Crises van de eindtijd (2c) – Goddelijke gerichten… volgens Joël: De geloofsafval van de laatste dagen (vervolg)

Goddelijke gerichten vanaf de tijd van de grote afval, volgens de beschrijving van het boek -en de profeet- Joël

Goddelijke gerichten

De (geloofs)afval van de laatste dagen (vervolg)

Wij komen aan de 3de grote zonde toe, waaruit de afvalligheid van de Gemeente/Kerk van de laatste dagen blijkt, en dat is de zonde van het toelaten van valse leer. Deze zonde wordt vermeld in de brief aan Thyatire (zie Openb. 2:20-24). Zij komt voort uit de drang “om af te wijken van de eenvoudigheid die in Christus is” (zie 2 Kor. 11:3, SV). Men wil iets “exclusiefs”, iets buitengewoons. Waar de ware kennis van Christus ontbreekt, waar geen verzadiging in Christus gekend wordt en men in hoogmoed gaat denken iets te zijn, daar komt men al gauw tot het verlaten van de gezonde leer, om die in te ruilen voor de ijdele filosofie van mensen (zie Kol. 2:8[1]). Men wordt “omgevoerd”[2] (zie Ef. 4:14, Hebr. 13:9, SV) en men komt tot ketterij en tot eigenwillige godsdienst (zie Kol. 2:23). De meeste ketterijen zijn overigens te herleiden tot strelingen van het vlees en het eigen ik. Als straf op deze zonde zendt God de “kever” (SV), of, zoals in de NBG staat, de “verslinder”. In het Hebreeuws staat er “yeleq”, dat is “oplikker”. God zendt geesten van dwaling, die verantwoordelijk zijn voor vele “strikken van de duivel” (zie 2 Tim. 2:25-26). Deze geesten van dwaling likken alle nog overgebleven restanten van gezond geestelijk inzicht op en laten de dwalenden steeds vaster verstrikt raken in de kronkelleer van satan. Wij kunnen deze geesten van dwaling vereenzelvigen met de “misleidende geesten” van 1 Timotheus 4:1[3] en met de “kracht der dwaling” van 2 Thessalonicencen 2:11[4], een verzamelnaam voor al deze dwaalgeesten.

Tenslotte de 4de zonde, die van de schijngodsdienstigheid, waarover wij lezen in de brief aan de gemeente van Sardis (Openb. 3:1b, “Ik ken uw werken, en weet dat u de naam hebt dat u leeft, maar u bent [in geestelijke zin] dood”). Deze zonde uit zich in schijnheiligheid en in werkheiligheid (activisme). Beide vormen van heiligheid zijn voor God een gruwel, omdat zij een namaaksel en een persiflage zijn van de ware heiligheid, die door de inwoning van Christus tot stand komt. De straf die de Gemeente/Kerk (althans grote delen ervan) wegens deze zonde treft, wordt gesymboliseerd door de verwoestingen die de “kruidworm” (SV) aanricht, in de NBG (waarschijnlijk met gevoel voor klankovereenkomst met het Hebreeuws) vertaald met “de kaalvreter”, van het Hebreeuwse woord “chaçiyl”, dat verwoester betekent. Het zijn geesten van verharding. Als gelovigen menen God te kunnen misleiden, zal Hij hèn misleiden. Als zij “het beste deel” verachten (het “zitten aan de voeten van de Meester”, om met Hem gemeenschap te hebben – volgens Luk. 10:38-42) en traag om te horen geworden zijn, zal Hij een verharding over hen laten komen, die het laatste beetje geestelijk leven zal verwoesten (vergelijk Jesaja 6:9-10[5]). Dan hebben zij hun zin; volkomen vervallen zijn zij dan van de genade. Eerst komt de slaap, dan de bedwelming, vervolgens de dwaling en tenslotte is dan de allerergste graad van verwijderd zijn van God bereikt: de verharding. Alle geestelijk leven is dan dood!

In het bovenstaande is de Gemeente eenvoudigheidshalve steeds als één lichaam, één geheel, gedacht. Niet in alle delen van dit lichaam hoeft zich echter de geschetste ontwikkeling te voltrekken. Het is mogelijk dat in het ene deel de ene zonde en in een ander deel een andere zonde meer op de voorgrond treedt. In Openbaring 2 en 3[6] is in feite ook sprake van verschillende delen van het ene lichaam, verschillende gemeenten. In de Gemeente als geheel gezien zal zich echter de hierboven aangegeven ontwikkeling aftekenen.
Hoe is nu het één met het andere te rijmen? Er staat geschreven aangaande de Gemeente, dat “als één lid lijdt, zo lijden al de leden mede” (zie 1 Kor. 12:26a). De verklarende waarheid is, dat geen enkel waarachtig deel van de Gemeente van Christus volkomen afgescheiden kan leven van het geheel der universele (wereldwijde) Gemeente. En daarom is ook het volgende waar: Hoewel een kleine minderheid van de gelovigen zich NIET aan deze zonden schuldig zal maken (het getrouwe overblijfsel), zal nochtans de gehele Gemeente onder de hier besproken straffen moeten lijden.

