Boekbespreking 60: Crises van de eindtijd (Goddelijke gerichten vanaf de tijd van de grote afval, volgens de beschrijving van het boek -en de profeet- Joël)

Een Bijbelstudie van Bijbelleraar H. Siliakus

Goddelijke gerichten

Voorwoord

Temidden van vele andere gebeurtenissen staan de mensheid in de tijd van het einde drie grote crises te wachten. De Gemeente van de Here Jezus Christus komt in een zeer kritieke toestand terecht. Deze tijd zijn wij inmiddels reeds ingegaan. De grote afval is in volle gang. Niet lang zal het duren of ook “de benauwdheid van Jakob” begint, waarin het er voor de volkeren Israëls somber zal uitzien! De derde grote crisis is die waarin de massa’s der goddelozen belanden, na te zijn opgezweept tot een totale opstand tegen God door de komende antichrist. Dit zal de crisis voor de wereld zijn, ook wel Armageddon genoemd.
Aan deze drie crises is het boek Joël gewijd. Zij markeren de drie stadia van de voltrekking van het oordeel Gods aan het eind van de bedeling der genade. Dit oordeel begint bij het Huis Gods: “Want nu is het de tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; en als het eerst bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?” (1 Petrus 4:17)
De volgorde is derhalve: Gemeente, Israël, de wereld. Wonderlijk genoeg staat echter centraal in dit boek de zegen van de grote uitstorting van Gods Geest in de laatste dagen, de “Spade Regen”. Te onderzoeken hoe het één met het ander samenhangt, is één van de opgaven waarvoor het onderhavige Bijbelboek ons stelt.

Deel 1: Joël – Het boek en de schrijver

Joel, het tweede boek van de 12 zogenaamde “kleine profeten”, is één van de geschriften uit de Bijbel die uitsluitend handelen over de laatste dagen van de Gemeentelijke tijdsbedeling, de eindtijd in engere zin. Wat wij al op zoveel andere plaatsen in het profetisch Woord ontdekt hebben, dat komt ook in dit kleine, maar belangrijke boek naar voren, namelijk, dat de gebeurtenissen van de eindtijd zich zullen centreren rond Israël enerzijds en de Gemeente anderzijds. En dan niet, zoals in een foutieve bedelingenleer vaak wordt voorgesteld, in volkomen gescheidenheid van elkaar – met voor ieder een eigen weg van heil of voor ieder een eigen heilstijd (er is namelijk maar één Weg tot zaligheid, namelijk Jezus, en er is maar één “Dag van zaligheid”, namelijk de tijd van heden) – maar als één samenhangend gebeuren waarin beurtelings Gods bemoeienis met Israël (in de aardse sfeer) en met de Gemeente (in de geestelijke sfeer) tot uiting komt. Deze bemoeienis leidt tot één en hetzelfde doel: de uiteindelijke vestiging van het Koninkrijk Gods op aarde. God heeft met de Israëliet en de heiden hetzelfde voor. Eén en dezelfde zegen heeft God voor beiden weggelegd, voor nu en voor de toekomst. Paulus zegt in Galaten 6:16 dat vrede en barmhartigheid zullen komen over allen die naar de regel van het Nieuwe Testament wandelen en voegt daar dan aan toe dat dit dus ook voor het Israël van God geldt, de wedergeboren Israëlieten. De weg tot deze zegen leidt, zowel voor de Israëliet als voor de heiden, door Jezus Christus en derhalve door invoeging in de Gemeente van Christus. Gods plan met Israël, als groep van volkeren temidden van andere volkeren, is onderdeel van Zijn plan en voornemen met de Gemeente. Het begin dat God maakte met Abraham, de stamvader van Israël, had ten doel om zegen aan alle volkeren en geslachten van het aardrijk te brengen: “Ik zal zegenen wie u zegenen…; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.” (Genesis 12:3)
De Israëlitische volkeren zijn in de Nieuwe Bedeling door God ingezet voor de verbreiding van het Evangelie en daarmee voor de groei van de Gemeente. En als eenmaal een deel van deze Gemeente hier op aarde de volmaaktheid zal hebben bereikt – dat deel dat de lichamelijke dood niet zal zien (namelijk: de Bruidsgemeente) – zal uit de schare van Israëlitische gelovigen die daartoe behoren het “keurkorps” voortkomen (‘de 144.000’ of het volk van ‘de mannelijke zonen’) dat voor de laatste strijd zal worden ingezet.

Waarom nu direct deze opmerkingen gemaakt over de verhouding tussen Israël en de Gemeente? Het is alsof we met de deur in huis vallen. Maar dit was nodig, omdat bij het lezen van het boek Joël zal blijken, dat men zich voortdurend voor de vraag ziet gesteld: “Gaat het nu over Israël of over de Gemeente?” Hoofdstuk 1 lijkt geheel op Israël betrekking te hebben. Hoofdstuk 2 aanvankelijk ook, maar gaandeweg komt bij het lezen de Gemeente meer in het vizier, met name als wij toekomen aan de bekende “Pinksterprofetie”: “Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien. Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.” (Joël 2:28-29)
Ook hoofdstuk 3 lijkt geheel te handelen over Israël (meer in het bijzonder, over het Juda-deel van Israël – zie noot 2), maar als wij enige symbolieken gaan verstaan, komen toch ook weer gedachten naar voren die meer verband houden met de Gemeente. Allicht ontstaat er dus enige verwarring als er niet voldoende inzicht is in de problematiek rond Israël en de Gemeente. Vandaar deze inleiding, die vooral bedoelde te benadrukken, dat Israël en de Gemeente niet louter als tegenstelling moet worden beschouwd. Het is daarbij wel nodig het onderscheid tussen het “Huis van Israël” en het “Huis van Juda” in het oog te houden en niet aan de eenzijdige visie vast te houden dat de Joden, en de Joodse staat “Israël”, het Israël zijn waar de Bijbel over spreekt. Zij vormen maar een klein deel daarvan en vrijwel alleen in de profetieën over Juda komen wij voorzeggingen tegen die op het Joodse volk betrekking hebben. De Israël-profetieën hebben voor het merendeel betrekking op de lotgevallen van de christelijke naties van het Westen, de nazaten van de 10 “verloren” (gewaande) stammen.

  • KLIK HIER als u deze studie wilt lezen of downloaden (= GRATIS).

A. Klein

Advertenties
Geplaatst in Boek/studiebespreking, De antichrist(elijke tijd), Eindtijdstudie, Gods Geest/De Heilige Geest/Geestesgaven etc., Israël/huis van Israël, Oordelen Gods, Opwekking, Studie van H Siliakus | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De herleving van Jakob (ofwel: van Israël)

Noot AK:
Jakob – door God – later ook Israël genoemd, is de stamvader van het gehele volk Israël (dus van alle 12 zonen en stammen, inclusief de 10 ‘verloren gewaande’ stammen).[1]

de 12 zonen van Jakob cq Israel

Jakob ziet Jozef terug

Van dankbare verwondering gaf de aartsvader Jakob (ofwel Israël) blijk, toen hij op zijn sterfbed tot zijn meest geliefde zoon, Jozef, sprak: “…Ik had niet gedacht je gezicht ooit nog te zien, maar zie, God heeft mij zelfs je nageslacht (SV: uw zaad) laten zien” (Genesis 48:11, HSV).
Jarenlang had Jakob zijn zoon Jozef voor reeds gestorven gehouden, want nadat deze weggevoerd was uit zijn geboorteland, en het gerucht/bericht de ronde deed dat hij door een wild dier was verscheurd, had Jakob, zoals begrijpelijk is, zelfs de verwachting niet gekoesterd hem ooit nog terug te zien. Jozef, de zoon van zijn beminde vrouw Rachel, nog eens op aarde te ontmoeten, had Jakob voor zichzelf als een onvervulbare wens afgeschreven. Maar God maakte het zó, dat wat onmogelijk geacht werd, gebeurde! En niet alleen Jozef, maar ook zijn zonen (zijn “zaad” of “nageslacht” – de tweeling Manasse en Efraïm) mocht Jakob – de grijze patriarch (als Israëls stam- en aartsvader) – nog 17 jaren bij zich hebben.
Er is weinig voorstellingsvermogen voor nodig om te kunnen begrijpen dat het bij het weerzien van Jozef was alsof Jakob herleefde! De man die, getuige zijn eigen woorden (zie Genesis 37:35)[2] sinds de verdwijning van zijn zoon Jozef in “het dal van de schaduw des doods” verkeerd had, herrees tot nieuw leven toen hij de doodgewaande Jozef terugzag. Komend tot een meer geestelijke benadering van deze geschiedenis – waarbij het om het “wezenlijke” gaat – vinden wij aanleiding genoeg om deze gebeurtenis “de herleving van Jakob” te noemen.

Gods leiding

Jakobs God is ook onze God, maar net als Jakob verstaan ook wij vaak Gods wegen niet en hebben er soms zelf geen notie van ‘hoe’ Hij werkt. Ondoorgrondelijk is Zijn wijsheid, onnaspeurlijk zijn Zijn wegen! (zie Romeinen 11:33). Wie deze God dienen, zo leert ons ook deze geschiedenis van Jakob, mogen echter met een wonderlijke hoop leven. Een hoop die niet alleen zekerheid van eeuwig leven is, maar ook zekerheid van Gods genadige bemoeienis met ons leven hier op aarde. Een waarachtig christen zal zijn of haar wensen en verlangens nooit tot obsessies laten uitgroeien, maar zal er eenvoudigweg altijd rekening mee houden dat God – naar Zijn wil – “boven bidden en boven denken” (zie Efeze 3:20) voorziet in wat nodig is.
“Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!”, zo riep David eenmaal uit, waarna hij sprak van Gods “beek vol verrukkelijke gaven” waaruit de godvrezenden mogen drinken, en van het ware Leven en Licht dat zij mogen kennen (zie Psalm 36:8-10, HSV). Gods goedertierenheid, Gods liefdevolle bemoeienis en leiding in ons leven, moet ons dierbaar worden. Door soms diepe valleien leidt Hij ons voort om ons bij wonderheerlijke hoogten te brengen. In vele benauwdheden laat Hij ons terechtkomen, opdat wij door ervaringen van “herleving” zullen komen tot de kennis van het Goddelijke leven!

God vraagt een offer

Wie opmerkzaam is zal ontdekken dat een wonderbare voorziening Gods dikwijls een door ons te brengen offer vraagt. Ik doel dan niet op het “dal” dat wij vóór zo’n voorziening vaak moeten doorkruisen, maar op iets wat daarbij komt en dat het beste kan worden omschreven als ‘de toets’. Het is een ervaring, waarbij men soms onder tranen moet uitroepen: “Heer, vraagt Gij nu ook dit nog van mij?” Maar God wil nu eenmaal het bewijs dat wij werkelijk op Hem alleen vertrouwen en – uit liefde tot Hem – alles willen doen wat Hij van ons verlangt. Abraham moest eerst toebereidingen maken om zijn eigen zoon te offeren, voordat hij God als de “Voorziener” (JaHWeH Jireh) kon leren kennen (zie Genesis 22:1-18). Vele eeuwen later moest een zekere Jaïrus eerst werkelijk zijn dochter verliezen vóórdat hij haar gezond kon terugontvangen (zie Lukas 8:40-42+49-56). En zo zien wij in het geval van Jakob dat hij, om (de doodgewaande) Jozef te kunnen ontmoeten en om weer met hem verenigd te zijn, het beloofde land moest verlaten (zie Genesis 46:1-4+28-31). Dit was het offer dat Jakob moest brengen bij deze gelegenheid. Een offer waarover wij niet te gemakkelijk moeten denken! Wij zouden, dit omschrijvende, kunnen zeggen: Jakob moest in geloof durven prijsgeven wat God hem reeds geschonken had (in de zin van: waar hij het bezit al van had mogen genieten). Dus… willen verliezen om te kunnen ontvangen!

Dood en opstanding

De geschiedenis van Jakobs herleving bergt niet alleen een geestelijke les – voor ieder van ons persoonlijk – in zich, maar er is ook een PROFETISCHE boodschap aan verbonden, bestemd voor de Gemeente van Jezus Christus van de laatste dagen.

  • KLIK HIER als u deze studie verder wilt lezen (of downloaden).

H. Siliakus
Enigszins bewerkt door A. Klein

*********************************************************************************

[1] Het volk van Israël bestaat uit de 12 stammen, vernoemd naar de 12 zonen van Jakob (die later van God de naam Israël kreeg). Maar later komt er een splitsing. Er wordt in de Bijbel dan onderscheid gemaakt tussen het ‘huis van Israël’ en het ‘huis van Juda’ (de zgn. Joden). Het ‘huis van Israël’ bestaat uit 10 stammen, die in de loop van de geschiedenis weggevoerd zijn uit het beloofde land Kanaän/Palestina. Zij zijn daarna de zgn. heidenwereld ingetrokken, waar zij tot op heden (in het ‘verborgen’, vaak zonder het zelf te weten) wonen. Het zijn vooral de zgn. ‘christelijke’ landen in Noordwest Europa en de landen, waar velen later naar toe zijn gemigreerd, zoals Amerika, Canada, en Australië. Het ‘huis van Juda’ bestaat uit 2 stammen, namelijk het volk van Juda en Benjamin die, in de dagen dat Jezus op aarde was, in het beloofde land Kanaän/Palestina leefde. Het ‘huis van Juda’, de zgn. Joden, is dan ook het deel van Israël waarover de verharding is gekomen (zie Rom. 11:25).
Het huidige land Israël (waar heden voornamelijk de 2 stammen van het ‘huis van Juda’ – de Joden – wonen) doet thans haar rechten gelden op het land Palestina. Historische rechten, waarvan we ook lezen in de Bijbel. Als de tijd daar is dat het profetisch Woord vervuld wordt, dan kan het niet anders of geheel Israël (alle 12 stammen) zal uiteindelijk in bezit komen van geheel Kanaän/Palestina en van de stad Jeruzalem (zie Gen.15:18). Abrahams nakomelingen zouden volgens de Goddelijke belofte het land Kanaän bewonen. Dat land zou zich uitstrekken van de beek van Egypte (een kleine rivier ten oosten van de Nijl) tot aan de rivier de Eufraat. Voor ons zijn het tekenen dat we in de (Bijbelse) ‘laatste dagen’, vlak voor de wederkomst van Jezus, leven. Daarom is het juist in deze tijd belangrijk om na te gaan wat de Bijbel over deze dingen zegt.
[2] “Al zijn (= Jakobs) zonen en al zijn dochters stonden op om hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten en zei: Voorzeker, ik zal treurend (SV: rouw bedrijvende) naar mijn zoon (= Jozef) in het graf afdalen. Zo beweende zijn vader hem.” (Genesis 37:35, HSV)
Geplaatst in Eindtijdstudie, Gods Geest/De Heilige Geest/Geestesgaven etc., Israël/huis van Israël, Nuttige studie als 'basiskennis', Opwekking, Studie van H Siliakus | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Boekbespreking 59: Het Boek Daniël (alle 12 hoofdstukken, met vers voor vers uitleg)

Een Bijbelstudie van Bijbelleraar C.J.H. Theys[1]

DAN 2 STATUE ROCK 

  • Alle hoofdstukken compleet (de PDF’s – ook handig als u de studies eventueel uit wilt printen).

Deze uitgebreide ‘vers voor versBijbelstudie van het Boek Daniël is in 12 delen – naar het aantal hoofdstukken – op deze site geplaatst.
Hieronder vermelden we, voor u gemak, een rechtstreekse link naar ieder hoofdstuk afzonderlijk.

  1. Daniël, hoofdstuk 1 (+ inleiding): Daniël en zijn 3 vrienden aan het Babylonische hof
  2. Daniël, hoofdstuk 2: De 1ste droom van Nebukadnezar: Het beeld (Actueel vanwege het antichristelijke tijdperk van “voeten en tenen”)
  3. Daniël, hoofdstuk 3: De beproeving van de vurige oven (Tevens een verwijzing naar de tijd van en vlak voor de grote verdrukking)
  4. Daniël, hoofdstuk 4: De 2de droom van Nebukadnezar
  5. Daniël, hoofdstuk 5: Gods afrekening met Babel en zijn koning Belsazar
  6. Daniël, hoofdstuk 6: De beproeving van de leeuwenkuil
  7. Daniël, hoofdstuk 7: Daniëls droom – Het visioen van de 4 dieren
  8. Daniël, hoofdstuk 8: Daniëls visioen van de ram en de geitenbok
  9. Daniël, hoofdstuk 9: Gods openbaring aan Daniël van de 70 (jaar)weken
  10. Daniël, hoofdstuk 10: Christus kwam tot Daniël om te openbaren
  11. Daniël, hoofdstuk 11: Christus openbaarde Daniël een toekomende tijd van strijd
  12. Daniël, hoofdstuk 12: Christus openbaarde Daniël de eindtijd

A. Klein

********

[1] KLIK HIER als u iets meer wilt weten over deze Bijbelleraar, zie vooral ook het “In memoriam”.
Geplaatst in 'Vers voor vers' uitleg van Bijbelboeken, Boek/studiebespreking, De antichrist(elijke tijd), Eindtijdstudie, Nuttige studie als 'basiskennis', Studie van CJH Theys, Uitleg over het boek Daniël | Tags: , , , , , | 2 reacties

ONbesneden oren

“Tegen wie zal ik spreken, en wie zal ik waarschuwen dat zij zullen luisteren?”

Dit was de klacht van de profeet Jeremia (zie Jer. 6:10a, HSV). En… wij zullen ons de grote droefheid van de profeet enigszins kunnen voorstellen als wij weten welk een ernstige boodschap hij te brengen had (zie de voorafgaande verzen van Jeremia 6, vooral vers 1).
Is er iets dat een oprechte dienstknecht van de Here meer kan smarten dan dit: dat het volk dat hij waarschuwt, omdat het in groot gevaar verkeert, niet wil luisteren? Een volk bovendien waarmee hij zich nauw verbonden weet! Niemand heeft deze smart beter onder woorden kunnen brengen dan Jezus Christus Zelf in Mattheüs 23 vers 37 (HSV):

  • “Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt die naar u toe gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, zoals een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild!”

Veel is er sinds de dagen van Jeremia in de wereld veranderd, maar het volk van God is nog altijd (even) traag om (goed) te luisteren! Tegen wie zal ik spreken”, geeft de crisis weer waarin menige – door God gezonden – boodschapper zich vandaag de dag bevindt. En de droefheid van de boodschapper is dan ook Gòds droefheid! Jeremia vroeg als het ware aan de Heer: “Heeft het prediken nog wel zin?”
Maar… ook Gods huidige boodschappers kunnen zich dit regelmatig afvragen: Wie zal ik waarschuwen dat zij zullen luisteren?Want ook vandaag de dag kunnen Zijn boodschappers zeggen: “Zie, onbesneden is hun oor, zodat ze niet in staat zijn om er acht op te slaan” (Jer. 6:10b, HSV). Wij kunnen ons de moedeloosheid van Jeremia dus ook goed voorstellen.
En… er zijn ook nu – gelukkig – nog Jeremia’s en Elia’s onder ons! Maar… ook vandaag de dag gebeurt – helaas – nog steeds hetzelfde! De meeste christenen zijn even onverbeterlijk als de oude Israëlieten. Men spòt zelfs met het Woord (zie Jer. 6:10c). Hoorders van het Woord zijn er genoeg, maar DADERS van het Woord moet men met een kaarsje zoeken!

Voor wie er belang in stelt te weten wat toch de oorzaak van dit alles is, staat er in Jeremia 6 vers 10 nog iets anders geschreven: “ONbesneden is hun oor” (zoals het zo “mooi” in de Statenvertaling staat). ONbesneden oren horen bij ONbesneden harten, en dat zijn: harten die NIET wedergeboren zijn.

Wat BESNEDEN oren uitwerken, lezen wij in Psalm 40 vers 7-9 (SV/HSV):

  • “U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en spijsoffer; U hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist… Ik vind er vreugde in, mijn God, om Uw welbehagen te doen; Uw wet draag ik diep in mijn binnenste”.

Het verband met de besnijdenis van het hart is duidelijk: “men ervaart VREUGDE (in de oude Statenvertaling staat: LUST) om Gods welbehagen te doen”. Wedergeboorte is een werk van God, het is niet ONS werk. Wij WORDEN wedergeboren. Maar, zoals wij uit de gelijkenis van de zaaier kunnen weten (zie Matth. 13:1-9 en 18-23), kunnen wij wèl zorgen voor de juiste omstandigheden die wedergeboorte – en groei van het wedergeboren leven – mógelijk maken:

KLIK HIER als u deze studie verder wilt lezen.

H. Siliakus[1]


[1] Artikel van H. Siliakus, uit het blad ‘De Tempelbode’ van juli 1983. Enigszins bewerkt door A. Klein.

Geplaatst in Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Studie van H Siliakus, Werkers in Gods dienst | Tags: , , , , , | 2 reacties

Boekbespreking 58: Het ‘Onze Vader’

Een artikel van ds. J.H. Sillevis Smitt (1897-1975)[1]

Het Onze Vader

Inleiding:

Onze Vader,
Die in de hemelen zijt!
Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze;
Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen.

De kleine tamieion

De Here Jezus heeft aan Zijn discipelen vaak de raad gegeven: Ga in uw tamieion – dat is in de kleine kamer die van binnen gesloten kan worden, de enige plaats in het Oosterse huis waar u God kunt zoeken zonder door iets of iemand gestoord te worden – ga in uw binnenkamer. U behoeft er niet op te rekenen, dat u ooit licht en kracht in God zult vinden, als u dit bevel van Jezus negeert. God wordt een kracht in ons leven, als we Hem plaats en tijd geven. Maar wie Jezus’ raad – en deze raad is een bevel, een levenswet – opvolgt, die zal verrassende ervaringen opdoen. Hij zal tot de ontdekking komen, dat die uren, doorgebracht in de kleine tamieion de mooiste èn de moeilijkste uren van zijn leven worden. Nooit is een mens zo rijk en zo gelukkig dan wanneer hij bidt. Maar ook voelt een mens zich nooit zo rampzalig en zo verwerpelijk, dan juist wanneer hij tot God komt. Als we bidden komen we vaak zeer dicht bij de hemel. We wisten niet, dat er zo diepe vrede en zo rijk geluk in de ziel kon komen. Als we bij God zijn, worden soms op eenmaal alle angst en schaamte, alle schuldgevoel en zorg van ons weggenomen. We wisten tevoren niet, dat God zo vriendelijk, zo goed, zo wijs was. In de kleine tamieion gingen de geheimen daarvan voor ons open.
Nog eens: Wie bidt, is vaak dicht bij de hemel. Maar ook dat andere is waar: De ogenblikken van gebed zijn vaak de moeilijkste. Wat kunnen we het benauwd hebben, als we met God alleen in die binnenkamer zijn. Wat kan het dan donker worden. We kunnen dan niet meer weg. Nergens meer heen. We kunnen ons zelf niet meer ontvluchten. We kunnen onze mislukkingen, onze zonden niet meer ontvluchten. We kunnen God niet ontvluchten. We voelen dan iets van de waarheid van het woord, dat het vreselijk is te vallen in de handen van de levende God. Dan zien we pas wat zonde is. Met verschrikking valt het, in Gods tegenwoordigheid, ons op het geweten; hoe is het mogelijk, dat ik zo dwaas, zo ontrouw, zo brutaal, zo leugenachtig kon zijn. Wat wordt het ons bang te moede als we alleen zijn met ons zelf en we God maar niet kunnen vinden. Als alleen maar Zijn veroordeling zich uitspreekt in ons geweten. Dan grenst de tamieion aan de hel.
De kleine tamieion is Gods werkplaats. Daar bewerkt Hij ons. Hij breekt dan aan ons en schaaft aan ons en slijpt ons. Hij kneedt ons naar Zijn wil en vormt ons naar Zijn plan. Laat ik het met Bijbelse woorden mogen zeggen: Onze ‘oude mens’ wordt daar afgebroken en gedood en onze ‘nieuwe mens’ komt daar tot leven en bloei. En – God gebruikt de brokstukken van onze oude mens om de nieuwe mens op te bouwen.

Gaat bidden vanzelf?

Bidden is een door en door natuurlijk en daarom zeer eenvoudig iets. Dat komt zo maar vanzelf, uit de ziel, op. En bidden is het allermoeilijkste waartoe een mens kan komen.
Het is het meest eenvoudige. Elk kind kan bidden, eenvoudig, natuurlijk, eerbiedig, hartelijk – vertrouwend bidden. In hetzelfde ogenblik dat een kind van God geboren wordt, wordt een bidder geboren. Bidden is voor een kind van God even natuurlijk en noodzakelijk als ademen voor het lichaam.
Maar bidden is ook uitermate moeilijk. Een mens moet het zijn hele leven blijven leren en blijft er dan nog een stumper in. Bidden moge dan naar de nieuwe natuur zijn van het kind van God, het is geheel tegen zijn oude natuur in. Alleen reeds de houding van het gebed drukt uit dat er met een mens heel wat moet zijn gebeurd eer hij tot bidden kwam. Wie knielt er nu graag? Wie vouwt zijn handen nu vrijwillig als een smekeling? Wie wil er zijn ogen sluiten voor al wat de wereld aan schoons en verlokkends bieden kan? Bidden is moeilijk. Het vraagt de overgave van de hele mens. Het vraagt inderdaad: Gevouwen handen, gebogen knieën, gesloten ogen.
… “Heer, leer mij bidden. … Als antwoord op die vraag gaf Jezus toen het gebed, dat onder christenen bekend staat als: “Het Onze Vader”.

KLIK HIER als u deze studie wilt lezen of downloaden (= GRATIS).

A. Klein

********

[1] KLIK HIER als u iets meer wilt weten over wijlen Ds. J.H. Sillevis Smitt. (noot AK)
Geplaatst in Bidden/Gebed, Boek/studiebespreking, Nuttige studie als 'basiskennis' | Tags: , , , | 1 reactie

Bijbelstudies die GRATIS via onze site beschikbaar zijn

U kunt de PDF-files van de betreffende Bijbelstudies op deze pagina gratis downloaden. Klik daarvoor op de studie van uw keuze in onderstaande lijst. Om een PDF-file te bekijken of te downloaden, heeft u wel het programma Adobe Reader nodig.

U heeft keuze uit diverse studies, vermeld in de volgende 6 rubrieken:

1. Eindtijd studies

2. Uitleg (diverse) Bijbelboeken

3. Algemene onderwerpen

4. Een ANDER geluid:

5. Gods plan met Israël

6. Tabernakel studies

**********************************************************************************

Voor een overzicht – en tevens de downloadpagina – van onze (meestal korte) WEBLOG artikelen en/of studies, bijgewerkt van de periode 2008 t/m juni 2017, KLIK HIER

Geplaatst in 'Vers voor vers' uitleg van Bijbelboeken, Algemene informatie, Artikelen van A Klein, Nuttige studie als 'basiskennis', Studie van CJH Theys, Studie van E van den Worm, Studie van H Siliakus, Uitleg over het boek Daniël, Uitleg over het boek Openbaring, Wederkomst van Christus, Woord en Geest | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Wat de Schrift leert over het 1000-jarige Rijk van Christus (laatste, 6e deel).

bijbel-open

Wie zijn dan WEL de bewoners van de aarde gedurende het 1000-jarige Rijk? (vervolg)

Wat gebeurt er gedurende die 1000 jaren?

U weet ook (vanwege eerdere uitleg in deze studie) dat er in het 1000-jarig Rijk een groei is naar volwassenheid (= de geestelijke volmaaktheid) toe.
Laten we eens kijken naar Hebreeën 11 vers 39-40. Hier zien we dat ook de mensen uit het Oude Verbond groeien naar de volmaaktheid van Christus toe, totdat de manlijke rijpheid van Christus ook in hen zal zijn (zie Efeze 4:13, waar staat dat “allen” komen tot de status van “een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus”).

  • “En deze allen (= de geloofsgetuigen uit het Oude Testament, zie vers 4-38) hebben, hoewel zij door het geloof een goed getuigenis van God gekregen hebben, de vervulling van de belofte niet verkregen.” (Hebr. 11:39)

Dus zij hebben geloofd, maar hebben “de vervulling van de belofte niet verkregen”. Zij waren ‘alleen maar’ gelovigen. Zij geloofden God. Abraham geloofde God, en het werd hem tot rechtvaardigheid gerekend. Verder niks. Ook geen aardse erfenis. God beloofde hem Palestina (zoals diverse Christelijke en Joodse schrijvers, zeker in het verleden, het huidige “Israel” nog steeds noemen – AK), maar hij heeft “de vervulling van de belofte niet verkregen”. Abraham heeft ook uitgezien naar “de stad die fundamenten heeft” (zie Hebreeën 11:10, en ook nog Openbaring 21:14+19), maar de heerlijkheid van de hemel, al deze dingen, heeft hij (nog) “niet verkregen”, maar hij geloofde God. Ook hij moet deze volmaakte (geestelijke en/of hemelse) toestanden nog ontvangen.

  • “Daar God met het oog op ons iets beters voorzien had, opdat zij (de geloofsgetuigen uit het Oude Testament) zonder ons niet tot de volmaaktheid zouden komen.” (Hebr. 11:40)

Wij worden dus in het 1000-jarige Rijk allemaal instrumenten van God om al dat volk van het Oude Verbond (geestelijk) volmaakt te maken. Tenminste, als u zelf die volmaaktheid al ontvangen hebt van de Heer, want hoe meer wij (geestelijk) volwassen zijn, des te meer kunnen wij uitdelers worden van Gods heerlijkheid. Als u niets hebt, kunt u ook niets uitdelen. Als u geen brood (beeld van de geestelijke spijze) hebt, kunt u ook geen brood uitdelen, u moet eerst zelf dat brood (ontvangen) hebben. Dat NIEUWE LEVEN[1] moet in u zijn, dat Christusleven; en naarmate dat Christusleven in u gevonden wordt, kunt u dat uitdelen aan de andere kinderen Gods, die dat nog niet hebben, zelfs aan een persoon als (bijvoorbeeld) Jesaja. In wezen is Jesaja niets zonder God. In wezen is Abraham niets als God niet gewerkt had door hem heen. Maar Abraham, David enzovoorts hebben door geloof (in God) gehandeld, maar ze hebben in het geestelijke geen vorderingen gemaakt, geen groei (want alleen in en door Christus kunnen wij “tot de volmaaktheid komen” – zie Hebreeën 11:40 en ook nog Efeze 4:13).
Daarvandaan dat de Heer zegt: “Want Ik zeg u: Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is niemand een groter profeet dan Johannes de Doper, maar… de minste in het Koninkrijk van God is groter dan hij(Lukas 7:28). Omdat de minste wedergeboren is, maar zij (degenen uit het Oude Verbond) nog niet, ze hebben alleen (God) geloofd. En heel veel mensen van het Nieuwe Verbond sterven ook zoals zij, ‘alleen maar’ in het geloof en verder hebben ze (geestelijk gezien) weinig tot niets (denk aan de Laodicea-gemeente, zie Openbaring 3:15-19). De gelovigen uit het Oude Verbond hebben geloofd in die wonderlijke God en ze hebben zich geopend voor die God, maar hebben op aarde de goddelijke natuur (= het aan Christus gelijkvormig zijn, ofwel “de maat van de grootte van de volheid van Christus” – zie Efeze 4:13) niet gekregen. Ook zijn er vele gelovigen uit het Nieuwe Verbond die zich pas op hun sterfbed bekeren. Zij hebben dan als het ware, net als de gelovigen uit het Oude Verbond, (tijdens hun aardse leven) niets van de goddelijke Christus-natuur ontvangen. Zij moeten alles van deze goddelijke Christus-natuur daar, in het 1000-jarige Rijk, ontvangen. Daar krijgen we de grote actie, een geweldige opvoeding van het Lichaam van Christus tot volmaaktheid. Want als het 1000-jarige Rijk voorbij is zien we die Nieuwe Hemel in scène gezet worden. Johannes werd (in de geest) uit zijn tijd gebracht in de eeuwigheid van Gods Nieuwe Hemel (zie o.a. Openbaring 1:1+9 en 21:1). Hij ziet dan de Bruid van Christus, schoon en heerlijk (zie Openbaring 21:2+9b-11).
Ziet u, heel de Bruid van Christus moet in het 1000-jarige Rijk tot (geestelijke) volwassenheid gebracht worden. In het Koninkrijk van God (op aarde) is er (als het goed is, geestelijke) groei, maar… ook in het 1000-jarige Rijk. Alle gelovigen gaan in die 1000 jaren geestelijk groeien tot de volwassenheid bereikt is, van heerlijkheid tot heerlijkheid. In dit Rijk van Christus wordt alles dan heerlijker en heerlijker, tot iedereen dan gegroeid is tot volwassen zonen Gods.[2] Dan is iedereen, als Zijn Bruid, gereed voor de positie en taak in de Nieuwe Hemel. Dit zag Johannes in Openbaring 21.[3] De gehele Bruid neemt dan haar positie in en… haar plaats is van de troon van God af tot de Nieuwe Aarde toe (zie o.a. Openbaring 21:22-27 en 22:1-5). Dit is een eeuwige positie, afdalend van Gods troon tot de Nieuwe Aarde toe (waarvan de ladder uit de hemel in Jakobs droom een uitbeelding is – zie Genesis 28:12). Zij (de Bruid van Christus) moet voor deze Nieuwe Aarde zorgen, erover heersen in de liefde en gerechtigheid van God.

  • KLIK HIER als u deel 6 van deze studie verder wilt lezen (LET OP: deel 6 begint, in deze nu compleet gemaakte studie, vanaf blz. 24).

E. van den Worm
(1915 – 2013)
Bewerkt door A. Klein[4]

***********************

[1]  Zie eventueel de studie LUKASHet Boek van de NIEUWE MENS in Christusvan E. van den Worm. (noot AK)
[2] Ook dochters van God worden – als zij volmaakt in Christus zijn – (geestelijke) zonen van God. Het is de zgn. mannelijke rijpheid: “de mate van de grootte van de volheid van Christus” (Ef. 4:13). Want, als wij de eeuwigheid zijn binnengegaan, dan wordt er niet meer getrouwd en is ook de gemeenschap tussen man en vrouw, voor de voortplanting, niet meer nodig en dus niet aanwezig. (noot AK)
[3] Zie eventueel – op ons weblog www.EindtijdbodeBijbelstudies.wordpress.com – de ‘vers voor vers’ studie van het Bijbelboek Openbaring Die IS en Die WAS en Die KOMEN ZAL”, hoofdstuk 21, met de titel Taferelen uit Gods eeuwigheid en van het Nieuwe Jeruzalemvan CJH Theys. (noot AK)
[4] De Bijbelteksten zijn uit de Herziene Statenvertaling (HSV), tenzij anders vermeld.
Deze preek is zo’n 25 jaar geleden letterlijk door mij uitgetypt, maar is nu verder (hopelijk ter verduidelijking) taalkundig en inhoudelijk iets aangepast. (noot AK)
Geplaatst in 1000-jarig Rijk van Christus, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Nuttige studie als 'basiskennis', Studie van E van den Worm, Volmaaktheid in Christus, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie