Tabernakel symbolieken (12): Het REUKALTAAR en het reukwerk

 wierook-altaar

  • U moet ook een altaar (SV: reukaltaar) voor het branden van reukwerk maken. Van acaciahout moet u het maken; zijn lengte moet 1 el zijn en zijn breedte 1 el – vierkant moet het zijn – en zijn hoogte 2 el. De bijbehorende hoorns moeten er één geheel mee vormen. U moet dat vervolgens met zuiver goud overtrekken, zijn bovenkant, zijn wanden rondom, en zijn hoorns. Ook moet u er een gouden rand (SV: gouden krans) omheen maken. Ook moet u er 2 gouden ringen voor maken, onder de rand ervan; aan zijn beide kanten moet u die maken, aan weerskanten ervan. Ze moeten dienen als houders voor de draagbomen om het altaar daarmee te dragen. Verder moet u de draagbomen van acaciahout (SV: sittimhout) maken en ze met goud overtrekken. U moet het vervolgens vóór het voorhangsel, dat voor de ark van de getuigenis hangt, plaatsen, vóór het verzoendeksel, dat boven de getuigenis is, waar Ik u zal ontmoeten (SV: waarheen Ik met u samenkomen zal). En Aäron moet daarop geurig reukwerk (SV: welriekende specerijen) in rook laten opgaan. Elke morgen als hij de lampen in orde gebracht heeft, moet hij het in rook laten opgaan. Ook als Aäron de lampen tegen het vallen van de avond zal aansteken, moet hij het in rook laten opgaan. Het moet een voortdurend reukwerk zijn voor het aangezicht van de HEERE, al uw generaties door.” (Exod.30:1-8)
  • Vervolgens maakte hij het reukofferaltaar van acaciahout. Zijn lengte was 1 el, zijn breedte was 1 el – het was dus vierkant – en zijn hoogte 2 el. De bijbehorende hoorns vormden er één geheel mee. Hij overtrok het met zuiver goud, zijn bovenkant, zijn wanden rondom, en zijn hoorns; en hij maakte er een gouden rand omheen. Ook maakte hij er 2 gouden ringen voor, onder de rand ervan, aan zijn beide kanten, aan weerskanten ervan, als houders voor de draagbomen, om het altaar daarmee te kunnen dragen. Verder maakte hij de draagbomen van acaciahout en overtrok ze met goud.” (Exod.37:25-28)
  • “Daarna zette hij het gouden altaar in de tent van ontmoeting (SV: tent der samenkomst), vóór het voorhangsel, en hij liet daarop geurig reukwerk in rook opgaan, zoals de HEERE Mozes geboden had.(Exod.40:26-27)

Het REUKALTAAR (Exod.30:1-8 + 37:25-28 + 40:26-27) stond, naar de ordeningen Gods, vlak voor het voorhangsel en dus ook vlak voor het verzoendeksel van de Ark des Verbonds, die in het allerheiligdom stond, waar de Here God tot Zijn volk wilde komen.
Andere benamingen voor het reukaltaar zijn: reukofferaltaar en gouden altaar” (Exod.40:26). Het is net als de Tafel Met Toonbroden en de berderen (= houten planken) gemaakt van acaciahout en overtrokken met plaatgoud. Het zullen hier vanzelfsprekend acaciahouten planken geweest zijn waar het van vervaardigd was.
Het bovenvlak van dit reukaltaar was vierkant met 1 el als lengte en breedte, terwijl de hoogte ervan 2 el was. Uit de 4 hoeken boven schoten (als koehoorns) 4 hoorns omhoog, die, eveneens uit acaciahout gesneden zijnde, overtrokken moesten zijn met “louter goud”. Om de bovenrand was er een lijst of krans vervaardigd.
Boven op dit reukaltaar werd het gouden “REUKVAT” gelegd, waarop 2x daags gloeiende kolen uit het brandofferaltaar werd gelegd en over dit kolen-reukwerk werd gestrooid, zodat er een voortdurende branding van geurig reukwerk tot God opsteeg. Dit reukwerk moest “elke morgen”, ten tijde van het “morgenoffer” (9 uur ‘s morgens; Exod.30:7) en ten tijde van het “avondoffer” (3 uur ‘s middags; Exod.30:8) worden aangestoken.
Het vuur hiervoor moest “heilig vuur” zijn; namelijk van het “brandofferaltaar”, dat afkomstig was van het hemelse vuur; het vuur dat uit de hemel kwam op het eerste offer van Aäron. Het mocht geen “vreemd vuur” zijn, zoals dat van Nadab en Abihu (Lev.10:1).
Aäron en zijn zonen – de hogepriester en de priesters – moesten dit werk doen (Num.18:7, Luk.1:8-10). Op hoogtijden deed de hogepriester dit werk zelf (bij zijn inwijding; op de Grote Verzoendag; op de sabbatdagen; op het feest van de nieuwe maan en op andere gezette hoogtijden).
Ten tijde van de Grote Verzoendag moest de hogepriester verzoening doen over dit reukaltaar en over zijn hoorns (Exod.30:10, Lev.16:18-19) met het bloed van de var en het bloed van de bok, die “voor de Here” was, om dat altaar te ontzondigen. Dan werden de hoorns rondom met dat bloed bestreken en werd er 7x op het “dak” van het reukaltaar bloed gesprenkeld. Deze reiniging, éénmaal per jaar, onder dat bloed – dat een heenwijzing vormt naar het Bloed van het Lam van God – vertelt ons, dat het biddend en aanbiddend hart van Gods kind bij voortduring zichzelf moet stellen onder het reinigend Bloed van Christus voor alle bewuste of onbewuste afwijkingen (van God en gebod), om dit hart van Gods kind, dat zijn gebedsaltaar is, in de REINHEID van God te houden. In het bastion, gevormd door het hart van Gods kind, mag geen zonde zijn!

Het reukwerk

Op dit reukaltaar mocht geen “vreemd reukwerk” gelegd worden en ook geen “brandoffer”, “spijsoffer” of “drankoffer” (Exod.30:9). Het door God Zelf voorgeschreven reukwerk (Exod.30:34-38) vormt, zoals wij zullen zien, een verheerlijking van het door het Lam Gods gebrachte zoenoffer en van de Liefde Gods, die ons dit offer gaf tot onze verzoening (Joh 3:16, 2Kor.5:19).
De ingrediënten van dit reukwerk waren:
Mirre: die ook een ingrediënt vormde voor het balsemen van doden en voor het vervaardigen van de heilige zalfolie. Het is een gomsoort van de mirreboom (een acacia-achtige boom), die ons vertelt van de tedere liefde Gods, die ons geopenbaard wordt door het (kruis)offer te Golgotha.
Oniche: is een schelpsoort die heerlijk geurt na verbranding en die ons vertelt van het heerlijke opstandingsleven, het heerlijke NIEUWE leven, dat een wedergeboren kind van God ervaart, na het waarlijk afgestorven zijn aan de zonde en aan de begeerten van het oude leven.
Galban: een harssoort van de galbanstruik, die ons ook spreekt van de Liefde Gods in het lijden van Christus voor ons.
Wierook: ook een harssoort, van de wierookboom, die ons spreekt van het gebedsleven en van de aanbidding van het kind van God.
Dit heilige reukwerk mocht enkel en alleen op het reukaltaar voor God worden geofferd. Geen mens mocht het gebruiken om ernaar te ruiken. Dit wil zeggen dat geen mens zich de heerlijkheid die de Here alleen toekomt mag toe-eigenen op straffe des doods. Zo’n mens sterft een geestelijke dood (Jes.42:8 + 48:11).

Verdere geestelijke betekenis

Het REUKALTAAR vormt een heenwijzing naar het – in het Bloed van het Lam gereinigde – hart van het biddende kind van God en het brandende reukwerk vormt een heenwijzing naar zijn/haar gebeden, smekingen, voorbiddingen en aanbiddingen (Ps.141:2, Openb.5:8 + 8:3).
Het reukaltaar stond vlak voor het VERZOENDEKSEL van de ark des verbonds, waar de Here God wilde wonen in het midden van Zijn volk. Wij zien hier dus een ontmoetingsplaats tussen het biddende kind van God en zijn/haar Vader-God. Het verzoendeksel vormt, zoals wij zullen zien, een heenwijzing naar onze Verzoener, Verlosser en Zaligmaker, onze Here Jezus Christus. Hierop rustte en woonde de Shekina-heerlijkheid [1] van God, de openbaring van de Here God Zelf. Nogmaals: Wij zien hier een ontmoetingsplaats tussen het biddende kind van God en zijn Vader-God.
Ook bemerken wij de belangrijke plaats die het gebedsleven in het leven van een kind van God in moet nemen door de plaats van het reukaltaar (namelijk: vlak voor de ark des verbonds, de plaats waar God bij Zijn volk wilde wonen).
Het reukaltaar was vervaardigd van acaciahout, maar was geheel met goud overtrokken, waardoor dit altaar ook wel eens “gouden altaar” werd genoemd (in tegenstelling tot het “koperen altaar”, zijnde het brandofferaltaar in de voorhof). Dit goud vertelt ons dat de gebeden van het kind van God gedragen, geleid en gedreven moeten zijn door de Heilige Geest van God (Rom.8:26-27, 1Kor.14:14-17).
Het VIERKANTE bovenvlak van dit altaar zegt ons dat dit gebedsaltaar voor alle 4 de hoeken van de wereld is; ook de 4 hoorns spreken van KRACHTIGE GEBEDSVERHORINGEN voor alle mensen, uit alle 4 de windstreken, op grond van het gestorte Bloed van het Lam. Van dit laatste spreekt het, rondom de 4 hoorns, bestrijken van het bloed van de zondoffers (var en bok) en het 7x besprenkelen van dit bloed op het “dak” van het reukaltaar op de Grote Verzoendag (Lev.16:18-19).
De “krans” (of “kroon”) spreekt ook hier weer van GEMEENSCHAP met de HEERLIJKHEID Gods, die de bidder heeft, als hij/zij een ontmoeting heeft met God.
De VOORTDURENDE branding van het reukwerk – elke morgen en elke avond vernieuwd – vertelt ons van een voortdurend gebedsleven, zowel collectief, als individueel. Het bidden moet ons als het ware een “tweede natuur” worden (Hand.10:1-2, 1Thess.3:10 + 5:17-18).
Er mocht geen “vreemd vuur” gebruikt worden bij het branden van het reukwerk; ook mocht er hierbij geen “vreemd reukwerk” gebruikt worden. Dit wil zeggen: onze gebeden moeten zuivere motieven kennen. Ze moeten rein en heilig zijn én gedreven door de LIEFDE en BEWOGENHEDEN Gods en enkel en alleen strekken tot verheerlijking van het Lam van God en de GENADEWERKINGEN Gods.
Er mochten geen spijsoffer, drankoffer of brandoffer op dit reukaltaar komen. Ons gebedsleven mag niet gedreven worden door WETTISCHE motieven of gebonden zijn aan WETTISCHE beginselen, omdat een wettische instelling de liefde en de genade Gods en de werkingen van de Heilige Geest in ons doodt! Geen vaste, opgelegde uren dus, waardoor het gebedsleven een last, een plicht, wordt, maar het moet gedreven worden door de werkingen en de stuwingen van de Liefde Gods in ons alleen.

“HEERE, HEERE, God,
barmhartig en genadig, geduldig en
rijk aan goedertierenheid en trouw”
(Exodus 34:6, HSV)

Tabernakel symbolieken blz 41
Het reukofferaltaar in het Israëlitisch heiligdom

.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

***********************************************************************************

[1] De Shekinah (Hebreeuws שְׁכִינָה H8701) geeft de Goddelijke aanwezigheid aan, in het bijzonder in de Tempel te Jeruzalem. Ten tijde van de Uittocht was deze zichtbaar in de vorm van een wolk- en vuurkolom. (noot AK)
.

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel
  9. De DEUR en de heilige zalfolie
  10. De Tafel met Toonbroden
  11. De GOUDEN 7-voudige KANDELAAR

.

 

Over De Eindtijdbode

Een 'roepende in de woestijn' die 'de bazuin blaast' om velen (via GRATIS Bijbelstudies) te tonen "de dingen die - volgens Gods plan - spoedig geschieden zullen". Volgens Openbaring 1 vers 1, 10 en 19.
Dit bericht werd geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Geestelijke groei, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Woord en Geest en getagged met , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s