” (Lukas 10:19a), en: “…Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere (werken) doen dan deze…” (Johannes 14:12b).
Waarom? Omdat de Here hun Zijn macht had gedelegeerd. De Bron van alle kracht VOER TEN HEMEL, daardoor werd de kracht, Die vanuit de hoogte werd uitgestort, ook groter. God kan ons met kracht aandoen, als wij maar gewillig zijn. Het geheim van met kracht aangedaan worden is: van onszelf een leeg vat maken en God geeft ons naar de mate van ons leeg-zijn. Hoe meer er van ons bij is, hoe minder Hij ons kan geven.
Eigenwilligheid en eigenzinnigheid hebben nog nooit van iemand een overwinnaar gemaakt. Zij, die eens aan de oever van de glazen zee zullen staan (Openbaring 4:6), hebben van zichzelf niets meer gewild; zij willen wat Jezus wil.
Dat is het wat Hij zoekt! De Geest, Die met onze geest getuigt dat wij kinderen Gods zijn, brengt ons op de weg van heiligmaking. Hij wil ons zover brengen dat wij zeggen: “Heer, leer mij, dat ik wil wat Gij wilt!”. Psalm 45 beeldt uit hoedanig het wezen van de Bruidsgemeente zal zijn. Onderzoek voor uzelf:

  • “En Hij zei tegen hen: Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen.” (Markus 16:15)
  • “Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van Levend Water zullen uit zijn binnenste vloeien.” (Johannes 7:38)
  • “Als iemand de wil heeft om Zijn wil te doen, zal hij van dit onderricht weten of het uit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek. Wie vanuit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar Wie de eer zoekt van Hem Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig en geen ongerechtigheid is in Hem. (Johannes 7:17-18)

De Gemeente zal in deze laatste dagen bekwaam worden gemaakt om het raadsplan van God te ontvouwen en niemand die tot de Gemeente van de wedergeborenen behoort zal tekortkomen aan kennis van Zijn Heer en Heiland. De Gemeente wordt door de onderwijzing van de Heilige Geest bekwaam gemaakt om het gehele raadsplan van God te ontvouwen, opdat wij allen de kennis zullen bekomen die wij nodig hebben om te jagen naar de volheid in Jezus Christus. Naarmate wij in Christus groeien, vraagt de geestelijke mens in ons ook meer van Hem. De Gemeente zal in de laatste dagen de wereld zo’n volheid doen zien van glorie en heerlijkheid, dat de wereld jaloers worden zal, maar de antichristelijke krachten zullen haar attaqueren (= aanvallen).

Als u als kind van God tot een zekere hoogte gekomen bent in uw geestelijk leven, kunt u spreken over de dingen die reëel voor u zijn (geworden) tegenover hen die in dezelfde God geloven als u; toch zullen zij u haten. Maar spreekt u tot broeders en zusters die hetzelfde willen en gevoelen als u, die naar hetzelfde jagen, dan zullen zij u verstaan. Stefanus is een Schriftuurlijk voorbeeld hiervan. Hij sprak tot zijn eigen volk en vertelde hun wat hij zag; hij werd gestenigd. In hen was niet de geest die hen deed verlangen hetzelfde te kennen. Dit zijn diepere leringen in de Bijbel en hierdoor leren wij verstaan wat Jezus zei “Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.” (Mattheüs 10:34b)

Hoedanig dit zwaard te werk gaat, leest u in Hebreeën 4:12, “Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot op de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg, en het oordeelt de overleggingen en gedachten van het hart.”
Hierna begint de weg van heiligmaking. Het ligt dus aan uzelf of u die weg VERDER wilt gaan. Er zijn velen die dit niet willen. Zij zullen derhalve niet tot de Bruidsgemeente kunnen behoren.

In Openbaring 10:9-11 leest u wat gebeuren zal met degenen die tot de Bruidsgemeente behoren:
“En ik ging naar de Engel toe en zei tegen Hem: Geef mij dat boekje. En Hij zei tegen mij: Neem het en eet het op, en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing. En ik nam het boekje uit de hand van de Engel en at het op, en het was in mijn mond zoet als honing, maar toen ik het opgegeten had, werd mijn buik bitter. En Hij zei tegen mij: U moet opnieuw profeteren over vele volken, naties, talen en koningen.”
Pas toen Johannes gewillig was om “het boekje” te eten – om het zich eigen te maken en het Woord dus wederom “tot vlees was geworden”, één vlees met hem – pas toen hoorde hij die stem tot hem zeggen: U moet opnieuw profeteren”. Toen pas werd hij bekwaam gemaakt en zo zal ook de Bruidsgemeente – op dezelfde wijze – alleszins bekwaam worden gemaakt. Dan zal ze, net als Mozes ook, al de woorden Gods spreken. De boodschap blijft dezelfde; want het is niet vandaag “zus” en morgen “zo”.

In Ezechiël 3:1-4 lezen wij dat ook Ezechiël een (boek)rol moest eten:
“Daarna zei Hij tegen mij: Mensenkind, eet wat u aantreft. Eet deze rol op, ga, spreek tot het huis van Israël. Toen deed ik mijn mond open en Hij gaf mij die rol te eten. Hij zei tegen mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, vul uw binnenste met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik en hij werd in mijn mond als honing zo zoet. Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, ga, begeef u naar het huis van Israël en spreek tot hen met Mijn woorden.”
Het Woord moest rijkelijk in hem wonen en toen pas was hij bekwaam om te spreken, allereerst tot “het huis Israël”, tot de Gemeente van God, tot zijn eigen broeders en zusters.

God zal altijd Zijn Woord doen komen op tweeërlei wijze; in zegen en in oordeel in het Huis Gods. Daardoor wordt het volk bekwaam gemaakt en vindt reiniging plaats. Dan zal het volk en masse (= massaal), als lichaam, bekwaam gemaakt worden om hetzelfde te doen ten opzichte van de wereld, die in het boze ligt.
Maar het Woord Gods begint met het oordeel steeds bij het Huis Gods, zegt 1 Petrus 4:17,

  • “Want nu is het de tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; en als het eerst bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?”

