Crises van de eindtijd (2b) – Goddelijke gerichten… volgens Joël: De geloofsafval van de laatste dagen (vervolg)

Goddelijke gerichten vanaf de tijd van de grote afval, volgens de beschrijving van het boek -en de profeet- Joël

Goddelijke gerichten

De (geloofs)afval van de laatste dagen (vervolg)

Een korte toelichting (op het voorgaande in deel 2a) is hier wel gewenst. Het is beslist nodig om te “zien” hoe God de wereld gereed maakte om een Nieuwe Bedeling[1] in te gaan. De vestiging van de Griekse beschaving betekende het begin van de bevrijding van de mens uit de duisternis van bijgelovigheid en primitief denken. Een eerste vorm van wetenschappelijke arbeid ontstaat. Het geestelijk bewustzijn ontluikt. Men gaat minder star denken. De mensheid komt een trede hoger te staan op de cultuurladder. Belangrijk was ook, dat er voor het eerst sprake was van een wereldtaal, waarmee men zich overal in de beschaafde wereld verstaanbaar kon maken, het Koinè-Grieks.[2] Dit is de verbreiding van het Evangelie zeer ten goede gekomen. Mede hierdoor werd ook het enggeestige nationalisme doorbroken, dat volkeren gescheiden hield. Er ontstaat een wereld die ontvankelijk is voor de gedachte van een internationale geloofsgemeenschap, zoals die gestalte zou krijgen in de Gemeente/Kerk van Jezus Christus. Opmerkelijk is verder, op een ander plan, de ontwikkeling van de Griekse wijsbegeerte in de richting van enige Christelijke leerstellingen.

Na de veroveringen van Alexander de Grote[3] lag de leidinggevende beschaving niet langer in het Oosten maar in het Westen. Het Oosten “vergriekste”, de wereld werd “gehelleniseerd”[4] (Hellas = de oorspronkelijke naam voor Griekenland). De rol van Alexander de Grote in het Raadsplan van God (als grondlegger van een wereld die Christus kon ontvangen en waarin de Gemeente van Christus kon gedijen) moeten wij in het oog houden, anders begrijpen wij niet goed waarom hierna – in Daniël 8 – gesproken wordt over de Gemeente van Christus, die hier genoemd wordt “het heir (= leger) des hemels” (zie Dan. 8:10), alsook over “Zijn Heiligdom” (zie Dan. 8:11, SV), een bekend beeld voor de Gemeente (die de Tempel van de levende God[5] is). Want wij moeten vaststellen, dat ook al is uiteindelijk heel Europa overgegaan tot het Christendom, er tot de dag van vandaag nooit een zuivere, smetteloze Gemeente/Kerk is verrezen. Reeds aan het eind van de eerste eeuw slopen de eerste dwalingen de Gemeente/Kerk binnen. De eerste apostelen streden er reeds tegen. En vooral toen de vervolgingen ophielden, werd de Gemeente/Kerk van lieverlee wereldsgezinder. Het geloofsleven verzandde en verstikte in tradities en inhoudsloze vormendienst. Een belangrijke oorzaak van verval en (geloofs)afval was ook dat al snel – en met name nadat de Christelijke godsdienst staatsgodsdienst was geworden – de persoonlijke bekering veronachtzaamd werd. Het “geloof” ging als een erfgoed over van vader op zoon. Deze droevige ontwikkeling wordt in korte maar duidelijke bewoordingen geschetst in Daniël 8:12a (SV): “En het heir (= het hemelse leger, beeld van de Gemeente/Kerk) werd in de afval overgegeven tegen het gedurig offer”. In Daniël 8:13 wordt vervolgens gevraagd aan de “Onbenoemde” (SV) – “Palmoni” in de Hebreeuwse grondtekst (hetgeen zoiets betekent als “wondervolle teller”), in wie wij Jezus Christus Zelf herkennen – hoelang de afval “tegen het gedurig offer” (dat is: het vertreden van Christus’ voor-altijd-geldend offer) en dus het verontreinigen van het Heiligdom zal voortduren. Het antwoord in Daniël 8:14 (SV) luidt: “En Hij zei tot mij: Tot 2300 avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.” Dit zijn 2300 profetische dagen = 2300 jaren (overeenkomstig het principe 1 dag voor 1 jaar; zie hiervoor bijv. Ezechiël 4:5-6). Zovele jaren zullen verstrijken en “dan (daarna) zal het Heiligdom (de Gemeente) gerechtvaardigd (gereinigd) worden.” Een vergelijking met Daniël 8:17 en 23 (waar vermeld staat: “de tijd van het einde” en “op het laatste van hun koninkrijk”) leert ons, dat deze periode van 2300 jaren moet aflopen in het laatste der dagen, als de (geloofs)afval een triest hoogtepunt zal hebben bereikt.

Dit is dus de grote tempelreiniging die wij verwachten in het laatste der dagen. Wij kunnen ook spreken van “tempelverzoening”. Het zal de profetische Grote Verzoendag zijn, die voorafgaat aan het profetische Loofhuttenfeest, de Spade Regen-opwekking[6], en die op haar beurt voorafgegaan zal worden door de profetische Dag der Bazuinen, waarvan wij ook in het boek Joël lezen (2:1), een dag die aanbreekt als het oordeel over het Huis Gods[7] in volle gang is. Wie zich het één en ander goed wil kunnen voorstellen, bestudere onderstaande schets: “De profetische vervulling van de feesten der 7de maand”. Voor meer over de profetische betekenis van de Oudtestamentische feesten verwijzen wij naar “Hoogtijden en feesten van Israël in profetisch licht” van C.J.H. Theys.[8]

Crises eindtijd schema1

Tot wanneer duurt die periode van 2300 jaren? Is de afloop van deze tijd nauwkeuriger vast te stellen? Wij zullen daartoe een poging ondernemen. De vraag is dan natuurlijk allereerst: wanneer begòn die tijdsperiode? Het eerste wat wij hierover vinden, staat in Daniël 8:19 (SV): “En hij zei: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal aan het einde van deze (periode van) gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn.”
Die tijdsperiode moet zijn ingegaan nadat de 70-jarige Babylonische ballingschap van de Joden (Juda-Israël – ofwel: het ‘huis van Juda’, het 2-stammenrijk van Israël[9]) geëindigd was en de Joden weer zouden wonen in hun land. Het Babylonische wereldrijk (dat er nog was toen Daniël dit visioen kreeg – zie Dan. 8:1) moest eerst het veld ruimen voor het Medo-Perzische rijk (de ram) en dit moest vervolgens worden opgevolgd door het Griekse rijk (de geitenbok), zo kunnen wij uit het visioen van Daniël 8 afleiden. Laat ons nu aandacht schenken aan dat “heir (= leger) des hemels” en het “Heiligdom”, waarvan in dit visioen ook sprake is (zie Dan. 8:10+11, SV). De Joden, en zeker de gelóvige en gehoorzame Joden (van het ‘huis van Juda’), waartoe ook Daniël behoorde, vormden het volk Gods in die dagen. Zij waren “Zijn Heiligdom” (door God daartoe eertijds speciaal benoemd – zie Psalm 114:2a), totdat de Gemeente van Christus deze taak overnam.[10] Zij hadden ook het typerende “gedurige (dagelijkse) brandoffer” (zie Dan. 8:13), dat uiteindelijk zijn vervulling vond in het offer van Christus in de “tijd der verbetering” (zie Hebr. 9:9-10[11]).
Na hun terugkeer uit de ballingschap ging het een tijd goed met dit volk der Joden, maar na ongeveer 200 jaren begonnen zij opnieuw afvallig te worden. Dat was in de dagen van de laatste profeet van het Oude Testament, Maleachi (± 397 voor Christus). Ongeveer 70 jaren later was het toen ook gedaan met de rust, waarvan zij onder de Medo-Perzische heerschappij en ook nog onder Alexander de Grote hadden mogen genieten. Dit is wat Daniël zag in dat visioen, beschreven in Daniël 8.[12] Eén van de 4 opvolgers van de grote Alexander (de 4 “aanzienlijke” hoornen, die in de plaats van de “grote” hoorn kwamen – zie Daniël 8:8b+22), Ptolemeüs I, bijgenaamd Soter[13] (dat is “de Redder”!), neemt in 320 voor Christus Jeruzalem in en voert duizenden Joden als ballingen mee naar Egypte, waar hij zijn hoofdstad had. Van hieraf moeten wij dus de vertreding en de verontreiniging van het Heiligdom rekenen! Onder Antiochus Epifanes[14] (± 170 voor Christus) wordt de onderdrukking van de Joden het zwaarst. Hij is het die een afgodsbeeld in de tempel van Jeruzalem plaatst. Hij is één van de karakteristieke voorlopers van de antichrist (vergelijk 2 Thess. 2:4[15]). De “kleine hoorn” van Daniël 8:9 verwijst zowel naar de één als naar de ander. Hier gaat de geschiedenis als het ware geruisloos over in de eindtijdgeschiedenis.

De periode van 2300 jaren van verontreiniging van het Heiligdom is dus naar alle waarschijnlijkheid in het jaar 320 voor Christus ingegaan. Dit jaartal komt hiervoor meer in aanmerking dan het jaar 334 voor Christus, het jaar van Alexanders inval in Klein-Azië, van waaruit W.H. Offiler rekende (zie zijn artikel “Een smetteloze Kerk” in het blad ‘Het Volle Evangelie’ van september 1956[16]; zie ook C.J.H. Theys, in zijn studie van “Het Boek Daniël” (blz. 184 = van de oorspronkelijk versie of: hoofdstuk 8, blz. 9 van onze digitale versie). Met deze inval veranderde er nog niet veel voor de Joden; zij werden door hem zelfs heel vriendelijk behandeld. Van de verovering van Palestina door Alexander de Grote hebben de Joden niets te lijden gehad, integendeel. Maar onder Ptolemeüs I werd het anders. Gerekend nu vanaf 320 voor Christus brengt het einde van de 2300 jaren ons in het jaar 1980 na Christus, in onze tijd dus[17] (W.H. Offiler kwam uit in 1966). Dit leidt tot de onthutsende constatering, dat wij leven in de tijd, dat de reiniging van het Heiligdom, van de Gemeente, al aan de gang is! En wij moeten zeggen, dat we het inderdaad om ons heen, ja, in onze eigen kring, zien gebeuren! Het aantal conflicten in de Gemeente/Kerk (maar ook in de wereld, merkwaardigerwijs) neemt toe en partijen staan steeds onverzoenlijker tegenover elkaar. Hier hebt u de verklaring! Het is de tijd van de scheiding tussen het gekruisigd vlees en het òngekruisigd vlees in de Gemeente des Heren. De tijd waarover Jezus sprak in Mattheüs 24:10, “En dan zullen er velen struikelen (SV: geërgerd worden) en zij zullen elkaar overleveren en elkaar haten.”
Gedurende de eerste 350 jaar van de bedoelde tijdsperiode was Juda (het ‘huis van Juda’, het 2-stammenrijk van Israël) het Heiligdom. Een diepe symboliek schuilt er in de tempelreiniging door Jezus, vlak voor Zijn sterven (zie Matth. 21:12-17[18]) en even voordat Juda ophield het Heiligdom te zijn (“de vijgenboom verdorde”, zie Matth. 21:18-20[19]). Dit was het type. Het anti-type is de reiniging van de Gemeente door Jezus aan het eind van de Gemeentelijke tijdsbedeling, dat is aan het eind van die 2300 jaren, dus na 1980. De Heer gaat thans op gelijke wijze te werk. De Gemeente wordt gezuiverd van alle smet en zonde om straks als een vlekkeloze, rimpelloze Bruid[20] voor Jezus te kunnen staan: “…een gemeente zonder smet of rimpel of iets dergelijks, maar dat zij heilig en smetteloos (SV: onberispelijk) zou zijn.” (Ef. 5:27b, HSV)
Maar de afvalligen zullen de weg banen voor de antichrist – “…wanneer de afvalligen de maat hebben volgemaakt, zal er een meedogenloze koning opstaan, bedreven in slinkse streken” (Dan. 8:23, HSV) – de geïncarneerde satan, de grote tegenstander van Christus (zie Dan. 8:11a+25b), die ook vele van de “dwaze maagden”-gelovigen[21] nog ten verderve zal voeren (zie Dan. 8:10+24b-25; zie ook Openb. 12:4a).
Hij (de antichrist, de grote rode draak uit Openbaring 12:3-4) zal zich zelfs tegen de Bruidsgemeente, de volmaakte Gemeente/Kerk die er na de reiniging[22] zal verrijzen, keren, maar die wordt weggenomen ter bewaring:

  • “Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u BEWAREN voor (SV: uit – na een korte tijd meegemaakt te hebben, zie Openb. 12:13) het uur van de verzoeking (= de grote verdrukking, zie Matth. 24:21), die over heel de wereld komen zal, om hen die op de aarde wonen te verzoeken.” (Openb. 3:10, HSV)
  • “En de vrouw[23] vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats had, die door God voor haar gereedgemaakt was, opdat men haar daar zou voeden 1260 dagen (= 3,5 jaar).” (Openb. 12:6, HSV)
  • “En aan de vrouw werden twee vleugels van een grote arend gegeven, opdat zij naar de woestijn zou vliegen, naar haar plaats, waar zij gevoed wordt, een tijd en tijden en een halve tijd (= 3,5 jaar), buiten het gezicht van de slang (= de satan, die dan geïncarneerd en dus werkzaam is in een mens, die dan de antichrist is).” (Openb. 12:14, HSV)

Alsdan wordt de Heilige Geest eveneens uit de wereld weggenomen (zie 2 Thess. 2:7) of, zoals het in Daniël 8:11b staat, dan neemt Jezus – “de Vorst van dat heir (= leger des hemels)” – “het gedurig offer” (= het voor-altijd-geldend offer) weg; NIEMAND kan zich dan meer bekeren en genade ontvangen op grond van het verzoenend offer van Jezus. Jezus werpt dan ook “de woning van Zijn Heiligdom” neder (zie Dan. 8:11c, SV). De woning of plaats van Zijn Heiligdom (de Gemeente) is niet helemaal hetzelfde als het Heiligdom zelf (de Bruidsgemeente van “wijze maagden”, waarin Hij werkelijk ‘woont en troont’). Het (de Gemeente) is de ruimte waar het Heiligdom (de Bruidsgemeente) tot dan toe kan zijn, de Christelijke wereld. In Openbaring 11:2 wordt zij genoemd “de heilige stad”. De christelijke wereld – die echter op het laatst meer onchristelijk dan christelijk zal zijn – wordt aan de antichrist overgegeven om, in de tijd van de Grote Verdrukking, vertreden te worden. In die tijd zal de antichrist dan, door zijn bedriegerijen, de gehele wereld (proberen te) mis-/verleiden:

  • “…hij wierp de waarheid ter aarde, hij deed het, en het gelukte wel.” (Dan. 8:12b, SV)
  • “Door zijn sluwheid zal hij het bedrog onder zijn hand doen slagen. Hij zal zich in zijn hart verheffen. In hun zorgeloze rust zal hij velen te gronde richten (SV: verderven). Ja, tegen de Vorst der vorsten zal hij opstaan…” (Dan. 8:25, HSV)
  • “En de grote draak werd neergeworpen, namelijk de oude slang, die duivel en satan genoemd wordt, die de hele wereld misleidt….” (Openb. 12:9a, HSV)
  • “En het (andere beest, de valse profeet – zie vers 11) misleidt hen die op de aarde wonen door middel van de tekenen die het gegeven zijn te doen voor de ogen van het beest (de antichrist; het beest dat uit de volkerenzee opkomt – zie vers 1)…” (Openb. 13:14a, HSV)
    Zie ook nog Openbaring 19:20 en 20:2-3a (voor het oordeel van God, aan het einde van de grote verdrukking, over deze mis-/verleiding van de satan/het beest/de antichrist).

Na deze inleidende beschouwingen over de (geloofs)afval van de eindtijd en het oordeel Gods dat daarom over het Huis Gods zal komen en dat zal resulteren in de reiniging van dit Huis, zetten wij nu de behandeling van Joël, hoofdstuk 1, voort.
Joël 1:4-20 (HSV): “Wat de jonge sprinkhaan overliet, at de veldsprinkhaan op; wat de veldsprinkhaan overliet, at de treksprinkhaan op; en wat de treksprinkhaan overliet, at de zwermsprinkhaan op. 5 Ontwaak, dronkaards, en ween. Weeklaag, alle wijndrinkers, over de jonge wijn, want die is van uw mond weggenomen. 6 Want een volk is tegen Mijn land opgetrokken, machtig en niet te tellen; zijn tanden zijn leeuwentanden, het heeft de hoektanden van een leeuwin. 7 Het heeft van Mijn wijnstok een woestenij gemaakt en Mijn vijgenboom tot een kale tak. Het heeft hem volledig afgeschild en weggeworpen, zijn ranken zijn wit geworden. 8 Weeklaag als een jonge vrouw, omgord met een rouwgewaad, die klaagt om de man van haar jeugd. 9 Graanoffer en plengoffer zijn weggenomen van het huis van de HEERE. De priesters treuren, de dienaren van de HEERE. 10 Het veld is verwoest, de grond treurt, want het koren is verwoest, de nieuwe wijn opgedroogd, de olie verkommerd. 11 Akkerbouwers staan beschaamd, wijnbouwers weeklagen over de tarwe en over de gerst, want de oogst op het veld is verloren. 12 De wijnstok is verdord en de vijgenboom is verwelkt, de granaatappelboom, ook de palmboom en de appelboom, alle bomen van het veld zijn verdord. Ja, de vreugde is verdord, geweken van de mensenkinderen. 13 Omgord u en bedrijf rouw, priesters, weeklaag, dienaren van het altaar. Kom, overnacht in rouwgewaden, dienaren van mijn God, want graanoffer en plengoffer zijn aan het huis van uw God onthouden. 14 Kondig een vastentijd af, roep een bijzondere samenkomst bijeen, verzamel de oudsten en alle inwoners van het land in het huis van de HEERE, uw God, en roep tot de HEERE. 15 Ach, die dag! Ja, de dag van de HEERE is nabij, en hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige. 16 Is niet voor onze ogen het voedsel weggenomen, uit het huis van onze God blijdschap en vreugde? 17 De zaadkorrels zijn verschrompeld onder hun aardkluiten, de voorraadschuren verwoest, de graanschuren afgebroken, want het koren is verdord. 18 Hoe kreunt het vee! De kudden rundvee zijn in verwarring, want ze hebben geen weide. Zelfs kudden kleinvee moeten boeten. 19 Tot U, HEERE, roep ik, want een vuur heeft verteerd de weiden van de woestijn, en een vlam heeft verzengd alle bomen van het veld. 20 Zelfs de dieren van het veld schreeuwen naar U, want de waterstromen zijn uitgedroogd. Een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd.”
Hierboven, in Joël 1:4-20 vinden wij een beschrijving van de tijd van afbraak en grote geestelijke dorheid, die voorafgaat aan de Spade Regen-opwekking.[24] Deze afbraak en dorheid worden veroorzaakt door de (geloofs)afval en Gods oordeel daarover. Wij moeten deze tijd van afbraak dan ook beschouwen als het begin van het oordeel Gods over de Gemeente en als het begin van de reiniging.[25] Wij zullen zien welke verwoestingen er door de (geloofs)afval en het erop volgend gericht van God worden aangericht. Over het begin van dit gericht lezen wij in Joël 1:4 (nu bewust vermeld vanuit de Statenvertaling), waar staat: “Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.” Het zijn vermoedelijk niet 4 verschillende insecten (zoals hier in de Statenvertaling vermeld staat) maar 4 soorten “sprinkhanen”, die hier worden genoemd (en ook in de Herziene Statenvertaling). Daarom dat in Joël 1:6, waar wij een beschrijving van deze beesten vinden, over hen wordt gesproken als over één volk. Deze sprinkhanen stellen demonische machten voor. In Openbaring 9:2-3 lezen wij over “sprinkhanen” die uit “de put van de afgrond” komen, dat is de verblijfplaats van de duivelen of demonen (vergelijk Openbaring 9:8 met Joël 1:6).
Vanwege de ongehoorzaamheid en afvalligheid van Zijn volk zal God in de tijd van het Beginsel der Smarten (= het begin van de weeën – zie Matth. 24:8, HSV) reeds een aantal demonische machten loslaten en ze hun verderfelijk werk laten doen in de Gemeente en in de christelijke wereld. God zendt deze demonenlegers: “…de veldsprinkhaan, de jonge sprinkhaan, de zwermsprinkhaan en de treksprinkhaan…, Mijn grote leger, dat Ik op u had afgestuurd (Joël 2:25, HSV). Als Zijn volk Hem verlaat, geeft Hij hen over in de macht van hun vijanden. De hier bedoelde demonenlegers verwoesten alle “nieuw leven”, alle geestelijk leven, in de Gemeente en dan in het bijzonder in de landen waar (de 10 stammen van het huis van) Israël[26] naartoe getrokken is, de Christelijke wereld. Wij kunnen deze “sprinkhanen” niet beschouwen als zonden of machten achter de zonde, zoals sommigen doen. Hun komst houdt verband met de door de christenen bedreven zonden, maar ze zijn met deze zonden niet te vereenzelvigen. God zendt deze kwade machten, of geeft ze althans de vrije hand, als stràf op de zonden van de Gemeente/Kerk van de eindtijd en van het (huis van) Israël van de eindtijd (de christelijke volken van het westen). Merkwaardig is, dat in Openbaring 2 en 3 sprake is van 4 zonden van de Gemeente/Kerk van de eindtijd. Het ligt voor de hand om de 4 plagen die veroorzaakt worden door de 4 soorten “sprinkhanen”, teneinde ze nader te kunnen duiden, te vergelijken met die 4 hoofdzonden van de Gemeente/Kerk van de eindtijd, zoals beschreven in Openbaring 2 en 3.[27]

Maar eerst moeten wij de vraag beantwoorden welke demonische machten in de Bijbel worden onderscheiden. Efeze 6:12 noemt 4 soorten (en ook Kolossenzen 1:16 – “tronen, heerschappijen, overheden of machten”). Deze machten in Efeze 6:12 (SV) zijn, in rangorde van hoog naar laag:

  1. Overheden (in het Grieks: archas). Dit zijn “vorsten” over volkeren (vergelijk Daniël 10:13a, waar staat: “De vorst van het koninkrijk van Perzië stond 21 dagen tegenover mij”). Waarschijnlijk worden met de “goden” van Psalm 82 deze overheden bedoeld.
  2. Machten (in het Grieks: exousias). Dit zijn de machten achter alle niet-christelijke stromingen (vergelijk Mattheüs 21:23 – voor wat betreft de vraag welke “machten” er in het spel zijn).
  3. Geweldhebbers der wereld (HSV: “wereldbeheersers”, in het Grieks: kosmokratoras). Dit zijn “tijdgeesten” en mode-machten, die het doen en laten van de mensen beïnvloeden (vergelijk 2 Korinthe 4:4 – “de god [of: goden] van deze eeuw”).
  4. Geestelijke boosheden in de lucht (HSV: “geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten”, in het Grieks: pneumatika tes ponerias), de laagste orde. Dit zijn demonen die zich meester maken van personen (de zgn. “bezetenen”) of van groepen van personen. Zie 2 Thessalonicenzen 2:11, Romeinen 1:24+26+28[28] en andere Bijbelpassages. Op de meest vreselijke manier zullen zij de mensen overweldigen (en pijnigen) tijdens de Grote Verdrukking (lees hiervoor vooral Openbaring 9:1-12).[29]

Het zijn niet deze (de hierboven vermelde) 4 soorten van demonen, welke bedoeld worden in Joël 1:4 – de tekst over de “sprinkhanen” (en de “sleuteltekst” van Joël 1). De eerste 3 worden niet door God gebruikt om plagen te zenden onder Zijn volk. Zij ontvangen hun instructies te allen tijde van satan, “de overste of vorst van deze wereld” (zie Joh. 12:31, 14:30 en Ef. 2:2; en vergelijk Mattheus 4:8-9 en Openb. 11:15), en worden door God alleen zo nu en dan in de uitoefening van hun duistere praktijken beknot (zie 1 Kor. 16:9 en Openb. 3:8).
Het ongedierte van Joël behoort tot de laatste soort (van punt 4, hierboven vermeld). De naam “boosheden” wijst daar al op. Ongedierte is “boos gedierte” (vergelijk Ezechiël 5:17[30]). Zij zullen op een gegeven moment door God niet langer beteugeld worden, maar de vrije hand krijgen om hun verwoestend werk te doen in de Gemeente en onder de christelijke volkeren. Zoals Romeinen 1 ons leert, zijn het geesten die de mensen helemaal in de duisternis trekken. God laat toe dat deze geesten Zijn volk overweldigen, enerzijds opdat sommigen in hun verlatenheid nog tot Hem zullen gaan roepen (en zich bekeren), maar anderzijds opdat “wie vuil is, nog vuiler worde” (zie Openb. 22:11) en hun zonden openbaar worden. Door vergelijking met Openbaring 2 en 3[31] kunnen wij, zoals eerder aangegeven, deze geestelijke “ongedierten” of “boosheden” nader bepalen en karakteriseren.

De 1ste zonde van de Gemeente/Kerk van de eindtijd vinden wij omschreven in de brief aan de gemeente van Efeze. Het is de zonde van het verlaten van de eerste liefde (zie Openb. 2:4). Daardoor wordt het dienen van God tot louter vorm-godsdienst (formalisme) en tot een zaak van het verstand en niet van het hart. Het hiermee corresponderende 1ste ongedierte van Joël is de “rups” (SV). De NBG spreekt over de “knager”. In het Hebreeuws staat “gazam”, wat verslinder, opeter of afsnijder betekent. Het is niet moeilijk te verstaan wat voor een straf dit ongedierte voorstelt. In Hooglied 5:2-3 lezen wij, dat als de liefde van de Bruid of Bruidsgemeente verflauwt, dan maakt zich een geest van slaap van haar meester. De “verslinders” zijn geesten van slaap, van geestelijk bewustzijnsverlies. Zij verslinden wat er nog over is van de “godsdienst des harten”. Zij maken, dat men koud en ongevoelig wordt en doof voor de stem des Heren.

De 2de zonde komen wij tegen in de brief aan Pergamus. Het is de zonde van wereldsgezindheid (zie Openb. 2:14). Het onderscheid tussen de gelovige en de wereldling is zo goed als verdwenen. De christenen doen even hard mee in de jacht naar aardse schatten en wereldse begeerlijkheden (materialisme) en zijn even naarstig uit op zingenot (wellust, genotzucht) en zinsbevrediging (denk o.a. aan ongeoorloofde seks, buitensporig eten/wonen/leven, etc.). Men is vergeten, of, beter gezegd, men heeft geen boodschap meer aan wat er staat in 1 Johannes 2:16, “Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed (SV: grootsheid) van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.”
De straf van God die op deze zonde volgt, wordt verzinnebeeld[32] door het 2de ongedierte van Joël, namelijk de “sprinkhaan”. Het Hebreeuwse woord hiervoor is “arbeh”, wat “snel toenemend” betekent. Snel toenemend in intensiteit en in zijn uitwerkingen op het geestelijk leven is inderdaad de macht waaraan God de wereldsgezinde Gemeente/Kerk overgeeft, namelijk die van de geestelijke bedwelming. Het 2de ongedierte stelt geesten van bedwelming voor. In de “kinderen der ongehoorzaamheid” (de wereldlingen) werkt de geest van bedwelming (zie Efeze 2:1-3[33]), die het verstand verduistert en die doet vervreemden van het leven Gods (zie Efeze 4:17-19[34]). Zij (deze geest van bedwelming) zal zich in het laatste der dagen ook meester maken van vele gelovigen. Als in een roes zullen deze gelovigen leven, ja, ook in een godsdienstige roes. Maar de waarachtige gemeenschap met Christus zullen zij niet kennen. Deze geesten en ook de andere die wij hier noemen, zijn natuurlijk al tevoren werkzaam geweest in de wereld en ook in de Gemeente/Kerk van Christus, vooral in tijden van (geloofs)afval, maar in de eindtijd zullen de aantallen van deze demonen uitgroeien tot legioenen en zullen zij niet langer beteugeld worden door God.

H. Siliakus
(21.10.1948 – 10.11.1995)

KLIK HIER voor deel 1: Voorwoord + Joël – Het boek en de schrijver
KLIK HIER voor deel 2a: De (geloofs)afval van de laatste dagen

.

  • NOOT A. Klein
    Wordt vervolgd. Aan het eind (van 6 [sub]delen) komt er een PDF voor degenen die het artikel willen downloaden of printen.

***********************************************************************

[1] De Nieuwe Bedeling = De periode die de verhouding tussen God en mens NA Christus’ (1ste) komst aangeeft. (noot AK)
[2] Zie eventueel https://nl.wikipedia.org/wiki/Koinè (noot AK)
[3] Zie eventueel https://nl.wikipedia.org/wiki/Alexander_de_Grote (noot AK)
[4] De hellenistische periode (323 v.Chr.–146 v.Chr.), zou een mengcultuur voortbrengen die zich verbreidde vanuit Hellas (Griekenland) in het gebied dat nu het Midden-Oosten heet. Zie eventueel https://nl.wikipedia.org/wiki/Hellenisme (noot AK)
[5] Of weet u niet, dat uw lichaam een TEMPEL is van de Heilige Geest (waarin Hij woont en troont – d.i. waarin Hij het voor het zeggen heeft, door Zijn Geest), Die in u is en Die u van God hebt ontvangen, en dat u niet (meer) van uzelf bent?” (1 Kor. 6:19, HSV). Want wie van Christus zijn, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd.” (Gal. 5:24, HSV)
–> Zie eventueel op onze website de studie: Geroepen om te worden gemaakt tot Gods doel met de mens: een eeuwige, heilige TEMPEL van onze almachtige God en Vader van E. van den Worm. (noot AK)
[6] De Spade Regen-opwekking = De grote zielenoogst (opwekking) in de eindtijd, door de uitstorting van de Heilige Geest – zie Joël 2:23b en 28-29.
–>Zie eventueel de studie Dingen die [met] haast geschieden moeten (Een systematische verklaring van het boek Openbaring)”, hoofdstuk 6, met de titel: De Spade Regen-opwekkingvan H. Siliakus. (noot AK)
[7] “Want nu is het de tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; en als het eerst bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?” (1 Petr. 4:17)
[8] Deze studie is in mijn bezit. Info hierover via info@eindtijdbode.nl (noot AK)
[9] Er is een verschil tussen Israël en het Jodendom. Wij willen dit in het kort proberen uit te leggen. In eerste instantie bestaat het volk van Israël uit de 12 stammen, vernoemd naar de 12 zonen van Jakob (die van God de naam Israël kreeg). Maar later komt er een splitsing. Er wordt in de Bijbel dan onderscheid gemaakt tussen het “huis van Israël” en het “huis van Juda” (de zgn. Joden). Het “huis van Israël” (ook wel Efraïm-Israël genoemd) is het 10-stammenrijk dat in de loop van de geschiedenis, door de Assyrische ballingschap, weggevoerd werd uit het beloofde land Kanaän/Palestina. Zij zijn daarna de zgn. heidenwereld ingetrokken, waar zij, tot op heden, in het “verborgen” wonen. Het zijn vooral de zgn. “christelijke” landen in Noordwest-Europa en de landen, waar velen uit Noordwest-Europa later naar toe zijn geëmigreerd, zoals Amerika, Canada, Zuid-Afrika en Australië. Het “huis van Juda” is het 2-stammenrijk, namelijk het volk van Juda, Benjamin en Levi, dat in de dagen van Jezus rondwandeling op aarde in het beloofde land Kanaän/Palestina leefde. (Het huis van) Juda, de zgn. Joden, is dan ook het deel van Israël waarover de verharding is gekomen (Rom. 11:25). (noot AK)
[10] Voordat u aan de zgn. “vervangingsleer” denkt, lees dan s.v.p. vooral Hebreeën 11, dat gaat over de vele geloofshelden van, vooral, het oude Testament. En dan staat er in Hebreeën 11:39-40, “En deze allen hebben, hoewel zij door het geloof een goed getuigenis van God gekregen hebben, de vervulling van de belofte niet verkregen, daar God met het oog op ons iets beters voorzien had, opdat zij zonder ons niet tot de volmaaktheid zouden komen.” Hiermee wordt door ons dus niet de zgn. “vervangingsleer” bedoeld. Terwijl ik wel kan zeggen dat wij geloven in een spoedige, grote geestelijke taak voor GEHEEL Israël (in totaal dus 12 stammen x 12.000=144.000), o.a. volgens Openbaring 7:1-8 en 14:1-5. (noot AK)
[11] “Deze (de eerste tabernakel – zie vers 8) was een zinnebeeld (SV: een afbeelding) voor die tegenwoordige tijd. In overeenstemming daarmee werden er gaven en slachtoffers geofferd die niet in staat waren om hem die de dienst verrichtte, wat zijn geweten betreft tot volmaaktheid te brengen (SV: niet konden heiligen naar het geweten). Het betrof hier alleen voedsel en dranken en verscheidene wassingen, vleselijke verordeningen, die opgelegd waren tot op de tijd van de betere orde (SV: de tijd der verbetering).” (Hebr. 9:9-10, HSV)
[12] Zie eventueel de ‘vers voor vers’ Bijbelstudie van het boek Daniël, hoofdstuk 8, met de titel: Daniëls visioen van de ram en de geitenbokvan CJH Theys. (noot AK)
[13] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Ptolemaeus_I_Soter en/of https://en.wikipedia.org/wiki/Soter (noot AK)
[14] Zie http://www.christipedia.nl/Artikelen/A/Antiochus_IV_Epiphanes (noot AK)
[15] “De tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.” (2 Thess. 2:4)
[16] Deze studie/dit blad is niet in mijn bezit. (noot AK)
[17] Deze studie over Joël is uit de jaren 1985 t/m 1987 en in 1989 in boekvorm verschenen (zie voorwoord in deel 1). (noot AK)
[18] De tempelreiniging: “En Jezus ging de tempel van God binnen en dreef allen die in de tempel verkochten en kochten naar buiten, en keerde de tafels van de wisselaars om en de stoelen van hen die de duiven verkochten. En Hij zei tegen hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden; maar u hebt er een rovershol van gemaakt. En er kwamen blinden en kreupelen bij Hem in de tempel en Hij genas hen. Toen de overpriesters en schriftgeleerden de wonderen zagen die Hij deed, en de kinderen die in de tempel riepen: Hosanna, de Zoon van David! namen zij Hem dat zeer kwalijk, en zeiden tegen Hem: Hoort U wel wat deze kinderen zeggen? Jezus zei tegen hen: Ja. Hebt u nooit gelezen: Uit de mond van jonge kinderen en van zuigelingen hebt U voor Uzelf lof tot stand gebracht?En Hij verliet hen en ging vandaar de stad uit naar Bethanië en overnachtte daar.”
[19] De verdorde vijgenboom: “’s Morgens vroeg, toen Hij terugkeerde naar de stad, kreeg Hij honger. En toen Hij een vijgenboom (beeld van de Joden van het ‘huis van Juda’, het 2-stammenrijk van Israël) langs de weg zag, ging Hij ernaartoe en vond er niets aan dan alleen bladeren. Hij zei tegen hem: Laat er aan u geen vrucht meer groeien in eeuwigheid! En de vijgenboom verdorde onmiddellijk. Toen de discipelen dat zagen, verwonderden zij zich en zeiden: Hoe is de vijgenboom zo ineens verdord?”
[20] Zie eventueel de studie: Er komt spoedig een Goddelijke Bruiloft hier op aardevan E. van den Worm. (noot AK)
[21] Zie eventueel de studie “Een ANDER geluid – Het verschil tussen ‘het Lichaam van Christus’ en ‘de Bruid van Christus’ (over de 5 wijze en de 5 dwaze maagden en hun eigen lotsbestemmingen in de eindtijd)van A. Klein/E. van den Worm. (noot AK)
[22] Zie eventueel de studie Heiligmakingvan E. van den Worm. (noot AK)
[23] Zie eventueel het artikel Een ANDER geluid – Wie is de VROUW uit Openbaring 12?van A. Klein. (noot AK)
[24] Zie noot 6.
[25] Zie eventueel de studie De Dag van JaHWeH (de Dag des Heren) en/of De 7 donderslagen van Openbaring 10:3en/of God gaat in de eindtijd de Gemeente/Kerk en de wereld schudden van E. van den Worm. En Heiligmaking. (noot AK)
[26] Zie noot 9.
[27] Zie eventueel op dit weblog de ‘vers voor vers’ studie van het Bijbelboek Openbaring “Die IS en Die WAS en Die KOMEN ZAL”, hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, met de titel: De brieven aan de 7 Gemeentenvan CJH Theys. (noot AK)
[28] “En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven.” (2 Thess. 2:11, HSV)
“Daarom ook heeft God hen in de begeerten van hun hart overgegeven aan de onreinheid om hun lichamen onder elkaar te onteren. 26 Daarom heeft God hen overgegeven aan oneervolle hartstochten, want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke. 28 En omdat het hun niet goeddacht God te erkennen (SV: in erkentenis te houden), heeft God hen overgegeven aan verwerpelijk denken, om dingen te doen die niet passen (SV: die niet betamen).” (Rom. 1:24+26+28, HSV)
[29] De in Openbaring 9:5 genoemde “5 maanden van pijniging” is de 1ste periode van de wereldwijde grote verdrukking die de Bruidsgemeente (de “wijze maagden-gelovigen”) nog – voor een deel (lees Openbaring 12:13-17a – waarbij 17b gaat over o.a. de “dwaze maagden” die niet gereed zijn bevonden) – mee zullen maken voordat ze, door God, BEWAARD worden voor de verdere verschrikkingen van de antichrist en zijn helpers. (noot AK)
[30] “Ik zal honger en wilde dieren (SV: boos gedierte), die u van kinderen beroven, over u zenden. Pest (SV: pestilentie = besmettelijke ziekte) en bloedvergieten zullen onder u rondwaren. Ik zal het zwaard over u brengen. Ík, de HEERE, heb gesproken.” (Ezech. 5:17, HSV)
[31] Zie noot 27.
[32] Zie eventueel http://www.christipedia.nl/Artikelen/Z/Zinnebeeld (noot AK)
[33] “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden, waarin u voorheen gewandeld hebt, overeenkomstig het tijdperk van deze wereld, overeenkomstig de wil van de aanvoerder van de macht in de lucht, van de geest die nu werkzaam is in de kinderen van de ongehoorzaamheid, onder wie ook wij allen voorheen verkeerden, in de begeerten van ons vlees, door de wil van het vlees en de gedachten te doen; en wij waren van nature kinderen des toorns, evenals de anderen.” (Ef. 2:1-3)
[34] De oude en de nieuwe mens: “Dit zeg ik dan en getuig ervan in de Heere, dat u niet meer wandelt zoals de andere heidenen wandelen, in de zinloosheid van hun denken, verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven dat uit God is, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding van hun hart. Zij hebben zich, ongevoelig als ze zijn geworden, overgegeven aan losbandigheid, om alle onreinheid begerig te bedrijven.” (Ef. 4:17-19)
Advertenties

Over De Eindtijdbode

Een 'roepende in de woestijn' die 'de bazuin blaast' om velen (via GRATIS Bijbelstudies) te tonen "de dingen die - volgens Gods plan - spoedig geschieden zullen". Volgens Openbaring 1 vers 1, 10 en 19.
Dit bericht werd geplaatst in Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, De antichrist(elijke tijd), de Heilige Geest, Eindtijdstudie, Gods Geest, Heiligmaking, Israël/huis van Israël, Nuttige studie als 'basiskennis', Oordelen Gods, Opwekking, Studie van H Siliakus, Volmaaktheid in Christus, Wederkomst van Christus en getagged met , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Crises van de eindtijd (2b) – Goddelijke gerichten… volgens Joël: De geloofsafval van de laatste dagen (vervolg)

  1. TM vd Kolk zegt:

    Heeft u ook de eindtijdbode voor dummies???

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s