Het ‘Onze Vader’ (10): Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

Inleiding (1 – klik HIER)

Het Onze Vader

“Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid”

Bidden is niet alleen-maar-vragen

In de ontmoeting met God ligt een zo groot geluk en een zo totale vervulling van alle bewuste en onbewuste levensverlangens, dat op een gegeven ogenblik alle vragen ophoudt, omdat in God Zelf alle antwoord gevonden wordt.
Zo wordt bidden vanzelf danken. Als een zeer arm mens komt de bidder tot God, maar Gods tegenwoordigheid maakt hem zó rijk en doet hem zó helder zien hoeveel hij heeft in God, dat hij al biddende overvloeit van dank.
In het bidden komt pas goed uit, de waarheid dat een mens het leven vindt zo gauw hij het verliest. Wie zich in Gods tegenwoordigheid voelt wegzinken in kleinheid en onwaardigheid, die komt dichtbij de zaligheid. Hoe kleiner ik word in de ontmoeting met God, hoe minder ik dan in mezelf overhoud, des te rijker en gelukkiger word ik.
En de volle zaligheid wordt ik pas deelachtig, als er niets meer van me overblijft dan alleen dit ene: het is mij goed nabij God te zijn.
Dankbaarheid en aanbidding liggen dichtbij elkaar. Wie God waarlijk vindt in het gebed, die is zichzelf kwijt en wordt vol van geluk en hemelvreugde omdat hij God heeft en God groot maakt.
Hier is de aanbidding, de lof-verheffing van God in het “Onze Vader”. De mens weet maar enkele woorden te stamelen: “Uw is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid”.

Waar moet ik eindigen?

De bidder is nu klaar. Hij heeft tot God gebracht wat er aan diepe wensen, intense verlangens leefde in zijn ziel. De nood van zijn lichaam, de nood van zijn ziel, liggen nu aan Gods Vader-hart.
Heel hoog begon de bidder, bij God Zelf: “Onze Vader, Die in de hemelen zijt”.
Hij daalde toen af: van God naar de wereld. Hij bad dat God, in deze zieke, door slechtheid ziek geworden wereld, Naam en Koninklijke zeggenschap zou krijgen.
En van de noden van deze wereld daalde de bidder af tot de macht en diepten der hel: “Verlos ons van de boze”. Daar mag het echter niet bij blijven. Het laatste woord van de bidder mag niet bezig zijn met de boze. Het is goed, dat naast honger en zondeschuld in het gebed ook de boze en zijn macht genoemd wordt. Hij mag niet worden vergeten. Dan zou het bidden niet reëel zijn. Maar… het laatste woord mag niet aan hem zijn gewijd.
Het laatste woord moet aan Hem gewijd zijn, aan Wie het ook toekomt, uit Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn en tot Wie alle dingen, dus ook het gebed, moeten wederkeren. Het laatste woord is voor God.
Het gebed begon bij God en het eindigt in God. Zo keert het terug tot Hem aan Wie het ontsprong. Van de diepten van de hel, die de bidder nu zonder vrees heeft kunnen peilen – “want Gij zijt met mij”[1] – richt hij zich weer tot de hoogten van de hemel. De laatste blik is niet gericht op de verschrikking van de boze, maar nog eenmaal richt zich het oog op de heerlijkheden Gods. Hij ziet God, Die hem bewaren zal van nu aan tot in eeuwigheid. Bij Hem is hij veilig. In Hem rust zijn toekomst. Nu kan hij de wereld en het leven rustig tegemoet gaan. Het gaat naar het licht en de overwinning. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid”.

Wie is heer?

Kunt u dat zeggen? Kunt u dat belijden: “U regeert, o Vader!” Weet u dat wel heel zeker, dat u niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk van het leven alleen rekent met en rust in het volstrekte Koningschap van God?
Gelooft u het rustig en vast: God heeft de macht. Niet het geld. Niet de kanonnen en bommen. Niet “de sterke mannen”. Niet de massa. Niet de zonde. Zelfs niet “de overste van deze wereld”[2]. Maar… God heeft de macht. Uitsluitend en geheel: God is de Koning. De absoluut-Souvereine. En zonder Zijn goddelijke wil kunnen de machten van deze aarde zich noch roeren noch bewegen. Wat zij doen en werken geschiedt alleen “per gratie Gods”, onder Zijn hoge toelating en onder Zijn oog en bestuur. En… Uw Koningschap, leidt vanzelf en noodzakelijk tot Uw heerlijkheid, omdat Uw de kracht is.
Deze belijdenis, dat Gode de kracht is, kan een bron worden van nooit eindigende blijdschap. Wat kan een nietig mens mij nu doen? Wat kan mij nu overkomen in de meest schrikwekkende omstandigheden? De Enige aan Wie God Zijn macht heeft overgedragen en medegedeeld, is Hij, Die om mijnentwil Zijn sterke handen heeft laten vastnagelen aan een kruis: Jezus. Voor wie of wat zou ik nu nog vrezen? Ook al zou een leger mij omringen, ik zou niet vrezen. Er is maar één kracht: die van God. En wat er verder op deze wereld aan krachten gevonden wordt, is van Hem afgeleid, aan Hem onderworpen, geheel van Hem afhankelijk.
Wie God vindt, vindt in deze razende en onzinnige wereld toch kracht en reden om te spreken van blijvende heerlijkheid. In de benauwenissen van de tijd gaat hem (of haar) toch de eeuwigheid open.

De twee kussen-blokken

Reeds eerder heb ik gezegd, dat alle bidden gebonden is aan geloof en gehoorzaamheid. Deze twee zijn de kussen-blokken, waar de as van het gebed in rust en waar alle bidden zich om wentelt. Dit zeg ik niet op eigen autoriteit. Dat zou niets betekenen. Maar, Jezus zegt dat: de Meester, ook van het gebed. Hij klemt het “Onze Vader” tussen die twee – geloof en gehoorzaamheid – in.
Want in het vers, dat aan het “Onze Vader” voorafgaat, zegt Jezus: “Want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt”[3]. Dat is: vertrouw God maar alles toe. Hij kent u door en door. Hij leeft met u mee, voorziet uw nood beter dan u, zoals een vader de nood van zijn kind kent; vertrouw Hem maar, zonder enige reserve.
En het woord dat Jezus onmiddellijk op het “Onze Vader” laat volgen is: “Want indien gij de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal Mijn hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven”[4]. Dat is: gehoorzaamheid; volbreng het grote gebod van de liefde. Geloof en gehoorzaamheid zijn de steunpunten voor de as van het gebed. Dat is ook geheel vanzelfsprekend.

  • Geloof: Want bidden zonder God-te-vertrouwen en verhoring-van-Hem-te-verwachten is God en zichzelf voor de gek houden. Het gebed wordt onzin als ik geen geloof heb in Hem tot Wie ik ga.
  • Gehoorzaamheid: God bidden en Hem niet gehoorzamen is: God verzoeken. God vragen mijn wil en wens te doen, terwijl ik niet bereid ben Zijn wil en wens te doen, is het toppunt van brutaliteit.

Kroon-gebed, kruis-gebed

Het Onze Vader wordt terecht het volmaakte gebed genoemd. Elk ander gebed is pas werkelijk gebed, als het door het “Onze Vader” is gevormd en gestempeld. Als wij het nu maar goed bidden. Dat geschiedt alleen als we die twee steunpunten vasthouden: GELOOF en GEHOORZAAMHEID. Want: in het geloof wordt God groot en in de gehoorzaamheid wordt de mens klein.
Hoe langer en hoe meer ik me in het “Onze Vader” verdiep des te meer kom ik tot de overtuiging: het is het kroongebed, het koningsgebed, het staat ver boven alle andere bidden. God krijgt er de plaats in, en de naaste wordt aan ons gelijk gesteld. Het begint met God en het eindigt in God. Het begint smekend en het eindigt jubelend. Het wordt geboren uit de gebrokenheid van dit leven, maar het loopt uit op de heerlijkheid tot in eeuwigheid: waarin Zijn Naam wordt geheiligd en Zijn Koninkrijk is gekomen en Zijn wil wordt volbracht op de nieuwe aarde gelijk in de hemel.
Maar, dit kroongebed is ook het kruisgebed. Daar bedoel ik dit mee: het legt me op het kruis, het doodt mijn oude zelfzuchtige ik. Elke bede kruisigt mijn oude, egoïstische, ongelovige, oude mens.
Maar elke bede laat ook, als ze gebeden wordt in geest en in waarheid, een nieuwe mens in me opstaan, die vernieuwd is naar het beeld van Jezus Christus.
Zo is dit “Onze Vader” mijn louteringsvuur. Het “Onze Vader” is voor mijn IK de dood en de opstanding. Men heeft er vaak de aandacht voor gevraagd, dat in het “Onze Vader” de Naam van de Heer Jezus niet voorkomt. Dat is ook zo. Maar dat is niets bijzonders. Wij willen altijd wat opzichtig en opzettelijk zijn. Dat is God nooit. Jezus ook niet. Hij leert ons rustigweg een gebed waarin Zijn Naam niet voorkomt. Ten minste niet met de klanken van het woord. Want Jezus Zelf leeft er wel in. Hij spreekt in ieder woord en het is vervuld van Zijn Geest. Er is er maar Eén, Die zulk een gebed kan voorbidden, en het de mensen geven, en die Ene is Jezus. Wie zuchtte er zó in heimwee naar de heiliging van Gods Naam? Wie bad er zó om de komst van Gods Rijk? Wie anders dan alleen Hij kon zeggen, dat Gods wil Zijn eten en drinken was?[5] Wie deelde de armen het brood uit?[6] Wie maakte zich solidair met de zondeschuld der mensen? Wie kende als niemand anders de streken en verzoekingen van de boze en wie is alleen bij machte van die boze te verlossen? Het is de Heer Wiens Woord en Heilige Geest spreekt en ademt uit iedere zin van dit gebed.
En omdat Hij erin leeft en spreekt, daarom is dit kroon-gebed mijn kruis-gebed. Met Hem en door het gebed, dat Hij mij leerde, sterf ik aan de zonde en leef ik “in nieuwigheid des levens”[7] tot eer van de Vader.
Dit gebed hebben we te danken aan het feit, dat de discipelen de Heer vroegen of Hij hen wilde leren bidden.
Als antwoord gaf Hij toen dit gebed, dit geschenk.
Maar nu we het ontvangen hebben, moeten we bekennen: “Heer, wij kunnen het niet bidden, het is ons te hoog, te groot”. We moeten met het geschenk tot de Gever terug, mèt het gebed terug tot de Meester van het gebed, om Hem te vragen: “Heer, wij kunnen het niet bidden gelijk het betaamt”.
Heer, leert Gij ons Uw “Onze Vader” bidden. Leer het ons bidden “in geest en in waarheid”.[8]

“Amen”.

Ds. J.H. Sillevis Smitt (1897-1975)[9]

  • KLIK HIER voor de PDF van alle 10 delen (als u het artikel eventueel wilt downloaden of printen).

********************************************************************

[1] Zie Psalm 23:4
[2] Zie Johannes 14:30
[3] Zie Mattheüs 6:8b
[4] Zie Mattheüs 6:14-15
[5] Zie Johannes 4:34
[6] Zie Mattheüs 14:14-21, Markus 6:35-44, Lukas 9:12-17 en Johannes 6:2-13
[7] Zie Romeinen 6:4
[8] Zie Johannes 4:23 en 24
[9] KLIK HIER als u iets meer wilt weten over wijlen Ds. J.H. Sillevis Smitt. (noot AK)
Advertenties

Over De Eindtijdbode

Een 'roepende in de woestijn' die 'de bazuin blaast' om velen (via GRATIS Bijbelstudies) te tonen "de dingen die - volgens Gods plan - spoedig geschieden zullen". Volgens Openbaring 1 vers 1, 10 en 19.
Dit bericht werd geplaatst in Bidden/Gebed, Nuttige studie als 'basiskennis', Woord en Geest en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s