En het is ten goede als dat Woord geestelijke kankergezwellen in ons uitsnijdt. Het is een tweesnijdend zwaard, dat snijdt aan beide kanten, ten goed of ten kwade.
Zo zal dan de Bruidsgemeente opwassen (= [vol]groeien) in genade, tot een volkomen man ten tijde van Christus’ wederkomst… Dan zal het zijn zoals in de dagen van Mozes: Bloed en Bruidegom!

De Bloedbruidegom
Exodus 4:20-31 in profetisch licht

Bloedbruidegom - schema

EINDE

CJH Theys
Enigszins bewerkt door A. Klein

PDF (in tablet of smartphone-formaat)
Wie een studie in A4 (voor printen) wil hebben, kan dat aanvragen.

***********************************************************************************

[1] Er is hier – heel bewust – gekozen voor het woord MAAGD uit de Statenvertaling. Zowel de HSV als de NBV heeft dit woord vertaald met meisjes, wat in deze context onjuist is. Het woord maagd staat namelijk voor reinheid, zuiverheid, kuisheid etc. en kan – in de geestelijke zin waarvoor het hier bedoeld is – ook het mannelijke geslacht inhouden (daar die net zo goed tot de Bruid van Christus zullen behoren). (noot AK)

.

Geplaatst in Bijbelstudie, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Gods Geest/De Heilige Geest/Geestesgaven etc., Heiligmaking, Studie van CJH Theys, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (13): De HEILIGE driehoek van Gods arbeid in ons

Tabernakel symbolieken blz 42

De tekst hieronder is uit de tekening hierboven,
om het beter te kunnen lezen:

I. Tafel met toonbroden
Gemeenschap met het Woord van God.

Individueel:

  • Het verkondigde Woord ligt op de tafel van ons gereinigde hart.
  • De HEERLIJKHEID van Jezus en Die gekruisigd ingebouwd in ons hart als de VRUCHT van de Heilige Geest (Gal.5:22, Joh.17:22).
  • Het opstandingsleven (het Nieuwe Leven) van Jezus in ons
  • Christus in ons.
  • Gods Woord geschreven in ons hart en verstand (Hebr.10:16, Jer.31:31:34).
  • Het vernieuwde gemoed/denken (Rom.12:2).

Collectief:

  • Gemeenschap met het gepredikte Woord, Jezus, Bruidegom.
  • Gemeenschap met het Heilig Avondmaal des Heren.
  • Het bijwonen van de Bijbelstudie.

.

II. Gouden kandelaar
Gemeenschap met de Heilige Geest.
Gebruikt als een instrument van Gods Geest.

Individueel:

  • Betuiging van het Woord van God gedreven door de Liefde Gods.
  • De HEERLIJKHEID van Jezus door de prediker heen GEPROCLAMEERD door de Heilige Geest (Jes.60:1-3).
  • De openbaring van het Nieuwe Leven in de Liefde Gods in onze dagelijkse handel en wandel.

Collectief:

.

III. Reukaltaar
Gebedsgemeenschap met de Vader en met Jezus, Gods Zoon.

Individueel:

  • Het gebedsleven van het kind van God.
  • De smeekbeden en de voorbiddingen.
  • De aanbiddingen, lofprijzingen.
  • Het WACHTEND hart op God.

Collectief:

  • Het deelnemen aan de bidstond.
  • De lofgezangen en aanbiddingen in de eredienst.

.

1.
De smeekbeden om Openbaring van het Woord.
Bede om de Boodschap door Gods (dienst)knecht.
Bede om de Zalving Gods.

2.
Na “overwonnen” te zijn door het Woord Gods, betuigen wij het Woord.
De ontvangen BOODSCHAP wordt in de Gemeente gebracht.

3.
Dankzegging en aanbidding aan God voor betoonde GENADE en voor OPENBARING van het Woord Gods en van de Heilige Geest.

.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel
  9. De DEUR en de heilige zalfolie
  10. De Tafel met Toonbroden
  11. De GOUDEN 7-voudige KANDELAAR
  12. Het REUKALTAAR en het reukwerk

 

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Geestelijke groei, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Bloed en Bruidegom – Bloedbruidegom, deel 2 (n.a.v. Exodus 4:24-26)

Vervolg van:
Bloed en Bruidegom, deel 1

Bloedbruidegom

De besnijdenis

Wij lezen Exodus 4:24-26,

  • “En het gebeurde onderweg, in de herberg, dat de HEERE hem (= Mozes) tegenkwam en hem wilde doden. Toen nam Zippora een vuurstenen mes en besneed de voorhuid van haar zoon. Zij wierp die voor Mozes’ voeten en zei: Werkelijk, je bent voor mij een bloedbruidegom. Toen liet Hij hem met rust. Vanwege de besnijdenissen zei zij toen: Bloedbruidegom.”