Dientengevolge zal de Gemeente in dit tijdsgewricht een aller-treurigste aanblik vertonen. En bedenk: wij leven reeds in deze tijd! Wat hierna wordt beschreven, zult u dan ook reeds kunnen WAARNEMEN. Die treurige toestand waarin de Gemeente zich in deze tijd van (geloofs)afval bevindt, wordt in Joël 1 op aangrijpende en overtuigende wijze beschreven. Het ergste van al is echter, dat er lieden zijn die de ellendige toestand waarin de Gemeente zich thans bevindt, blijven ontkennen en die menen en volhouden dat er integendeel vandaag de dag sprake is van een geestelijke opleving! De droevige symptomen van deze geest van vals triomfalisme ontwaren wij thans al in vele kringen. Het is de waan van de Laodicea-gemeente: “…Ik ben (in geestelijke zin) rijk en steeds rijker (SV: rijk en verrijkt) geworden en heb aan niets gebrek, maar u weet niet dat juist u (in geestelijke zin) ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt bent.” (Openb. 3:17, HSV)
Als u zich afvraagt hoe dit mogelijk is, bedenk dan, dat de gevolgen van een natuurramp voor een ieder waarneembaar zijn, maar de geestelijke ruïnering van de Gemeente van Christus kan alleen waargenomen worden door gelovigen wier ogen met de “ogenzalf van de Geest” bestreken zijn (zie Openb. 3:17-18). Maar juist daaraan is in onze dagen een groot tekort. Want het eerste wat God doet als het zonde-zuurdesem niet uit de Gemeente verwijderd wordt, is: Zijn Heilige Geest[7] terugtrekken. Zonde en heiligheid kunnen niet samengaan.

In Joël 1:5 wordt dit wegebben van de werkingen van de Geest aangeduid met de woorden: “…de nieuwe wijn… is afgesneden” (SV). “Wijn” is één van de symbolen in de Schrift voor de Heilige Geest. In Efeze 5:18 wordt VOL ZIJN van de Heilige Geest gesteld tegenover dronken zijn van de aardse wijn. Doch tijdens de grote afval van de laatste dagen zal de Gemeente als geheel geen deel meer hebben aan de volheid van de Heilige Geest. En de Spade Regen-uitstorting van de Heilige Geest zal niet eerder plaatsvinden dan wanneer de kinderen Gods goed zijn gaan voelen wat het is als de Geest van God Zich terugtrekt. Bij de bruiloft te Kana (zie Joh. 2:1-12), die een heenwijzing is naar de Bruiloft van het Lam[8], greep de Heer niet dadelijk in toen de wijn ontbrak. Zijn ure om nieuwe wijn te geven, kwam pas later. Zo zal het ook in de eindtijd zijn. Eerst moet Gods volk in een ure van grote benauwdheid terechtkomen en wederom gehoorzaamheid leren. Daarna pas zal Jezus “de nieuwe wijn” (= de volheid van de Geest) geven en zal Hij ons de Spade Regen zenden.[9]
Hoe kan er dan toch in Joël 1:5 sprake zijn van “dronkaards en wijnzuipers”, in weerwil van (= ondanks) het ontbreken van “de nieuwe wijn”? De verklaring is, dat de nieuwe wijn “de volheid van de Geest” is, maar de kinderen Gods zijn dronken van de wijn der zonde. Pas na een radicale bekering zal Jezus Zijn Gemeente weer “de wijn des Geestes” schenken.

Als de Heilige Geest Zich terugtrekt, komt de Gemeente in een toestand van grote verlatenheid terecht. Jezus Christus Zelf, de Heer van de Gemeente, verlaat haar, want Zijn tegenwoordigheid manifesteert zich in de werkzaamheid van de Heilige Geest.[10] “De Geest der profetie”, de Heilige Geest, is “de getuigenis van Jezus”, staat in Openbaring 19:10. Zie ook Johannes 14:16-18.
Van deze geestelijke verlatenheid, die dan in vele gemeenten ervaren zal worden, is sprake in Joël 1:8 (HSV), “Weeklaag als een jonge vrouw, omgord met een rouwgewaad, die klaagt om de man van haar jeugd.” De Gemeente is dan als een bruid die haar Man verloren heeft. De tegenwoordigheid van Christus wordt niet meer ervaren. Gaven[11] en andere werkingen van de Geest worden nog nauwelijks gekend in de Gemeente. Bij dit ontbreken of bijna ontbreken van waarachtige Geesteswerkingen zal satan overigens op listige wijze aanhaken. Ook van hem kunnen mensen “geestelijke gaven” ontvangen. Velen zullen in die tijd dan ook uit EEN ANDERE geest profeteren en door een andere, duivelse geest vele krachten doen (zie Matth. 7:22-23[12]). En vele wonderen, die onder Christus’ naam zullen plaatshebben, zullen in werkelijkheid “wonderen der leugen” zijn (zie 2 Thess. 2:9). Occultisme zal infiltreren in de Gemeente. Mensen zullen in de Gemeente aan de macht komen en grote aanhang verwerven, die – naar gelijkenis met Jannes en Jambres (zie 2 Tim. 3:8[13]) – de waarheid (= Gods Waarheid) zullen tegenstaan: het zullen mis-/verleiders zijn, werktuigen van satan! Maar Christus zal buiten de deur staan (net als bij de gemeente te Laodicea – zie Openb. 3:20a), wat heden in vele gemeenten en kerkgenootschappen al lang het geval is! Wij leven dan ook al in de tijd dat dit alles zou geschieden. Hoezeer is daarom vandaag de apostolische waarschuwing op zijn plaats: Geloof niet elke geest! (1 Joh. 4:1a). Velen doen zich mooier (= geestelijker) voor dan zij in werkelijkheid zijn. En dat is dan nog zacht uitgedrukt. Op velen, predikers èn gemeenteleden, rust niet de zalving van de Heilige Geest maar van de satan!

De ravage, die de (geloofs)afval en dat “ongedierte” (de demonische machten) zullen aanrichten in de Gemeente en temidden van de Christelijke volkeren, wordt uitgebreid beschreven in Joël 1. Wie de gebruikte beelden en symbolen begrijpt, komt opnieuw tot de onthutsende ontdekking, dat wij al middenin deze tijd leven! Laten wij eerst naar Joël 1:7 gaan: “Het heeft van Mijn wijnstok een woestenij gemaakt en Mijn vijgenboom tot een kale tak (SV: tot schuim). Het heeft hem volledig afgeschild (SV: ontbloot) en weggeworpen, zijn ranken zijn wit geworden.” (HSV)
De wijnstok is het beeld van de blijdschap (vergelijk Ps. 104:15a, Jes. 25:6+9 en Amos 9:13), terwijl de vijgenboom spreekt van vrede en vastigheid (vergelijk Nah. 3:12 en Jer. 8:13+15). Wij hebben hier onmiskenbaar te doen met een verwijzing naar de toen in Israël gangbare uitdrukking (of het gezegde): “Zitten onder zijn wijnstok en zijn vijgenboom” (zie 1 Kon. 4:25, Micha 4:4 en Zach. 3:10), wat zoveel betekent als een genoeglijk (= gezellig, prettig, gemoedelijk) en vredig leven leiden. De strekking van de klacht van de profeet is daarom helder. Door de plaag die God zal zenden, zal alle ware vreugde en vrede worden weggenomen (onder vrede versta men in dit verband niet ziele-vrede, maar levensrust). Hoe vreemd het misschien ook klinkt, dit treft met name de getrouwen, voor wie de profeet hier spreekt. De profeet spreekt hier in de eerste persoon, voor zichzelf. Niet voor de grote massa. De profeet is de representant van het getrouwe overblijfsel. De positie van de getrouwen in Christus’ Gemeente zal in die dagen zijn als die van een Job.[14] De ontrouwe en oppervlakkige gelovigen zullen die vreugde en vrede nauwelijks missen, omdat zij leven met de vreugde en de vrede van de wereld. Aan hen zal trouwens veel voorbijgaan in de eindtijd. De getrouwen echter zullen lijden gelijk Job. Hoor wat deze zegt in Job 10:1-3 (SV): “Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel. Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist. Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt de arbeid Uwer handen, en over de raad der goddelozen schijnsel geeft?”
Na de vernedering komt echter de verhoging, leert ons zijn geschiedenis. Dit lijden zal de weg zijn waarlangs God het getrouwe overblijfsel leidt tot de volmaaktheid[15], om als een vlekkeloze en rimpelloze Bruidsgemeente met Jezus eenmaal verenigd te worden in een huwelijksverbintenis. Door lijden tot heerlijkheid! (vergelijk Hebr. 2:10)

In de passage Joël 1:9-12 wordt vervolgens dieper ingegaan op de hopeloze geestelijke toestand, waarin de Gemeente en de christelijke Israëlvolkeren[16] zich in die dagen zullen bevinden: “Graanoffer en plengoffer (SV: Spijsoffer en drankoffer) zijn weggenomen van het huis van de HEERE. De priesters treuren, de dienaren van de HEERE. 10 Het veld is verwoest, de grond (SV: het land) treurt, want het koren is verwoest, de nieuwe wijn opgedroogd, de olie verkommerd (SV: de olie is flauw[17]). 11 Akkerbouwers staan beschaamd, wijnbouwers weeklagen over de tarwe en over de gerst, want de oogst op het veld is verloren. 12 De wijnstok is verdord en de vijgenboom is verwelkt, de granaatappelboom, ook de palmboom en de appelboom, alle bomen van het veld zijn verdord. Ja, de vreugde is verdord, geweken van de mensenkinderen.” (HSV)
Vers 9 handelt in het bijzonder over het “Huis des Heren”, de Gemeente. “Spijsoffer en drankoffer” spreken van een Gode welbehagelijke levenswandel (zie Rom. 12:1[18]) en van de bereidheid om te sterven voor Jezus (zie 2 Tim. 4:6). Maar omdat de liefde van de Gemeente voor haar Heer zal zijn verflauwd èn door het werk van die geestelijke boosheden, zal de Gemeente als geheel deze offers niet meer brengen. Hoogstens zullen er enige enkelingen zijn, tezamen het “heilig overblijfsel” vormend, die in deze offers zullen volharden.
Ook Maleachi 3:3 wijst op het aanvankelijk ontbreken van deze offers in de eindtijd, waarom er een tijd van grote loutering en zuivering voor de Gemeente zal aanbreken: “En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij den HEERE spijsoffer toebrengen in gerechtigheid.” (SV)
In Joël 1:13 wordt de klacht over het ontbreken van spijs- en drankoffers nog eens herhaald: “Omgordt u, en rouwklaagt, gij priesters! huilt, gij dienaars des altaars! gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods.” (SV)
De priesters en de “dienaars des altaars” zijn dat heilig overblijfsel, de (weinige) waarachtige kinderen Gods, die, zoals ook Joël 1:9 aangeeft, in die dagen zullen “treuren”, vanwege de erbarmelijke geestelijke toestand van Gods volk. De verzen 10-12 geven vervolgens een algemene karakterisering van het geestelijk leven van deze tijd. De prediking van het Woord Gods zal ernstig zijn gedevalueerd: er zal geen of nauwelijks “voeding” in zitten. Dit wordt bedoeld met “het koren is verwoest” (zie Joël 1:10). Vergelijk Hosea 2:8a.[19] Er zullen geen of bijna geen werkingen van de Geest meer ervaren worden (“nieuwe wijn en olie” – zie Joël 1:10). De arbeiders Gods (“de akkerlieden en wijngaardeniers” – zie Joël 1:11, SV) zullen geen vrucht op hun arbeid zien en zullen treuren. De vrucht van het gestrooide zaad van het Woord (van God) zal zijn weggevreten: slechts hier en daar zal er nog sprake zijn van waarachtig geloof (de “tarwe”) en van Schriftuurlijke heiligmaking (waarnaar de “gerst” verwijst). Vergaan zal ook zijn de blijdschap (“de wijnstok” die nu verdord is – zie Joël 1:12) en de vrede (“de vijgenboom” die nu verwelkt is), zoals ook al eerder vermeld werd in Joël 1:7, waar het echter hoofdzakelijk ging over wat de getrouwen in die tijd moeten doormaken. Hier wordt hetzelfde nog eens vastgesteld voor het geheel van de Gemeente. Voor genade zal oordeel zijn gekomen; “de granaatappel” met zijn vele besjes spreekt hier (in Joël 1:12) van Gods menigvuldige genade. Alle heerlijkheid zal van de Gemeente/Kerk zijn geweken; “de palmboom” is een beeld van de heerlijkheid van de rechtvaardige (zie Psalm 92:13-16[20]). De liefdesgemeenschap tussen Christus en Zijn Gemeente zal zijn verstoord; “de appelboom” spreekt van deze liefdesband (vergelijk Hooglied 2:3+5[21]; denk ook aan de zogenaamde “liefdesappels”, de dudaïm – zie Hl. 7:13a, HSV+SV). En met de mededeling (in Joël 1:12), dat “alle bomen van het veld zijn verdord”, wordt aangegeven, dat bovendien nog vele andere zegeningen zullen zijn ingehouden.

Joël 1:12 besluit met de woorden “Ja, de vreugde is verdord, geweken van de mensenkinderen” (HSV). Dit is een uitbreidende conclusie. Bij “mensenkinderen” denken wij niet in de eerste plaats aan de leden van Christus’ Gemeente, maar aan de bevolking van de aarde in het algemeen. Hiermee wordt aangegeven dat we de nood van de Gemeente niet los mogen zien van de zorgelijke zedelijke en geestelijke toestand waarin de christelijke naties zich bevinden, die tezamen de volkerenfamilie van Israël vormen. Wij worden er weer aan herinnerd, dat het Raadsplan van God zich langs twee lijnen ontwikkelt, die van Israël en die van de Gemeente, het natuurlijke volk en het geestelijke volk.

Aansluitend moeten wij ook Joël 1:16-20 lezen, waar gesproken wordt over de ellendige staat waarin de gemeenten zich zullen bevinden:
“Is niet de spijze (HSV: het voedsel) voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het huis van onze God? 17 De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord. 18 O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest. 19 Tot U, o HEERE! roep ik; want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen des velds aangestoken. 20 Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.” (SV)
De plaatselijke gemeenten worden hier achtereenvolgens aangeduid met “schuren” (vers 17), “runder- en schaapskudden” (vers 18) en als de “weiden der woestijn” (vers 19+20). Voor ogen moeten wij houden, dat de allegorische[22] voorstelling uiteraard een beeld geeft van de algemene stand van zaken. Er zullen hier en daar uitzonderingen zijn, hoewel weinige. Vers 16 bepaalt ons weer bij het tekort aan geestelijk voedsel dat er in die dagen zal zijn. Predikers die de gelovigen kunnen “voeden” zullen er bijna niet meer zijn. De “blijdschap” in het dienen van God zal zo goed als verdwenen zijn (vers 16). Dat “de granen zijn verrot” (vers 17) wil zeggen: dat het gezaaide Woord niet meer kan werken, groeien en vruchtdragen in de levens van de gelovigen. Dat de “schathuizen zijn verwoest”, heeft tot gevolg, dat er geen geestelijke schatten, schatten van het Woord (van God), meer worden uitgedeeld (vergelijk Mattheüs 13:52, SV). De “schatkamers van het Woord” zijn de “binnenkamers van de Bruidegom” (zie Hooglied 1:4a).[23] Deze zijn uiteindelijk alleen toegankelijk voor de “Bruidsgelovigen”. Door het ontbreken van de zuivere prediking van het Woord zullen de “schuren worden afgebroken” (vers 17), dat wil zeggen: de gemeenten worden verwoest. Dit ziet niet zozeer op achteruitgang in ledental, maar op geestelijke afbraak. Door het Woord (van God) worden de gemeenten gebouwd! Maar: Indien (Gods) openbaring ontbreekt, verwildert het volk (Spreuken 29:18a, NBG). In vers 18 (van Joël 1) wordt een ander beeld gebruikt voor de gemeenten, dat van “runder- en schaapskudden”. Het “zuchtende vee” zijn de zuchtende gelovigen van die dagen, die van de ware blijdschap beroofd zullen zijn. “Bedwelmd” zullen zij zijn (vers 18); zij zullen voor het overgrote deel in een slaap- of benevelde toestand verkeren: “Als nu de bruidegom vertoefde (= Zijn komst uitbleef), werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap” (Matth. 25:5, SV). Ook de getrouwen zullen door deze geestelijke slaap overmand worden, maar voor hen zal gelden: “Ik sliep, maar mijn hart waakte” (Hooglied 5:2a). Gods Geest zal in hen waken (vergelijk Habakuk 2:1[24]). Zij, de ware gelovigen, zullen in deze verschrikkelijke toestand “roepen” tot God, zoals wij in vers 19 (van Joël 1) kunnen lezen. Hier wordt weer een ander beeld voor de christelijke gemeenten gebruikt: de “weiden der woestijn”. De woestijn is de wereld en de gemeenten van Christus moeten als oasen zijn in deze dorre woestenij, waar moede zielen verkwikking vinden. Doch in de tijd waarover Joël spreekt, zullen deze gemeenten door de brandende zon van beproeving en van oordeel worden verteerd. Er zal een algehele achteruitgang waarneembaar zijn van alle gemeenten welke tot het mystieke Lichaam van Christus behoren. De “bomen des velds”, waarvan hier (in vers 19) ook sprake is, zijn de geestelijke leiders. Vooral zij worden door de hitte der verdrukking geteisterd. Vers 20 spreekt tenslotte van de grote geestelijke droogte die alsdan zal heersen. Het zal geestelijk gesproken een dorre, droge tijd zijn; alle of hoegenaamd alle geestelijk leven sterft. Alle levenden (“beesten” zijn levende wezens; vergelijk de 4 “dieren” voor Gods Troon[25]) lijden geestelijke dorst. Hetgeen ongetwijfeld mede tot uiting zal komen in een massaal jagen naar allerhande dingen die de zieledorst kunnen lessen, een verschijnsel van ònze tijd! Let wel, het “schreeuwen tot God”, waarvan hier (in vers 20) sprake is, houdt niet noodzakelijkerwijs een verootmoediging in en behoeft niet opgevat te worden als gebed. Opnieuw wordt tenslotte vermeld dat ook de “weiden” – de gemeenten, de plek waar voorheen het geestelijk voedsel en het water des levens te verkrijgen was – zullen zijn verdord.

Een grote verantwoordelijkheid zal in die dagen rusten op de nog overgebleven getrouwe predikers van Gods Woord. Zij zullen geen onzeker geluid mogen laten horen (vergelijk 1 Korinthe 14:8), geen slappe en zouteloze prediking. Zij zullen de zonde bij de naam moeten noemen en zonder terughoudendheid de ongerechtigheden moeten blootleggen. Zij zullen het volk moeten wijzen op hun zonden, maar hun prediking zal ook een oproep tot geestelijke mobilisatie inhouden. Zij zijn ook de wachters op de muren van Jeruzalem, die niet mogen zwijgen en onder wier aanhoudende prediking de Gemeente (Jeruzalem[26]) uiteindelijk de grote laatste opwekking in zal gaan, die tot de vorming van de Bruidsgemeente zal leiden. Zie Jesaja 62:6-7 (SV): “O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al de dag en al de nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des HEEREN doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen! En zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevestige, en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde.”
De boodschap die zij brengen moeten, vinden wij opgetekend in Joël 1:5, waar Gods volk, dat dronken is van de wijn der zonde, tot ontwaking en bekering wordt opgeroepen: “Waakt op, gij dronkenen! en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om de nieuwe wijn (“wijn”, één van de symbolen in de Schrift voor de Heilige Geest), dewijl hij van uw mond is afgesneden.” (SV)
In Joël 1:8 wordt dit volk vermaand zich in zak en as te vernederen, te kermen, zich te verootmoedigen, vanwege het oordeel dat men over zichzelf heeft gehaald: “Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd” (SV). Merk op, dat de Gemeente hier wordt getekend als een jonkvrouw die haar man verloren heeft. Een heel ander beeld vertoont Jesaja 62:5[27], waar wij de Gemeente zien als de bruid die op haar Bruidegom wacht. Maar dit zal zijn tijdens de Spade Regen-opwekking[28], die na de tijd van droogte komt.

Deze grote opwekking van de laatste dagen zal dus voorbereid worden door de bediening van getrouwe predikers of wachters. Nog iets anders zal echter voorafgaan aan deze opwekking:
“Omgord u en bedrijf rouw, priesters, weeklaag, dienaren van het altaar. Kom, overnacht in rouwgewaden, dienaren van mijn God, want graanoffer en plengoffer zijn aan het huis van uw God onthouden. 14 Kondig een vastentijd af, roep een bijzondere samenkomst bijeen, verzamel de oudsten en alle inwoners van het land in het huis van de HEERE, uw God, en roep tot de HEERE.” (Joël 1:13-14, HSV)
Hier, in Joël 1:13-14 vinden wij een oproep tot de getrouwe arbeiders en alle overige oprechte kinderen Gods die overgebleven zullen zijn, om in de voorspraakbediening te gaan staan. Om te bidden om vergeving, zoals Daniël eenmaal deed voor zijn volk (zie Dan. 9:5-6 en 16-19), waarop God met zo’n machtige openbaring antwoordde (de profetie van de 70 weken – zie Dan. 9:24-27).[29] Om een andere, machtige openbaring zullen deze getrouwen in de eindtijd bidden, om een opwekking, om een nieuw werk van Gods Geest. Er zal een “gebedsactie” voorafgaan aan de Spade Regen-opwekking. Hierop duidt bijvoorbeeld ook Zacharia 10:1a (“Bid, begeer, vraag om regen als de tijd van de Spade Regen naderbij komt!”). Even verderop in het boek Zacharia lezen wij dan, dat God de Geest der genade en der gebeden uitstort (zie Zach. 12:10a). Een heilige beweging tot vasten en bidden zal er ontstaan onder de getrouwe gelovigen (zie Joël 1:14) en dit zal gepaard gaan met een oproep aan het volk om zich te bekeren.

Aldus wordt dan het profetische Feest der Bazuinen ingeluid. Zie ook Joël 2:1 (het “bazuingeschal” is bekeringsprediking): “Blaas de bazuin in Sion, sla alarm op Mijn heilige berg, laat alle inwoners van het land sidderen, want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!” (HSV)
Maar om het volk tot daadwerkelijke bekering te brengen en om de Gemeente werkelijk wakker te schudden, zal meer nodig zijn. De tijd van (geloofs)afval zal uitmonden in een tijd van grote benauwdheid. Deze benauwdheid wordt door God gebruikt om de Gemeente te reinigen, om de getrouwen tot de volmaaktheid te leiden en om nog vele onbekeerden ertoe te brengen om hun kromme wegen te verlaten. Tegelijkertijd echter zal de genadetijd gaan aflopen voor degenen die onwillig blijven.

H. Siliakus
(21.10.1948 – 10.11.1995)

KLIK HIER voor deel 1: Voorwoord + Joël – Het boek en de schrijver
KLIK HIER voor deel 2a: De (geloofs)afval van de laatste dagen
KLIK HIER voor deel 2b: De (geloofs)afval van de laatste dagen –> het vervolg

.

  • NOOT A. Klein
    Wordt vervolgd. Aan het eind (van 6 [sub]delen) komt er een PDF voor degenen die het artikel willen downloaden of printen.

***********************************************************************

[1] Pas op dat niemand u als buit meesleept door de filosofie en inhoudsloze verleiding, volgens de overlevering van de mensen, volgens de grondbeginselen van de wereld, maar niet volgens Christus.” (Kol. 2:8, HSV)
[2] Omgevoerd = meegesleurd (volgens de HSV).
[3] “Maar de Geest zegt uitdrukkelijk dat in latere tijden sommigen afvallig zullen worden van het geloof en zich zullen wenden tot misleidende geesten en leringen van demonen.” (1 Tim. 4:1, HSV)
[4] “En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven.” (2 Thess. 2:11, SV)
[5] “Toen zei Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort (u), maar verstaat niet, en ziende ziet (u), maar merkt niet. Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.” (Jes. 6:9-10, SV)
[6] Zie eventueel de ‘vers voor vers’ studie van het Bijbelboek Openbaring Die IS en Die WAS en Die KOMEN ZAL”, hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, met de titel: De brieven aan de 7 Gemeentenvan CJH Theys. (noot AK)
[7] Zie eventueel de studie: De natuurlijke mens en de Heilige Geestvan CJH Theys. (noot AK)
[8] Zie eventueel de studie: Er komt spoedig een Goddelijke Bruiloft hier op aardevan E. van den Worm. (noot AK)
[9] De “Spade Regen”, ook wel “Late Regen” genaamd = Het beeld van de uitstorting van de Heilige Geest in de eindtijd – zie Joël 2:23b en 28-29. Terwijl de zgn. Vroege Regen het beeld is van de uitstorting van de Heilige Geest op de (1ste, Nieuwtestamentische) Pinksterdag. Zie Handelingen, hoofdstuk 2, vooral de verzen 1-4.
–> Zie eventueel de studie Dingen die [met] haast geschieden moeten (Een systematische verklaring van het boek Openbaring)”, hoofdstuk 6, met de titel: De Spade Regen-opwekkingvan H. Siliakus. (noot AK)
[10] De Heilige Geest is de 3de Openbaringsvorm van de Godheid (Vader, Zoon en Geest). Zie ook nog noot 7. (noot AK)
[11] Zie eventueel de studie De Gever en Zijn Gavenvan CJH Theys. (noot AK)
[12] “Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam demonen uitgedreven, en in Uw Naam veel krachten gedaan? Dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij, u die de wetteloosheid (SV: ongerechtigheid) werkt!” (Matth. 7:22-23, HSV)
[13] “Op de wijze waarop Jannes en Jambres tegen Mozes in gingen, zo gaan ook zij tegen de waarheid in. Het zijn mensen met een verdorven gezindheid en, wat het geloof betreft, verwerpelijk.” (2 Tim. 3:8, HSV)
[14] Zie eventueel de studie Het boek Job (Over het lijden en de strijd van de Bruidsgemeente)van E. van den Worm. (noot AK)
[15] Zie eventueel de studie De volmaaktheid in Christus op aarde, in de eindtijd van E. van den Worm. (noot AK)
[16] De christelijke Israëlvolkeren = M.i. worden hier de 10 “verloren gewaande” stammen van het huis van Israël bedoeld.
Er is een verschil tussen Israël en het Jodendom. Wij willen dit in het kort proberen uit te leggen. In eerste instantie bestaat het volk van Israël uit de 12 stammen, vernoemd naar de 12 zonen van Jakob (die van God de naam Israël kreeg). Maar later komt er een splitsing. Er wordt in de Bijbel dan onderscheid gemaakt tussen het “huis van Israël” en het “huis van Juda” (de zgn. Joden). Het “huis van Israël” (ook wel Efraïm-Israël genoemd) is het 10-stammenrijk dat in de loop van de geschiedenis, door de Assyrische ballingschap, weggevoerd werd uit het beloofde land Kanaän/Palestina. Zij zijn daarna de zgn. heidenwereld ingetrokken, waar zij, tot op heden, in het “verborgen” wonen. Het zijn vooral de zgn. “christelijke” landen in Noordwest-Europa en de landen, waar velen uit Noordwest-Europa later naar toe zijn geëmigreerd, zoals Amerika, Canada, Zuid-Afrika en Australië. Het “huis van Juda” is het 2-stammenrijk, namelijk het volk van Juda, Benjamin en Levi, dat in de dagen van Jezus rondwandeling op aarde in het beloofde land Kanaän/Palestina leefde. (Het huis van) Juda, de zgn. Joden, is dan ook het deel van Israël waarover de verharding is gekomen (Rom. 11:25). (noot AK)
[17] De olie = (Nieuwe wijn en) olie, dat zijn de werkingen, gaven en bedieningen van de Heilige Geest. (noot AK)
[18] “Ik roep u er dan toe op, broeders (en zusters), door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst.” (Rom. 12:1, HSV)
[19] “Daarom keer Ik terug en neem Ik Mijn koren weg op zijn tijd, en Mijn nieuwe wijn op de daarvoor vastgestelde tijd.” (Hosea 2:8a, HSV)
[20] “De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon. Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. In de grijze ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, om te verkondigen, dat de HEERE recht (of: rechtvaardig – HSV: waarachtig) is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.” (Ps. 92:13-16, SV)
[21] “Als een appelboom tussen de bomen van het woud, zo is mijn Liefste tussen de jongemannen. Ik verlang er sterk naar in Zijn schaduw te zitten, en Zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte. 5 Sterk mij met rozijnenkoeken, verkwik mij met appels, want ik ben ziek van liefde.” (Hooglied 2:3+5, HSV)
[22] Een allegorie in de literatuur is een metafoor (een vorm van beeldspraak) die door het gehele gedicht, verhaal of boek wordt volgehouden. Naast diverse Bijbelboeken, zoals Het Hooglied en Openbaring, is een bekende allegorie: De Christenreis (A Pilgrim’s progress) van John Bunyan, vol met beelden van de bekering en het verdere leven van een christen. Maar denk verder ook aan uitbeeldingen en/of beeldspraak, zoals “Een schaap in wolfskleren” etc. (noot AK)
[23] Zie eventueel de studie Beschouwingen over het boek Hooglied van H. Siliakus. (noot AK)
[24] “Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.” (Hab. 2:1, SV)
[25] Levende wezens is ook de letterlijke vertaling voor deze “4 dieren” voor Gods Troon (zie Openb. 4:6, 5:6, 7:11, 14:3 en 19:4). (noot AK)
[26] Jeruzalem, als bruid (of bruidsgemeente), zoals vermeld in Openbaring 21:2+9b-11a (SV): “En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. 9b …Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams. 10 En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God. 11 En zij had de heerlijkheid Gods,…” (noot AK)
[27] “Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, alzo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn.” (Jes. 62:5, SV)
[28] Zie noot 9.
[29] Zie eventueel onze ‘vers voor vers’ studie van het boek Daniël, hoofdstuk 9, Gods openbaring aan Daniël van de 70 (jaar)weken van CJH Theys. (noot AK)
Advertenties

Over De Eindtijdbode

Een 'roepende in de woestijn' die 'de bazuin blaast' om velen (via GRATIS Bijbelstudies) te tonen "de dingen die - volgens Gods plan - spoedig geschieden zullen". Volgens Openbaring 1 vers 1, 10 en 19.
Dit bericht werd geplaatst in Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, De antichrist(elijke tijd), de Heilige Geest, Eindtijdstudie, Gods Geest, Heiligmaking, Israël/huis van Israël, Nuttige studie als 'basiskennis', Oordelen Gods, Opwekking, Studie van H Siliakus, Volmaaktheid in Christus, Wederkomst van Christus en getagged met , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Crises van de eindtijd (2c) – Goddelijke gerichten… volgens Joël: De geloofsafval van de laatste dagen (vervolg)

  1. Henk Herbold zegt:

    Voor christenen die de Bijbel kennen is het duidelijk. De tijd van het oordeel over de wereld en de toekomst voor de gemeente van Jezus Christus, is heel dichtbij. Ook alles wat Joël vele duizenden jaren terug profeteerde, gaat in deze tijd en in de nabije toekomst, in vervulling.

    In deze studie las ik o.a. “Er zal een algehele achteruitgang waarneembaar zijn van alle gemeenten welke tot het mystieke Lichaam van Christus behoren”.

    Persoonlijk denk ik dat die achteruitgang alles te maken heeft met de opkomst van de Laodicea kerk (Openbaring 3). En juist vandaag zien we het steeds duidelijker vorm krijgen, kerken en gemeenten die gevuld zijn met lauwe christenen. Dat zijn mensen die o.a. geen dagelijks gebedsleven met de Heer hebben en niet in heiliging leven. Ze hebben het erg druk ‘met heel veel dingen’ en daardoor geen tijd meer voor God.
    Gelukkig is hier in Joël ook sprake van een spade regen opwekking. God stort Zijn Geest opnieuw uit en doet er alles aan om Zijn gemeente klaar te maken voor haar heerlijke toekomst. Wel, ik zie met verlangen uit naar de vervulling van al deze heerlijke beloften.

    In de tussentijd ben ik God dankbaar voor degene die deze studie digitaliseert. Dan moet je wel vervuld zijn met de Heilige Geest, om met zoveel nauwkeurigheid en toewijding bezig te kunnen zijn, om o.a. zo’n studie van Joël op internet te zetten. ‘Zodat deze goddelijke waarheden niet zullen verdwijnen’, maar voor de mensen van nu en straks, gelezen kunnen worden. Zodat ze gewaarschuwd zijn.
    De vrucht van dit werk zal pas in de eeuwigheid ten volle gezien kunnen worden, maar het is te verwachten dat er veel vrucht zal zijn. Want het werk is met gebed en in Jezus naam gedaan.
    Moge de Heer van de oogst, die spoedig zal komen, A. Klein hiervoor zegenen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s