Het ‘Onze Vader’ (8): En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren

Inleiding (1 – klik HIER)

  • Onze Vader, (2 – klik HIER)
  • Die in de hemelen zijt! (3 klik HIER)
  • Uw Naam worde geheiligd. (4 – klik HIER)
  • Uw Koninkrijk kome. (5 – klik HIER)
  • Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. (6 – klik HIER)
  • Geef ons heden ons dagelijks brood. (7– klik HIER)
  • En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.
  • En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze;
  • Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen.

Het Onze Vader

“En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”

Een mens die honger heeft, moet ik niet met vrome praatjes aankomen. Die moet ik te eten geven.
Dat is het verschrikkelijke: als het lichaam gepijnigd wordt, dan blijft er voor de ziel zo weinig plaats. Dat merk ik altijd weer bij mijn ziekenbezoeken. Hier ligt ook het grote gevaar van het uitstellen van de bekering tot “de nood aan de man komt”. Als werkelijk de nood aan de man komt, dan is een mens vaak te suf, of te zeer in de war, of zó in beslag genomen door pijn en benauwdheid, dat er voor denken over de diepere dingen geen kans meer is. Daarom is het zeer menselijk en genadig van Jezus ons eerst te laten bidden: “Geef ons heden ons dagelijks brood”; en pas daarna: “Vergeef ons onze schulden”.

De nood achter alle nood

De broodvraag is zo scherp en gevaarlijk als een zwaard. Als dát mes een mens op de keel gezet wordt, dan vraagt hij maar één ding: dat dát weggenomen wordt.
Dat wist satan en daarom kwam hij tot Jezus, toen Hij honger had, met de broodverzoeking als de eerste verzoeking. Hij wist: daarmee krijg ik ze allen, misschien ook Deze. Honger maakt van een mens een dier. Tenzij God Zelf het verhindert. Als het lichaam zijn onafwijsbare vragen stellen gaat, dan ligt de zonde dicht aan de deur.
Toch snijdt één nood nog dieper in, in het mensenleven: de nood van het schuldig geweten. Is honger een zwaard,… het ontstoken, bang geweten is een vuur. In het schuldige geweten brandt iets van wat Jezus noemde: “waar de vlam niet gedoofd en het vuur niet geblust wordt”.[1]
Bovendien is er innerlijk verband tussen de knagende maag en het knagende geweten.
Achter de lichaamsnood ligt de ziele-nood.
Achter onze armoe ligt onze schuld.
Wij zijn arme bedelaars, omdat we arme zondaars zijn. We zijn niet alleen arm, maar we zijn ook slecht. De aarde is om onze zonde vervloekt, zegt de Bijbel, en draagt daarom doornen en distels.[2]
We zijn niet alleen stakkerds, die medelijden nodig hebben, maar we zijn ook schuldigen, die vergeving moeten ontvangen. Daarom leert Jezus ons ook met een nederig hart bidden, nà de vraag om het dagelijks brood: “en vergeef ons onze schulden”.

De zware keten

Wat kan een mens het benauwd hebben door zijn zonden! Ze blijven met weerhaken steken in een ontstoken en knagend geweten. Geen beschuldiging maakt een mens zo bang als de zelf-beschuldiging. Als ik aller achting geniet, maar ik veracht mezelf, dan ben ik er slechter aan toe, dan wanneer niemand mij acht, maar ik toch voor de rechtbank van mijn geweten vrijuit ga. Geen aanklacht weegt zo zwaar als de zelf-aanklacht. Ieder mens heeft zijn “verleden”. En wat kan dat drukken en binden!
Misschien slaakt u wel een zucht, terwijl u dit leest. En denkt u bij uzelf: “ik ben er ook zo één”. U sleept oude zonden, lang-geleden kwaad, weg-gestopte schuld als een ijzeren, lood-zware keten met u mee door het leven. Dat zware drukkende gewicht is er altijd. Het maakt u zo moe en het neemt zo de krachten weg. Het beneemt u de vrijheid en de blijdschap.
Welnu, hier is vrijheid. U kunt ervan verlost worden. Dat verleden kan totaal van u worden weggenomen. Jezus zegt: “steek uw handen, die die ketenen zolang hebben gedragen, Mij maar toe. Hef ze maar naar boven, naar de Vader van alle liefde en genade. Toon ze maar aan God, wees er maar niet bang voor. Eén druk van Zijn goede, sterke hand en u bent vrij.
Jezus zegt: “u hebt zo weinig te doen; u hoeft niet te boeten; u behoeft geen offers te brengen”. God vraagt geen proeftijd. U hebt maar één ding te doen, vraag Hem vergeving: “Vader, vergeef; Vader, haal er een streep door; wil die zonden vergeven; maak het zwarte toch wit; scheur die bladzijde uit mijn levensboek, neem ze weg, delg ze uit; was mij en reinig mij!” En dat doet God dan.
Het is bijna niet te geloven dat het waar is. Maar toch is het zo; het Evangelie verzekert het ons op de meest nadrukkelijke wijze en de ervaring van duizenden bevestigt het. Wie waarlijk Jezus gelovig heeft aangenomen, die komt tot een blijdschap en innerlijke vrijheid die hij tevoren niet mogelijk zou hebben geacht.
Wie in het offer van Jezus, God als Zijn Vader vindt, die wordt zo vrij en zo gereinigd, dat hij het woord gaat verstaan: “evenals had ik nooit enige zonde gehad of gedaan”.
Als God iets doet, doet Hij het goed; dan doet Hij het radicaal. Als Hij de zonden vergeeft, dan zijn ze ook vergeven. De enige die er dan nog wel eens op terugkomt, is niet God – Die gedenkt ze niet meer – maar dat ben ik zelf in mijn ongeloof of klein-geloof.
Deze bede, langzaam, gelovig, doordacht gebeden is als het drinken met diepe, volle teugen van koel water bij brandende dorst.

“Gelijk ook wij…”

Hoe vaak heeft de Heer in Zijn onderwijs ons niet gewaarschuwd, er rekening mee te houden dat God ons geen vergeving schenkt, als wij niet van harte vergiffenis schenken dengenen, die tegen ons gezondigd hebben.
Met welk oordeel u oordeelt, zult u geoordeeld worden.[3] Als ik onbarmhartigheid zaai, zal ik ook onbarmhartigheid maaien.[4] U kunt geen genade afbidden, als u ze zelf niet geeft.
Wie waarlijk om vergeving vraagt, die zegt daarmee: “Vader, ik heb niets meer in te brengen, ik heb niets meer te vorderen; ik heb alleen maar schuld”.
Maar… wie een ander nièt vergeeft, die zegt daarmee: “ik heb nog heel wat te vorderen; ik heb nog heel wat in te brengen”. Wie een ander geen vergiffenis schenkt, stelt zich zelf buiten de sfeer van de genade. Als hij dan buiten de genade valt, is dat niet, omdat God er hem buiten heeft gestoten, maar omdat de mens zelf buiten de grenzen van het rijk der genade is gaan staan.
Zeker, ik weet het ook wel, dat mensen het u moeilijk kunnen maken. Mensen kunnen met spijker-schoenen over je heen lopen; ze kunnen je verdacht maken; ze kunnen je afbreken; ze kunnen zoveel doen dat pijn doet en onrecht is. Maar ik verzeker u – in de Naam van God, Die de zondaars genade bewijst en ook u ten volle vergeving wil schenken van al wat u mis-deed, en dat was zo nogal het één en ander! – als u er innerlijk moeite mee hebt enig mens vergiffenis te schenken, dan bent u in zeker zo gevaarlijke toestand als wanneer u in verzoeking was tot overspel of diefstal.
Als u goed wilt weten in welk gevaar u verkeert, wanneer uw hart aarzelt om vergiffenis te schenken, lees dan eens rustig na wat Jezus tot u zegt in die prachtige – even heerlijke als verschrikkelijke – gelijkenis over de onbarmhartige dienstknecht,[5] die uitloopt op woorden, welke luiden als een doodsklok: “alzo zal Mijn hemelse Vader ook u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden”.[6]

De echo daarboven

Ik zal u een voorbeeld geven, waardoor waarschijnlijk deze toevoeging: “gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”, u duidelijk wordt.
Ik zag eens in een Duits geïllustreerd tijdschrift een afbeelding die me diep trof. Een kunstenaar had van zijn regering opdracht gekregen een standbeeld te maken van de vroegere president Hindenburg. Het beeld moest van formidabele afmetingen zijn. Om zijn werk tot stand te brengen had hij een zeer vernuftig instrument bedacht. Voor zich op zijn werkbank had hij een klein stuk marmer staan, waarin hij de figuur van Hindenburg tot uitbeelding bracht. Maar al wat hij vormde en beitelde aan het kleine beeld, werd door een instrument overgebracht op een enorm stuk steen, waarin het gevraagde beeld moest worden gewrocht.[7] Elke slag, iedere klap werd overgebracht. Terwijl hij het kleine beeld maakte, vormde zich vanzelf het grote.
U voelt zeker al wel wat mijn bedoeling is. Als ik als klein, nietig mens hier beneden zeg: “ik vergeef hem niet”, dan wordt dat meteen naar boven overgebracht en dan klinkt daarboven, uit Gods eigen mond, in de hemel, over mij: “Ik vergeef hem niet”…
Als ik, nietig mens, hier beneden zeg: “hij zal betalen, tot de laatste cent”, dan klinkt daarboven de grote echo, uit Gods eigen mond, in Zijn hemel: “hij zal betalen, tot de laatste cent”…
Als ik hier zeg: “hij komt mijn huis niet in”, dan zegt daarboven God Zelf in heilige ernst: “hij komt Mijn huis niet in”. Het vonnis dat ik over anderen vel, wordt straks over mij voltrokken. Daarom bidden wij: “vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”.
Als er iemand op aarde is, waar die ook zit en wat die me ook aandeed en hoelang het ook geleden is – al waren ook alleen nog maar zijn gebeenten over – wie ik niet kan en wil vergeven wat hij of zij me aandeed, dan vel ik mijn eigen vonnis. God keert dan Zijn aangezicht van mij af. Ik blijf een schuldige, een gebondene. Want als ik dat zeer kleine, dat men mij misdeed niet wil vergeven, hoe zou dan God Zijn barmhartigheid groot kunnen maken in mijn onbarmhartigheid?
En nu stel ik u weer die twee vragen: “Kunt u dit bidden? Wilt u dit wel bidden?
Heer, leer ons bidden, in geest en in waarheid: vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”.

Ds. J.H. Sillevis Smitt (1897-1975)[8]

  • NOOT A. Klein: Wordt vervolgd. Aan het eind (van 10 delen) komt er een PDF voor degenen die het artikel willen downloaden of printen.

********************************************************************

[1] Zie Lukas 23:31, waar Jezus verwijst naar Ezechiël 20:47-48. (noot AK)
[2] Zie Genesis 3:17-18. (noot AK)
[3] Zie Mattheüs 7:2a (en ook nog Mattheüs 12:37). (noot AK)
[4] Zie Galaten 6:7 en Jakobus 2:13. (noot AK)
[5] Zie Mattheüs 18:21-35. (noot AK)
[6] Zie Mattheüs 18:35. (noot AK)
[7] Gewrocht = Voortgebracht, gemaakt. (noot AK)
[8] KLIK HIER als u iets meer wilt weten over wijlen Ds. J.H. Sillevis Smitt. (noot AK)
Advertenties

Over De Eindtijdbode

Een 'roepende in de woestijn' die 'de bazuin blaast' om velen (via GRATIS Bijbelstudies) te tonen "de dingen die - volgens Gods plan - spoedig geschieden zullen". Volgens Openbaring 1 vers 1, 10 en 19.
Dit bericht werd geplaatst in Bidden/Gebed, Nuttige studie als 'basiskennis', Woord en Geest en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s