Mozes had de boodschap van Farao ontvangen en was op weg om zijn taak te volvoeren, toen er plotseling iets gebeurde dat noch hij noch Zippora had verwacht. God Zelf zocht Mozes te doden (Exodus 4:24). Wij zien dan Zippora een mes nemen en haar zoon besnijden, zeggende, terwijl zij het mes aan Mozes’ voeten wierp: Je bent voor mij een bloedbruidegom!
Mozes moest wel zwaar hebben gezondigd, dat God hem zocht te doden. En dat was ook zo! Hij had gezondigd aan het bloedverbond – door God met Abraham gesloten – waarvan de besnijdenis het teken was. In overdrachtelijke zin geldt dat verbond ook ons nu. Abraham geloofde en werd gerechtvaardigd en zijn rechtvaardiging werd bevestigd in de besnijdenis. Dit was het bloedverbond en gold niet slechts voor één ogenblik, maar voor geheel zijn zaad. Wat in het natuurlijke gold, geldt nu in overdrachtelijke zin in het geestelijk verbond. Zoals die tekortkoming van Mozes hem werd aangerekend, wordt die tekortkoming nù ook ons aangerekend, als wij aan de besnijdenis, dat is: de doop des Geestes, tekortkomen. Daarom zegt Paulus, van deze noodzaak doordrongen:

  • “En word niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar word vervuld met de Geest.” (Efeze 5:18)

Dit is de besnijdenis van het hart, die wij nodig hebben om als erfgenamen de Goddelijke natuur deelachtig te worden. Hoe zou dat kunnen zonder dat wij iets van God IN ons hebben!? In die doop des Geestes geeft God Zichzelf aan ons en meer dan Zichzelf geven, kan ook God niet! Inwoning IN ons maken, dat is het hoogste wat Hij kan doen. Dit is ook het fundament van een vruchtdragend leven. Zonder de Heilige Geest géén vruchtdracht. Laat u zich niet iets anders wijs maken, want dit is onschriftuurlijk. U kunt geen kersen eten van een pruimenboom. Zo ook is er geen vruchtdracht en zo ook kan er geen sprake zijn van Geestesgaven zonder eerst de Gever ervan, de Heilige Geest, in ons ontvangen te hebben. Wij moeten dus allereerst de Gever van de gaven hebben, vóór wij die gaven kunnen ontvangen. Maar, er zijn ook gaven die niet van Gods Geest zijn, maar van de duivel.
In mijn onbekeerde tijd kende ik een zekere “ome”. Als een zieke door de dokter was opgegeven en bij hem kwam, gegarandeerd, deze zieke genas. Een glas water met een stukje koenir (= geelwortel) erin. Er werd “gebeden”, gepreveld; bleef het water helder, dan genas de zieke. In het andere geval kon hij de zieke ook niet helpen. Ik heb altijd gedacht: “een gave van God”, totdat ik in Pinksteren [1] kwam en door onderricht in de Bijbel tot inzicht kwam: “Neen, dat is niet een gave van de Heilige Geest”, want ik heb nooit van deze “ome” gehoord, dat hij sprak over de Heilige Geest of Jezus verheerlijkte. Het was een geval van “Jannes en Jambres” (zie 2Tim.3:8), die door de kracht van de zoon des verderfs (= satan) wonderen deden (wonderen der leugen). Hierdoor komen mensen in verwarring. En komt tot u de vraag: “Waarom heeft God dan de satan geschapen” (?); weet dan: hij was een aartsengel, geen satan, toen God hem schiep. Deze aartsengel viel door zijn hoogmoed en verbeurde zijn eerstgeboorterecht (zoals later Ruben en Ezau). Voor hem is er geen vergeving en ook niet voor hen die hem toebehoren en God ongehoorzaam zijn.
Laten wij toch niet komen met vragen als “Waarom doet God dit of dat”? Laten wij maar geloven dat wat Hij doet altijd een doel heeft. Al begrijpen wij het niet altijd, Hij vraagt enkel en alleen geloofsvertrouwen van onze kant. Hij heeft altijd het beste met ons voor. Geloof in de Heilige Geest zal u leiden tot waarachtig volgen en aanbidden van die onzichtbare God, Die goedertieren is en barmhartig.
Er is niets heerlijker dan Gods bemoeienis elke dag te mogen ervaren. Elke dag opnieuw, opdat ons leven een OPGANG kent en opdat ons pad moge worden zoals Spreuken 4:18 zegt:

  • “Maar het pad van rechtvaardigen is als een schijnend licht, dat gaandeweg helderder gaat schijnen tot het volledig dag is geworden (SV: voortgaande en lichtende tot de volle dag toe).”

Daar hoeft geen schaduw te zijn. Het licht van Gods genade is groter dan alle donkerte. En juist in de uren van benauwdheid is God het meest nabij en zult u ervaren Zijn toezegging: “Ik zal u beslist niet loslaten (Ik zal u niet begeven) en Ik zal u beslist niet verlaten.” (Hebreeën 13:5b), “Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Amen.” (Mattheüs 28:20)
Vroeger, toen ik al een man was, moest ik langs Penilli, het kerkhof (in Soerabaja). Als ik daar (in de avond) voorbij fietste, dan trapte ik als een bezetene op de pedalen. Ik trapte hoe langer hoe harder en dacht: “Straks springt hij (de duivel) op mijn nek”. Wat een glorie toen Jezus mij vond! De Engel des Heren is voor, achter, links en rechts van ons. Wat kan ons deren? Psalm 34:8 zegt:

  • “De Engel van de HEERE legert zich rondom hen die Hem vrezen, en redt hen.”

De wedergeboorte is een begin, het begin van het proces dat leidt naar de doop met de Heilige Geest en de heiligmaking door de diezelfde Geest. Heiligmaking zonder wedergeboorte is niet mogelijk. Wedergeboorte, gerechtigheid, heiligheid – deze drie gaan altijd samen. Voordat Zijn discipelen opgingen in de opperkamer was er een dag, dat de Here op hen blies en zei: “Ontvang de Heilige Geest” (Johannes 20:22b). Dat was het moment van hun wedergeboorte: want “Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.” (Johannes 3:5b).
Zij waren toen nog niet gedoopt met de Heilige Geest. Dat gebeurde pas in de opperkamer. Maar dit doet ons onderkennen, dat wedergeboorte een werk is van de Heilige Geest. Zijn Adem doet ons komen tot dat nieuwe leven. Hij doet het Zaad van het Woord in ons opkomen en maakt ons klaar om de doop des Geestes te ontvangen, als wij er naar jagen.
Wel, Mozes was dus zelf wel besneden, maar zijn zoon niet en dit had hij moeten herstellen vóór hij verder ging. Het gaat hier alleen om de eerste zoon, hoewel ook de tweede besneden moest worden. Maar de eerstgeboren zoon van Mozes was in gevaar, omdat er een plaag zou komen die de onbesneden eerstgeborenen in Egypte, waaronder die van de Farao zelf, zou doden. Voordat Mozes naar Egypte trok, had hij moeten zorgen dat zijn eigen zoon deel kon hebben aan het bloedverbond, opdat de dood van zijn eigen zoon daardoor zou worden afgewend. En als deze nonchalance hem bijna de dood kostte, wat denkt u, dat het ons zal kosten, als wij hierin tekortkomen, als wij dus niet zoeken naar de doop met de Heilige Geest? In het geval van Mozes verstond zijn vrouw, Zippora, dit tekort. Zij verstond de ernst van dat ogenblik en begreep onmiddellijk wat God van hen vroeg. Verstaan ook wij de ernst van deze tijd en begrijpen wij wat de Heer van ons vraagt? Als het Bloedteken aan ons ontbreekt, de besnijdenis des harten, de doop des Geestes, het bruiloftskleed, dan gaan wij onherroepelijk door de Grote Verdrukking. De doop met de Heilige Geest, het bloed aan onze harte-deur, bewaart ons voor de Grote Verdrukking. Zorg dus dat u èn gedoopt bent èn in de vervulling van de Heilige Geest staat. De doop alleen is geen garantie, wel de blijvende vervulling, de verzegeling. Velen zullen in het middernachtelijk uur, als de Bruidegom komt, gedacht blijken te hebben aan deze voorwaarde te voldoen, maar tot hun ontsteltenis moeten ontdekken, dat zij behoren tot de “dwaze maagden”. Als Hij zegt dat Hij komt als een dief in de nacht; dan wil dat zeggen: onzichtbaar voor de wereld, maar niet voor hen die Hem verwachten. Dit in tegenstelling met de komst bedoeld in Openbaring 1:7, als aller oog Hem zal aanschouwen:

  • “Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben.”

Voldoen aan Gods eis betekent de prijs ervoor willen betalen, de dingen van de wereld loslaten, alles overboord gooien wat u van Christus kan afhouden. Anders kunt u niet in de Wijnstok blijven. Hoe velen zijn, helaas, als Demas en keren na een tijd terug tot de wereld, waaruit zij waren verlost?
Wedergeboorte is iets dat u weet. Als u niet weet of u bent wedergeboren, wel, dan ben u niet wedergeboren.
Aan allerlei dingen is te bemerken of u wedergeboren bent of niet. Kleinigheden die u vroeger behaagden, maar u nu niets meer doen. Allemaal kleine veranderingen als werkingen van Gods Geest. Die veranderingen worden waargenomen. Dus als u niet veranderd bent dan is Hij ook niet in u werkzaam. En niet alleen uzelf, maar ook uw omgeving neemt het waar of er wel of niets verandert in uw gedragingen. Uw houding en uw gedrag is kenmerkend voor wat in u leeft. Vergeet nooit rekening te houden met het Woord van God, want het is DIT WOORD dat ons eens zal oordelen. Wij zijn de tempel Gods en worden gemeten met Gods meetsnoer, Zijn Woord. Als wij Hem niet toebehoren, zullen wij Hem ook niet zien. Het is maar één stap van Gods Koninkrijk in de wereld. Eén misstap en uw getuigenis is niets meer waard. Denk aan Simson, aan David. Uzelf moet door de inwonende Geest weten hoever u kunt gaan. Eén verkeerde stap en alles waar u voor gevochten hebt, is waardeloos. Simson had Gods kracht en verloor die door Delila. David, die met vreugde danste voor de ark, viel voor Bathseba. Nu nog spreekt men over hun zonde. Hoeveel jaren zijn er sindsdien verstreken? Zouden de mensen dan vergeten wat wij doen? Wat doet u voorzichtig wandelen? De Vreze des Heren! Niet de vrees voor uw medemensen moet dat doen. Laat ons nooit vergeten: God is overal en ziet alles:

  • “Waar kan ik Uw Geest ontgaan, waar Uw aangezicht ontvluchten? Al steeg ik op naar de hemel, U bent daar; of legde ik mij neer in de hel, zie, U bent daar.” (Psalm 139:7-8)

Wij kunnen niets voor Hem verborgen houden, zelf niet onze gedachten! Denken aan de alomtegenwoordigheid van God, doet ons tot de Vreze Gods komen.
Mozes’ roeping en bediening zijn vol van schaduwbeelden voor ons persoonlijk leven! En als wij ons spiegelen aan Gods Woord, kan dit Woord ons voor misstappen behoeden. Daarom nogmaals: zorg, dat de Heilige Geest u verzegelt voor de komende tijd! Want de tijd is niet ver meer, dat u onder druk wordt gezet door een georganiseerde maatschappij, een materialistische wereld. Ook al merkt u het misschien nu (nog) niet zo erg, maar de druk neemt toe. Geloof alleen is dan niet voldoende om te blijven staan. Dan zult u moeten kiezen. Jezus en Zijn discipelen hadden de doop des Geestes nodig, hoeveel te meer hebben wij die nodig in deze laatste dagen, nu de dagen bozer worden en de Grote Verdrukking voor de deur staat. In eigen kracht vermogen wij niets!
U kunt geen twee heren gelijktijdig dienen, anders had Jezus Zijn discipelen ook niet weggeroepen van hun werk. Gods volk is een apart gezet volk. Zo begon God met Abraham. Hij zette hem apart en maakte hem tot een vader van alle gelovigen. Hij zette ook het volk Israël apart om Hem tot eigendom te zijn:

  • “Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.” (Exodus 19:5)
  • “Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.” (Deut. 7:6)
  • “Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.” (Deut. 14:2)
  • “En de HEERE heeft u heden doen verklaren dat u voor Hem een volk zult zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is, zoals Hij tot u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden in acht moet nemen.” (Deut. 26:18)
  • “Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren, Israël als Zijn persoonlijk eigendom.” (Psalm 135:4)

En zo zet Hij het Nieuwtestamentisch volk ook apart, Hem ten eigendom. Hij maakt het tot een heilig volk:

  • “Hij heeft Zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons zou vrijkopen van alle wetteloosheid en voor Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.” (Titus 2:14)
  • “Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.” (1 Petrus 2:9)

Een volk dat door Hem wordt geheiligd om Hem te dienen in heiligheid. De satan is altijd actief bezig om juist de kinderen Gods af te trekken door op hun gevoelens te werken. Als u van de samenkomst wegblijft, bijvoorbeeld omdat een tante die u heel lang niet gezien hebt op bezoek komt. U vergeet dan dat dergelijke excuses ook worden aangevoerd door de genodigden voor het bruiloftsmaal (Lukas 14). Weliswaar worden daar andere motieven aangevoerd, maar het komt allemaal neer op persoonlijke motieven. Op deze manier bespeelt satan uw gevoelens en al deze kleine dingen maken dat “vlees” binnenkomt en overheerst.
Ook de 5 dwaze maagden (uit Mattheüs 25:1-13) zijn “maagd”, dat wil zeggen: rein, gereinigd in Jezus’ Bloed. Zij hebben Zijn getuigenis, maar… op het beslissende ogenblik zullen zij het bruiloftskleed niet aan hebben en om die reden zegt Jezus: “Ik ken u niet!” Hij zoekt bruiloftskinderen, gekleed, vervuld met de Heilige Geest en Hij vindt die in 5 van hen, de “wijze” maagden.

  • 5 = het symbolisch getal van “verzoening”;
  • 10 = het symbolisch getal van “Goddelijke volkomenheid”.

Gods Koninkrijk is een volkomenheid. Vandaar, dat er staat: “Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan 10 maagden…”. Maar, slechts 5 van de 10 zullen in de eindtijd voldoen aan Gods eis. De andere 5 gaan dan wel niet verloren, maar zij zullen door de Grote Verdrukking moeten gaan. Zij vervallen van hun eerstgeboorterecht, zoals eens een Ruben.
Wij onderschatten vaak de kracht van de duivel. De heilige Drie-eenheid [2] wordt straks door hem nagebootst in de satanische drie-eenheid. Dat zegt het profetisch Woord van God, in Openbaring 13, het is dus geen fabeltje. Zoals Judas zich verkocht zo zal ook straks één van de Spade Regen-apostelen zich aan de duivel verkopen met lichaam, ziel en geest  en in hem wordt straks de duivel gepersonifieerd. De antichrist zal een mens zijn in wie de duivel zich manifesteert, zoals ook God de Vader Zich in de Zoon heeft geopenbaard. De derde persoon van de satanische drie-eenheid zal de “valse profeet” zijn, wiens taak het zal zijn de mensen tot aanbidding van de antichrist te brengen, zoals de Heilige Geest de mensen brengt tot de aanbidding van Jezus Christus. Tijdens de Grote Verdrukking is satan de absolute vorst der wereld, nu wordt hij nog tegengehouden door de Wederhouder:
“Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is, de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet… En u weet wat hem nu weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt. Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand (= de Heilige Geest, werkzaam in de Bruidsgelovigen) die hem nu weerhoudt, totdat hij (bij de wegname van de Bruidsgemeente – AK) uit het midden verdwenen is. En dan zal de wetteloze geopenbaard worden.” (2 Thess.2:3-8a)
Niettemin zal hij, gaande naar de eindtijd, hoe langer hoe meer demonen loslaten tegen hen die de Naam van Jezus belijden. Natuurlijk worden daartoe mensen bewerkt: de goddelozen, de schijnheiligen, de werkers der ongerechtigheid. Ze worden allen door satan gemaakt tot jagers, vervolgers van de oprechte gelovigen. Laat ons gewaarschuwd zijn! De invallen in huis komen terug, niet om verborgen wapens te zoeken, maar om te kijken of u een Bijbel in huis hebt. Het hele huidige wereldsysteem gaat de kant op van een nieuwe inquisitie. Daarom: wie wilt u dienen?
Daarom: zet alles op alles om gedoopt te worden met de Heilige Geest en om vervuld te blijven. Zijn discipelen in de opperkamer wachtten 10 dagen. Toen waren ze uitgebeden, aan het eind van hun latijn. Dat zoekt God in ons: gebrokenheid, een verslagen geest en hart. Hij kan slechts Zijn tempel bouwen op de ruïnes van onze (oude) levens. Hij is méér verlangend om u te dopen, dan u verlangt te ontvangen. Als u dus nog niet ontvangen hebt, zoek in alle gaten en hoeken van uw leven, tot God zegt wáár het u aan mankeert. Als u die barrière opheft, kan Hij u dopen. Hij kan niet binnenkomen, tenzij u de poort openzet. Als u een aardse koning met gejuich en gejubel binnenhaalt, moet u de Koning der koningen dan niet alzo binnenhalen? Niet met stijve gezichten bidden! Als u eenmaal hebt ontvangen, zult u beseffen wat u ontbeerd hebt, wat een armoede u geleden hebt. Hij is een jaloerse God en wil NUMMER ÉÉN zijn in ons leven. Hij duldt niet dat u een mens meer liefde en eer geeft dan Hem, Die voor u gestorven is. Hem komt de hoogste eer toe. God wacht met IN ons te komen wonen – door Zijn Geest – totdat wij niets meer boven Hem stellen.

.

De Bloedbruidegom

Terug naar Exodus 4:26, waar wij lezen:

  • Toen liet Hij hem (= Mozes) met rust. Vanwege de besnijdenissen zei zij (Zippora) toen: Bloedbruidegom.”

De noodzaak om besneden te zijn wordt ons uit deze geschiedenis duidelijk. Het gaat nu echter niet om de vleselijke besnijdenis, maar om de besnijdenis in de geest, die van ons hart. Zippora is in dit geval een zuiver typebeeld van de Gemeente van Jezus Christus, in het bijzonder van de Bruidsgemeente van de eindtijd. Deze Gemeente zal alles veil hebben (= bereid om alles [op] te offeren) om die geestelijke besnijdenis te gewinnen. Zij zullen daarom roepen en schreeuwen, aangezien Jezus Christus hun Bloedbruidegom is, en wel door het proces: kruis – dood – doop des Geestes.
Door deze doop des Geestes wordt de dood van ons geweerd, want Hij verzegelt ons tot op de dag van verlossing:

  • “En bedroef de Heilige Geest van God niet, door Wie u verzegeld bent tot de dag van de verlossing.” (Efeze 4:30)

In die dag staan wij op in opstandingsheerlijkheid om voor altijd bij Hem te zijn. Maar het betekent wel de kruisiging van ons vlees!
In den beginne schiep God hemel en aarde. Een wonderbare hemel en aarde, totdat de zonde intrede deed, want wij weten dat zowel in de hemel als op aarde zonde ontstond. En God wil terug tot die wonderbare wereld. Wat Hij begint, voleindigt Hij ook. Wij verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, een nieuwe wereld en deze wereld zal worden bewoond door nieuwe mensen, nieuwe creaturen. Hier op aarde, in deze oude wereld moet die nieuwe mensheid gecreëerd worden; nu, in dit leven moeten wij die nieuwe creaturen worden. En deze nieuwe schepping, dit nieuwe mensdom, dat wordt bewerkstelligd door de Heilige Geest… als Hij in ons woning heeft gemaakt en vandaaruit Zijn herschepping werkt. Ik kan niet genoeg benadrukken, dat dit heiligingswerk een proces is, dat ons gehele leven op aarde in beslag neemt, een levenslang proces. En het is Gods Geest Die dat moet uitwerken. Daarom, dat Paulus zegt: “Christus onder u, de Hoop op de heerlijkheid” (Kolossenzen 1:27b)
In verband met deze besnijdenis nog de volgende teksten:
“Want niet híj is Jood die het in het openbaar is, en niet dát is besnijdenis die in het openbaar in het vlees plaatsvindt, maar híj is Jood die het in het verborgene is, en dát is besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God.” (Romeinen 2:28-29)
De besnijdenis van het hart, in de Geest, is een demonstratie van Gods kant, namelijk: de doop met de Heilige Geest.
“Want wij zijn de besnijdenis, wij die God in de Geest dienen en in Christus Jezus roemen en niet op het vlees vertrouwen.” (Filippenzen 3:3)
Besnedenen zijn diegenen die God in de Geest dienen.
“Hoe God Jezus van Nazareth gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht en hoe Hij het land doorgegaan is, terwijl Hij goeddeed en allen die door de duivel overweldigd waren, genas, want God was met Hem.” (Handelingen 10:38)
Petrus wijst op de zalving van de Heilige Geest, die op Jezus lag ten teken dat God met Hem was.
Alleen de kracht van de Heilige Geest staat ten teken van Gods tegenwoordigheid! U leest dan nog in het boek Handelingen over de bevrijding van Petrus uit de gevangenis en ook van de bevrijding van Paulus en Silas,  door de aardbeving die hun gevangenis zo krachtdadig schudde dat zelfs de ketenen van de gevangenen losraakten. Toen de discipelen baden, werd de plaats bewogen door de kracht van de Heilige Geest. Het is diezelfde Geest, Die vroeger werkte, Die ook nu werkt, als wij Hem de gelegenheid geven om Zijn bovennatuurlijke kracht te tonen.
Johannes de Doper wist het al, toen Hij zei: “…Die na mij komt, is sterker (of: meerder) dan ik;… Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur. (Mattheüs 3:11)
Hij is de Geest van oordeel en ook de Geest van uitbranding. Hij overtuigt de wereld van zonde, van gerechtigheid en van oordeel en Zacharia 4:6b zegt het ons reeds:
“Niet door (menselijke) kracht en niet door (menselijk) geweld, maar door Mijn Geest (zullen deze dingen geschieden), zegt de HEERE.”
Als Hij vaste inwoning in u heeft, dan pas weet u, wat het is, dat Hij Die in u is, meerder is dan alles daarbuiten. Door Jezus Christus bent u meer dan overwinnaar. Zonder hem bent u niets!
Het woord “Bloedbruidegom” bestaat uit twee delen: Bloed en Bruidegom. Bloed spreekt van verlossing (door Jezus’ kruisdood) en Bruidegom spreekt van gemeenschap (door de doop des Geestes). De naam weerspiegelt, als het ware, wat in de besnijdenis wordt uitgedrukt. De doop met Heilige Geest betekent een “insnijding” in ons vlees, maar tegelijk een innige gemeenschap met Jezus. Voor Cornelius en zijn gezin werd Jezus de Bloedbruidegom. In Handelingen 10:43 horen wij Petrus tot hen zeggen:
“Van Hem getuigen al de profeten dat ieder die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangen zal door Zijn Naam.”
En in Handelingen 10:44 lezen wij dan:
“Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden.”
Door Cornelius’ aanname van Jezus Christus en Zijn offerdood aan het kruis, ontving hij de doop met de Heilige Geest en door deze doop werd Jezus Zijn Bloedbruidegom. Hij ontving de Geestesdoop, hoewel hij nog niet eens de waterdoop had ondergaan. Maar God staat boven Zijn eigen wetten, dus… wat kon Petrus doen? Dat Petrus’ metgezellen, de gelovigen uit de besnijdenis, ontzet waren is logisch:
“En de gelovigen die van de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren meegekomen, waren buiten zichzelf dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd.” (Handelingen 10:45)
Zij die de Geestesdoop zoeken, moeten doordrongen zijn van de opdracht (bidden, zoeken, kloppen!) èn van de belofte (ontvangen, vinden en opengedaan):
“En Ik zeg u: Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden. Want ieder die bidt, die ontvangt; wie zoekt, die vindt; en wie klopt, voor hem zal er opengedaan worden. Welke vader onder u zal aan zijn zoon, als hij hem om brood vraagt, een steen geven, of ook als hij om een vis vraagt, hem in plaats van een vis een slang geven, of ook als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen geven? Als u die slecht bent, uw kinderen dus goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen die tot Hem bidden?” (Lukas 11:9-13)

.

Na de besnijdenis: het getuigenis

In Exodus 4:27-31 lezen wij:
“De HEERE zei tegen Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging en ontmoette hem bij de berg van God en kuste hem. Mozes vertelde Aäron al de woorden van de HEERE, Die hem gezonden had, en al de tekenen die Hij hem opgedragen had. Toen ging Mozes op weg, met Aäron, en zij verzamelden alle oudsten van de Israëlieten. Aäron sprak al de woorden die de HEERE tot Mozes gesproken had, en deed de tekenen voor de ogen van het volk. Het volk nu geloofde. Toen zij hoorden dat de HEERE naar de Israëlieten omgezien had en dat Hij hun onderdrukking gezien had, knielden zij en bogen zij zich neer (SV: aanbaden – de Heere).”
Uit de samenhang van Exodus 4 vers 29 en 31 wordt ons duidelijk dat Aäron de spreekbuis was van Mozes. Het getuigenis van God aan Mozes werd door deze aan Aäron doorgegeven en Aäron op zijn beurt gaf het Woord des Heren aan het volk door. In overdrachtelijke zin leert ons dit, dat het getuigenis van God in deze (= onze) tijdsbedeling direct moet volgen op de besnijdenis. Indien wij dus gedoopt zijn met de Heilige Geest en dit getuigenis ontbreekt, dan is er een manco in ons geestelijk leven.
Voor een goed verstaan herhalen wij nog even in het kort het voorgaande:

Mozes was de bloedbruidegom van Zippora. Jezus is de Bloedbruidegom van de Gemeente.
Het verbondsteken van God aan Abraham was de besnijdenis in het vlees. In de Nieuwe Bedeling is de doop met de Heilige Geest het bloedteken van de besnijdenis van het hart.

Mozes is dus het typebeeld van de Here Jezus en Zippora het typebeeld van de Christengemeente. Zij worden eenmaal tezamen gebracht als Bruidegom en Bruid. Maar nu komt –  in deze zinnebeeldige geschiedenis van Mozes en Zippora – Aäron in de plaats van Zippora. Aäron wordt dus nu het typebeeld van de Gemeente. Want zoals Aäron alles wat Mozes zei – als diens spreekbuis – moest doorgeven, zo moet ook nu van de Gemeente Gods getuigenis uitgaan (vergelijk 1 Korinthe 14:36, “…is het Woord van God van ú uitgegaan? Of heeft het alleen ú bereikt?”)
Wij zijn de spreekbuis, wij moeten het getuigenis doorgeven. Jezus’ opdracht in Handelingen 1:4+8 was: “Blijft u te Jeruzalem totdat u met kracht zult zijn aangedaan”: “…u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde.”
Als dus het getuigenis van God in ons leven ontbreekt, wordt de Naam van Jezus NIET in ons leven verheerlijkt, en zien de mensen Christus OOK NIET in ons leven… en leren zij Hem ook niet kennen als de Zaligmaker.
Letten wij nog op de doorwerking van het Bloedteken. Bij de letterlijke besnijdenis vloeide er bloed. Bij de besnijdenis van het hart (Romeinen 2:29), zien wij dit bloed in de kruisiging van het vlees en, in het bijzonder, van onze tong: “Maar híj is Jood die het in het verborgene is, en dát is besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God.” (Rom.2:29)
Zoals in Handelingen 2:3-4 de discipelen spraken in nieuwe tongen (een menselijke tong weliswaar) en de Naam des Heren werd grootgemaakt, zo moet ook God in ons leven komen met – letterlijk – nieuwe tongen, die de Geest geeft uit te spreken:
“En aan hen werden tongen als van vuur gezien, die zich verdeelden, en het zat op ieder van hen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken in andere talen (of: nieuwe tongen), zoals de Geest hun gaf uit te spreken.” (Hand.2:3-4)
Onze tong is van nature een kwaad lid, van de hel ontstoken, zegt Jakobus 3:6+8,

  • “Ook de tong is een vuur, een wereld van ongerechtigheid. Zo staat het met de tong onder onze lichaamsdelen (SV: onze leden). Ze besmet het hele lichaam, en zet onze levensloop vanaf het begin in vlam, en ze wordt zelf door de hel in vlam gezet (SV: ontstoken).”
  • “Maar de tong kan geen mens temmen. Ze is een niet te bedwingen kwaad, vol dodelijk vergif (SV: venijn).”

Wij kunnen met deze tong niet tegelijkertijd God loven en prijzen èn de mensen veroordelen en bekritiseren. Daarom dat onze tong moet worden gekruisigd en onder de macht van de Heilige Geest moet worden gesteld, waardoor wij in staat zijn in nieuwe tongen te spreken, een vlekkeloze taal, Zijn taal; waarvan Paulus in 1 Korinthe 14:2 zegt:
“Wie namelijk in een andere (SV: vreemde) taal spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand begrijpt het, maar in zijn geest spreekt hij geheimenissen.”
Wij kunnen dus de Here alleen met deze bezoedelde en verdoemelijke tong verheerlijken als Hij die tong kruisigt en in Zijn macht heeft. In dat gekruisigd worden ziet u het bloed. Hoe verderfelijk die tong van de oude Adam is, leest u in Romeinen 3. Geen wonder dat dit hoofdstuk opent met de besnijdenis in de voorhuid (het vlees): “Welk is dan het voordeel van de Jood? Of welk is de nuttigheid van de besnijdenis?” (Romeinen 3:1, SV)
In Romeinen 2:25-27 lezen wij:
“Want de besnijdenis heeft wel nut als u de wet houdt, maar als u een overtreder van de wet bent, is uw besneden zijn tot onbesneden zijn (als met voorhuid) geworden. Als dan een onbesnedene (dus: met voorhuid) de verordeningen van de wet in acht neemt, zal zijn onbesneden zijn dan niet tot besnijdenis gerekend worden? En zal hij die overeenkomstig de natuur onbesneden is, maar die de wet volbrengt, u dan niet oordelen, die mét de letter van de wet en de besnijdenis een overtreder van de wet bent?”
Met andere woorden, die hele besnijdenis is thans van nul en generlei waarde, want als u in één ding struikelt, dan struikelt u in de gehele wet: “Want wie de hele wet in acht neemt, maar op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden.” (Jakobus 2:10)
U moet aan alle van de wet eisen voldoen, maar er is geen mens die in eigen kracht voor 100% aan de wet kan voldoen. Daarom was het nodig dat Iemand kwam Die aan de gehele wet kon voldoen. God Zelf kwam, in Christus, en kon aan het kruis dan ook zeggen: “Het is volbracht!” Ook de Schrift zegt: “Want het einddoel van de wet is Christus.” (Romeinen 10:4a)
En als deze wet dan eindigt, dan moet er iets anders voor in de plaats treden. Dat kan niets anders zijn dan Christus’ inwoning. En dit is wat de Schrift verstaat onder de tweede, de geestelijke besnijdenis:
“Want niet híj is Jood die het in het openbaar is, en niet dát is besnijdenis die in het openbaar in het vlees plaatsvindt, maar híj is Jood die het in het verborgene is, en dát is besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God. (Romeinen 2:28-29)
Omdat het oude had afgedaan, moest het nieuwe komen. Ook een oud testament heeft afgedaan als u een nieuw testament bij de notaris laat maken. Waarom is dit nodig? Het antwoord vinden wij in Romeinen 3:10-14, “Zoals geschreven staat: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één, er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt. Allen zijn zij afgedwaald, samen zijn zij nutteloos geworden. Er is niemand die goeddoet, er is er zelfs niet één. Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen. Hun mond is vol vervloeking en bitterheid.”
Hier wordt ons het portret getekend van de mens in de oude Adam-natuur, zoals God hem ziet in zijn oude, onbekeerde staat en dat ondanks de wet! (zie Romeinen 3:19)
De waarheid is altijd hard voor hen die zich veroordeeld voelen; hard voor ons vlees. Maar dit vlees moet worden gekruisigd en dit doet altijd pijn! Maar wie zijn wij, die God willen voorschrijven hoe Hij het moet doen?
Laten wij nu terugkeren tot Exodus 4:27b, waar God tot Aäron zei om Mozes tegemoet te gaan. Daar lezen wij: “hij (= Aäron) ging en ontmoette hem (= Mozes) … en kuste hem. Dit zijn twee feiten: een ontmoeting en een kus. Er moet eerst een ontmoeting zijn vóór er sprake kan zijn van een kus, een begroeting. Gods eis is nooit veranderd, omdat God Zelf niet verandert. De eis in het Oude Testament is dezelfde als in het Nieuwe Testament. God eist: eerst een ontmoeting met onze Bloedbruidegom en dan volgt de kus der gemeenschap, die ook spreekt van verzoening.
Als wij Jezus ontmoeten in ons leven en Hem aannemen als onze persoonlijke Zaligmaker, dan is er ook volkomen vergeving en verzoening, want “God was het namelijk Die in Christus (Jezus) de wereld met Zichzelf verzoende.” (2 Korinthe 5:19)
En groeit u door de Heilige Geest in dat nieuwe leven, dan komt u tot de ervaring van de gemeenschap door diezelfde Geest.

Wordt vervolgd

CJH Theys
Enigszins bewerkt door A. Klein

***********************************************************************************

[1] Schriftuurlijk Pinksteren = Waarmee vooral (Pinkster)gemeentes en -gelovigen worden bedoeld, waar de Pinksterboodschap en de Pinksterervaring – dus: de boodschap over en de ervaring van de uitstorting van en/of de vervulling met de Heilige Geest – gepredikt en ervaren wordt. (noot AK)
[2] In Deuteronomium 6:4 staat: “Luister, Israël! De HEERE, onze God; de HEERE is één! (dus één Persoon!)
Dit wordt ook onderschreven door het feit, dat de beide cherubs en het verzoendeksel uit één brok goud moesten worden gesmeed (= geslagen) (zie Exodus 25:18). De beide cherubs en het verzoendeksel beelden onze almachtige God in Zijn drie openbaringsvormen uit. De cherubs beelden de Vader en de Heilige Geest uit, en het verzoendeksel beeldt het Lam, de Zoon van God uit. Gods wezen is een EENheid. Hij is één Wezen, één Persoon. De leer, dat God uit 3 Personen bestaat, is een dwaling. Het is dus beter te spreken van de 3 Openbaringsvormen van God, te weten:
  • de 1ste Openbaringsvorm van God: de Vader
  • de 2de Openbaringsvorm van God: Jezus, de Zoon
  • de 3de Openbaringsvorm van God: de Heilige Geest.
Net zoals wij mensen ook bestaan uit: lichaam, ziel en geest. (noot AK)

.

Geplaatst in Bijbelstudie, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Gods Geest/De Heilige Geest/Geestesgaven etc., Heiligmaking, Studie van CJH Theys, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen