Wederom Mijn volk (deel 1): Hosea – De schrijver en het Boek

Het boek Hosea over de lotgevallen van de beide Israëlvolken:

Te weten:
het huis van Juda (2 stammen), en
het huis van Israël (10 stammen)

Herstel Israel

Inleiding

Het heil van God is bestemd voor alle volkeren der aarde. Toch is er onder deze volkeren ook een volk dat God Zijn volk noemt. Wat is de plaats van dit volk in het heilsplan van God? Dit is een vraag, waarmee wij ons bezig zullen moeten houden, als wij het boek van de profeet Hosea bestuderen. In hetzelfde Bijbelboek lezen wij dat God dit volk, Israël, tijdelijk niet als Zijn volk zou beschouwen, om het daarna wederom Zijn volk te noemen:

  • “En Hij zei: Geef hem (de zoon van Hosea en zijn vrouw, “een vrouw der hoererijen” – zie vers 2) de naam Lo-Ammi, want u bent niet Mijn volk en Ík zal er voor u niet zijn (SV: zo zal Ik ook de uwe niet zijn). Toch zal het aantal Israëlieten (SV: het getal der kinderen Israëls) zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden. En het zal gebeuren dat in de plaats waar tegen hen gezegd is: U bent niet Mijn volk, tegen hen gezegd zal worden: (SV: gij zijt) Kinderen van de levende God.” (Hosea 1:9‑10) [1]
  • “En Ik zal haar voor Mij in (SV: op) de aarde (uit-)zaaien en Mij (dan) ontfermen over Lo-Ruchama (wat betekent: “niet ontfermd”). Ik zal (dan) zeggen tegen Lo-Ammi: U bent Mijn volk, en hij zal zeggen: Mijn God!” (Hosea 2:22)

Zij die het Joodse volk voor geheel Israël aanzien, zullen er bepaald moeite mee hebben om in de geschiedenis van dit volk een periode te onderscheiden, waarin voor dit volk geldt, dat het niet langer Gods volk is. Dezulken houden er immers juist zo aan vast, dat de Joden altijd Gods volk gebleven zijn! Jammer genoeg staat men echter niet stil bij deze kwestie, want anders zou men wel tot de slotsom moeten komen, dat het hier in Hosea om een ánder Israël moet gaan. Er is een Israël, dat gedurende een lange tijd geheel gelijk is geweest aan een heidens volk! Er is een ander Israël. In de Bijbel wordt onderscheid gemaakt tussen het Huis van Juda, zo men wil de Joden, en het Huis van Israël [2], dat derhalve een ander volk (of wellicht meer dan één volk) moet zijn, een niet‑Joods Israël. Men kan niet straffeloos aan dit onderscheid voorbij gaan.

Heeft dan Paulus, toen hij bovenbedoelde woorden van Hosea aanhaalde in Romeinen 9:25‑26, deze woorden niet van toepassing verklaard op de heidenen (Rom.9:24)?

  • “Zoals Hij ook in Hosea zegt: Ik zal Niet-Mijn-volk noemen: Mijn volk, en de Niet-geliefde: Geliefde (SV: en die niet bemind was, Mijn beminde). En het zal zijn dat op de plaats waar tegen hen gezegd was: U bent Niet-Mijn-volk, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden.” (Rom.9:25‑26)
  • “Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.” (Rom.9:24)

Daarmee is toch de hele zaak opgelost?! Zo lijkt het, maar we vergissen ons dan wel deerlijk en maken ons er te gemakkelijk van af, want in het volgende, 27ste vers blijkt dat Paulus over Israël (!) spreekt: “En Jesaja roept over Israël uit: Al zou het getal van de Israëlieten (SV: het getal der kinderen Israëls) zijn als het zand van de zee, slechts het overblijfsel zal behouden worden.” (Rom.9:27). De verklaring is deze, dat Paulus hier weliswaar ook de bekeerlingen uit de oorspronkelijke heidense volkeren erbij haalt, maar desondanks in de eerste plaats doelt op de bekering van een verheidenst Israël.

De belangstelling is gewekt, zo hoop ik, voor wat er in het tamelijk onbekende boek Hosea wordt onthuld. Ik heb gekozen voor een systematische behandeling van de stof, mede omdat veel gedeelten van het boek pas goed ontsloten blijken te kunnen worden, als zij in de juiste samenhang worden geplaatst. Deze wijze van behandeling maakt dat deze studie ook te lezen is als de beschrijving van een stuk heilsgeschiedenis. De eerste hoofdstukken bieden daarnaast allerlei praktische lessen en praktisch inzicht in toestanden die zich in ieders persoonlijk leven kunnen voordoen. Herhaaldelijk dringen zich ook vergelijkingen op met onze tijd, wanneer wij ons verdiepen in de oorzaken van de ondergang van het rijk Israël. Vanaf hoofdstuk 5 van Hosea gaat het vooral om inzicht in en begrip van Gods raadsplan der eeuwen.

Moge deze studie behulpzaam zijn bij het verstaan van de “verborgenheid der gerechtigheid”. Deze te onderzoeken wordt ons in het allerlaatste vers van het boek Hosea (14:10, SV) als een opdracht meegegeven:

  • Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen.”

Als wij “wijs” willen zijn, zullen wij er moeite voor willen doen. Velen worden geïntrigeerd door een vergelijkbare opdracht die wij vinden in Openbaring 13:18, “Hier is de wijsheid: wie verstand heeft, laat hij het getal van het beest berekenen, want het is een getal van een mens, en zijn getal is 666.” Daar gaat het om de “verborgenheid der ongerechtigheid”, die uiteindelijk in het rijk van de Antichrist tot openbaring zal komen.
Maar… de verborgenheid der gerechtigheid doet ons uitzien naar de openbaring van dat Rijk, waarin het weer zal zijn: ISRA-EL, waarin verloste en gerechtvaardigde mensenkinderen zullen heersen als koningen met Christus.

H. Siliakus, 1986

***********************

Deel 1

Hosea – De schrijver en het Boek

De profeet Hosea had – evenals de profeet Amos, die een oudere tijdgenoot van hem was – zijn werkterrein in het “Noordelijk Rijk”, het10-stammenrijk”, (het huis van) Israël” – ook wel Efraïm-Israël genoemd – en trad evenals Amos op in de vervaldagen van dit rijk. Amos was echter afkomstig uit (het huis van) Juda, het “Zuidelijk Rijk” (van 2 stammen), en eigenlijk een vreemdeling, terwijl Hosea naar alle waarschijnlijkheid ook geboren en getogen was in Israël. Hosea is dan de enige onder de profeten die ons een profetisch geschrift hebben nagelaten die uit het 10-stammenrijk komt. Wij mogen hierin echter geen aanwijzing zien dat het geestelijk leven in Israël (het 10-stammenrijk) op een veel lager peil stond dan in Juda (het 2-stammenrijk). Evenmin mogen wij op grond hiervan concluderen, dat God voor het Noordelijk Rijk minder belangstelling had dan voor het Zuidelijke. Want juist uit de profetieën van Hosea zal blijken dat het 10-stammenrijk, ondanks verval en ballingschap, nog een rijke toekomst wachtte. Ja, zelfs een rijkere toekomst dan Juda! Bovendien moeten wij bedenken dat in datzelfde 10-stammenrijk enige van de grootste profeten van Israël hebben gewerkt. Te weten achtereenvolgens: Elia, Elisa en Jona. Hun arbeid en krachtvolle bedieningen hadden een geestelijk reveil tot gevolg zoals er in Juda, het 2-stammenrijk – ook al stond daar de tempel van God, in Jeruzalem – nooit is geweest. De opwekkingen onder Hizkia en Josia, die beide plaatsvonden nadat de 10 stammen al waren weggevoerd in ballingschap, waren kortstondiger en van geringere diepgang als die onder Elia en Elisa.
In hun tijd, zo lezen wij in het 2de boek der Koningen, waren er overal in het 10-stammenland “profetengemeenten”, gemeenten van getrouwe Israëlieten (de 7000 van 1 Koningen 19:18, “die hun knieën niet gebogen hebben voor Baäl”), de vroegste representanten van het “heilig overblijfsel”, dat in de profetieën zo’n belangrijke rol speelt. Genoemd worden die te Bethel, Jericho en Gilgal:

  1. “Toen kwamen de leerling-profeten (SV: zonen der profeten) die in Bethel waren, de stad uit, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg erover.” (2 Kon.2:3),
  2. “Toen kwamen de leerling-profeten (SV: zonen der profeten) die in Jericho waren, naar voren, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg erover.” (2 Kon.2:5) en
  3. “Toen Elisa weer in Gilgal kwam, was er honger in het land, en de leerling-profeten zaten voor hem. Hij zei tegen zijn knecht: Zet de grote pot op het vuur en kook soep (SV: moes, en zij konden het niet eten, het was als “de dood in de pot”, zie vers 39-40) voor de leerling-profeten (SV: zonen der profeten).” (2 Kon.4:38).

We kunnen deze profetengemeenten enigszins vergelijken met de huidige “pinkstergemeenten” [3], waar de geestelijke gaven ruimte krijgen om te functioneren en welke gemeenten eveneens min of meer buiten de officiële kerk staan (zonder te willen beweren dat heden uitsluitend hier de getrouwe christenen worden gevonden en in andere christengemeenten niet). Tot in de tijd van Hosea, niet deze profeet maar de laatste koning, moet dit reveil nog doorgewerkt hebben. Daarop wijst het optreden van de profeet Oded, waarschijnlijk de opvolger van de profeet Jona, beschreven in 2 Kronieken 28:9-11 en het feit dat nog verschillende hoofden van Efraïm naar hem luisterden (2 Kron.28:12-15):

  • “En daar was een profeet van de HEERE en zijn naam was Oded. Die ging het leger, dat naar Samaria kwam, tegemoet en zei tegen hen: Zie, door de grimmigheid van de HEERE, de God van uw vaderen, over Juda heeft Hij hen in uw hand gegeven, en u hebt hen gedood (SV: doodgeslagen) met een woede die tot aan de hemel reikt. En nu denkt u de Judeeërs (SV: de kinderen van Juda) en de inwoners van Jeruzalem aan u te onderwerpen als slaven en slavinnen. Maar hebt u zelf dan geen schulden bij de HEERE, uw God? Nu dan, luister naar mij en breng de gevangenen terug die u van uw broeders als gevangenen weggevoerd hebt. Want de brandende toorn van de HEERE is tegen u.” (2 Kron.28:9-11)
  • “Toen stonden er mannen op afkomstig uit de hoofden van de nakomelingen van Efraïm: Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth, Hizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai. Zij keerden zich tegen hen die uit het leger kwamen, en zeiden tegen hen: U mag deze gevangenen niet hier brengen, want dat leidt tot een schuld voor ons tegenover de HEERE. Denkt u nog meer toe te voegen aan onze zonden en onze schuld? Wij hebben immers al veel schuld, en de brandende toorn is tegen Israël. Toen gaven de gewapende mannen de gevangenen en de buit over aan de leiders en heel de gemeente. De mannen die met hun namen aangewezen waren, stonden op, grepen de gevangenen, en allen van hen die naakt waren, kleedden zij van de buit. Zij kleedden en schoeiden hen, lieten hen eten en drinken; zij zalfden hen en leidden allen die verzwakt waren, zachtjes op ezels, en brachten hen bij hun broeders in Jericho, de Palmstad. Daarna keerden zij terug naar Samaria.” (2 Kron.28:12-15)

Om terug te keren naar de profeet Hosea, hij was behalve van Amos en Oded ook een tijdgenoot van Jesaja en Micha, die beide in Juda werkten. De koningen die hij meemaakte, worden in Hosea 1:1 genoemd: “Het woord van de HEERE dat gekomen is tot Hosea, de zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, de koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël.” De 6 laatste koningen van Israël, die elkaar snel opvolgden, ontbreken in deze opsomming. Maar daar Hosea tot in de dagen van Hizkia heeft gearbeid, kunnen wij aannemen dat hij de ondergang van zijn land nog heeft meebeleefd en waarschijnlijk ook meegevoerd is in ballingschap. Zijn bediening moet zich hebben uitgestrekt over een periode van 60 of 70 jaar. Een zeer lange tijd dus.

Het boek Hosea heeft 14 hoofdstukken en bevat bijna uitsluitend profetieën die bestemd zijn voor Efraïm-Israël, het 10-stammenrijk. Alleen het 3de hoofdstuk is gewijd aan Juda-Israël en voorts wordt Juda nog een paar keer genoemd (in Hosea 4:15 + 5:10 + 6:4, 11 + 12:1, 3). Evenals Amos heeft Hosea de zonden van Israël genadeloos aan de kaak gesteld, maar het verschil tussen de beide boeken is dat in Amos de nadruk valt op het onrecht dat in Israël bedreven wordt, terwijl in Hosea de ontrouw van Israël de nadruk krijgt. Hosea 4:1 verwoordt wat de voornaamste klacht is van het Boek: Hoor het woord van de HEERE, Israëlieten (SV: gij kinderen Israëls !), want de HEERE heeft een rechtszaak (SV: een twist) met de inwoners van dit land, omdat er geen trouw, geen goedertierenheid en geen kennis van God in het land
Als kinderen Gods tegen God zondigen, doen zij Hem niet alleen onrecht aan, zoals ook de goddelozen doen, maar zij zijn Hem bovendien ontrouw! Zij schenden het verbond van liefde en handelen trouweloos. Hosea zouden wij dan ook wel de “profeet der liefde” kunnen noemen en Amos de “profeet van het recht”. De oneindige liefde van God, Die trouw is aan Zijn verbonden en beloften, komt in dit boek sterk tot uiting: Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw. Hij kan Zichzelf niet verloochenen.” (2Tim.2:13, SV)
En, zoals ons niet verwonderen zal, ook het thema van het Boek Hosea heeft te maken met die liefde van God. Het centrale thema is namelijk: het Gods-huwelijk, oftewel het huwelijk van God met Zijn Volk:

  • “Klaag uw moeder aan, klaag haar aan (SV: Twist tegen uw moeder, twist), want zij is Mijn vrouw niet en Ik ben haar Man niet. Laat zij haar hoererij van haar (aan)gezicht wegdoen, en haar overspel van tussen haar borsten.” (Hosea 2:1)
  • “Wees niet blij, Israël, tot jubelens toe, zoals de volken, want u hebt in hoererij uw God verlaten (SV: gij hoereert van uw God af). U hebt hoerenloon lief op alle dorsvloeren voor koren.” (Hosea 9:1)

Het zal blijken dat door dit thema ook de Nieuwtestamentische Gemeente van Christus in het vizier komt. Niet in parallellie, maar door een historisch “samenvallen” of door een mysterieuze “rol-overname”, zo men wil. Over de Bruiloft van het Lam wordt weliswaar niet gesproken, maar er wordt wel naar verwezen (in Hosea 2:18-19, SV): “En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. (En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE kennen.”
Dit samenvallen van de geschiedenis van Efraïm-Israël (= het 10-stammenrijk van het “huis van Israël”) met de geschiedenis van de Gemeente/Kerk van Jezus Christus, waarop wij als het zover is uitgebreid zullen ingaan komt – behalve in de desbetreffende teksten en tekstgedeelten – ook op een andere, bijzondere wijze aan de orde. Hosea moet huwen met 2 overspelige vrouwen (Hosea 1:2-3 + 3:1), die de eveneens overspelige volkeren van Israël en Juda moeten uitbeelden:

  • “Het begin van het spreken van de HEERE door Hosea. De HEERE zei tegen Hosea: Ga! Neem voor u een vrouw van de hoererijen en kinderen van de hoererijen, want het land wendt zich in schandelijke hoererij van de HEERE af. Hij ging en nam Gomer, een dochter van Diblaïm; zij werd zwanger en baarde hem een zoon.” (Hosea 1:2-3)
  • “En de HEERE zei tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven.” (Hosea 3:1, SV)

Hosea’s huwelijk is dus een afschaduwing van het huwelijk van God met de beide Israëls (Efraïm en Juda), dat eertijds gesloten werd bij de Horeb, na de uittocht uit Egypte, en uit het één en ander volgt als vanzelfsprekend dat Hosea zelf hier het type van God is: de Man. De naam Hosea (= in God is heil, redding), ook wel geschreven als Jozua, is echter de Hebreeuwse vorm van de Griekse naam Jezus. Als een type van God de Vader de naam Jezus draagt, is hij onmiskenbaar – vanuit een andere invalshoek – ook een type van God de Zoon. Zo hebben wij dan in Hosea te doen met iemand die de geschiedenis van de Oude Bedeling [4] en die van de Nieuwe Bedeling [5] tezamen brengt. Dit moeten wij goed voor ogen houden, want het zal de sleutel blijken te zijn tot het verstaan van het Boek Hosea.

Tot slot nog iets over de indeling van het Boek. Er zijn verschillende indelingen mogelijk, eenvoudige en wat meer samengestelde. Een goede en verduidelijkende indeling is de volgende:

  1. Hoofdstuk 1 t/m 3 – Het huwelijk tussen God en Zijn beide vrouwen, Israël en Juda, zinnebeeldig toegelicht.
  2. Hoofdstuk 4 t/m 5 – Het woord gericht tot het volk en tot de leiders (van Israël en Juda).
  3. Hoofdstuk 6 t/m 9 – Schets van de geestelijke staat van het diepgezonken Efraïm-Israël (het 10-stammenrijk).
  4. Hoofdstuk 10 t/m 14:1 – Klacht over Efraïm-Israël.
  5. Hoofdstuk 14:2-10 – Beschrijving van het toekomstig herstel.

Wij zullen het boek Hosea echter niet volgens deze indeling behandelen. Wij kiezen voor een heilshistorische behandeling van de stof.

Wordt vervolgd

H. Siliakus
Bewerkt door A. Klein

PDF (deel 1)

***********************************************************************************

[1] Alle Bijbelteksten zijn door mij vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)
[2] Het volk van Israël bestaat uit de 12 stammen, vernoemd naar de 12 zonen van Jakob (die later van God de naam Israël kreeg). Maar later komt er een splitsing. Er wordt in de Bijbel dan onderscheid gemaakt tussen het ‘huis van Israël’ en het ‘huis van Juda’ (de zgn. Joden). Het ‘huis van Israël’ bestaat uit 10 stammen, die in de loop van de geschiedenis weggevoerd zijn uit het beloofde land Kanaän/Palestina. Zij zijn daarna de zgn. heidenwereld ingetrokken, waar zij tot op heden (in het ‘verborgen’, vaak zonder het zelf te weten) wonen. Het zijn vooral de zgn. ‘christelijke’ landen in Noordwest Europa en de landen, waar velen later naar toe zijn gemigreerd, zoals Amerika, Canada, en Australië. Het ‘huis van Juda’ bestaat uit 2 stammen, namelijk het volk van Juda en Benjamin die, in de dagen dat Jezus op aarde was, in het beloofde land Kanaän/Palestina leefde. Het ‘huis van Juda’, de zgn. Joden, is dan ook het deel van Israël waarover de verharding is gekomen (zie Rom.11:25).
Het huidige land Israël (waar heden voornamelijk de 2 stammen van het ‘huis van Juda’ – de Joden – wonen) doet thans haar rechten gelden op het land Palestina. Historische rechten, waarvan we ook lezen in de Bijbel. Als de tijd daar is dat het profetisch Woord vervuld wordt, dan kan het niet anders of geheel Israël (alle 12 stammen) zal uiteindelijk in bezit komen van geheel Kanaän/Palestina en van de stad Jeruzalem (zie Gen.15:18). Abrahams nakomelingen zouden volgens de Goddelijke belofte het land Kanaän bewonen. Dat land zou zich uitstrekken van de beek van Egypte (een kleine rivier ten oosten van de Nijl) tot aan de rivier de Eufraat. Voor ons zijn het tekenen dat we in de (Bijbelse) ‘laatste dagen’, vlak voor de wederkomst van Jezus, leven. Daarom is het juist in deze tijd belangrijk om na te gaan wat de Bijbel over deze dingen zegt.
[3] Pinkstergemeenten = Gemeenten waar de Pinksterboodschap en de Pinksterervaring – dus: de boodschap over en de ervaring van de uitstorting van en/of de vervulling met de Heilige Geest – gepredikt en ervaren wordt. (noot AK)
[4] Oude Bedeling = De periode die de verhouding tussen God en mens vóór Christus’ (1ste ) komst aangeeft. (noot AK)
[5] Nieuwe Bedeling = De periode die de verhouding tussen God en mens NA Christus’ (1ste) komst aangeeft. (noot AK)
.

Over De Eindtijdbode

Een 'roepende in de woestijn' die 'de bazuin blaast' om velen (via GRATIS Bijbelstudies) te tonen "de dingen die - volgens Gods plan - spoedig geschieden zullen". Volgens Openbaring 1 vers 1, 10 en 19.
Dit bericht werd geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Israël/huis van Israël, Oordelen Gods, Studie van H Siliakus, Uitleg over het boek Hosea, Wederkomst van Christus en getagged met , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s