Tabernakel symbolieken (17): De Levitische offeranden – deel 2

HogepriesterDe verplichte offeranden

A. Het zondoffer;
B. De Grote Verzoendag;
C. Het schuldoffer.

A. Het zondoffer (Lev.4 + 6:24-30).
Het ZONDOFFER moest worden gebracht, wanneer de Israëliet ZONDIGDE tegen de Here en Zijn Geboden (Wet, Wil, Woord – Lev.4:2).

(1)
Als het GEHELE VOLK had gezondigd, ook als deze SCHULD van het VOLK het gevolg was van de ZONDE van een GEZALFDE PRIESTER, moest een volkomen VAR (jonge stier) geofferd worden (Lev.4:13-14 + 3).
Christus stierf als een zondoffer (= een offer voor de zonde) voor de GANSE WERELD (2Kor.5:21, 1Petr.2:24, 1Joh.2:1-2).
Dit “offer voor de zonde” wijst heen naar Christus (Hebr.10:5-9, Ps.40:7-9).
De gezondigd hebbende, gezalfde priester (c.q. de oudsten van het volk) legde(n) de handen op de kop van de var (Lev.4:4 + 15). Ook bij zondoffers van INDIVIDUELE mensen (Lev.4:24 + 29 + 33). De zondaar identificeert (vereenzelvigt) zich met Christus als Lam van God (Jes.53:5-6, Rom.6:4-8).
Het offerdier moest worden geslacht voor de deur van de tent der samenkomst. God bepaalt WAAR en HOE Hij gediend wil worden. ALLE INITIATIEF en LEIDING moet van de Here komen in al Zijn dienst!
Het BLOED van de var werd in het heiligdom gebracht, maar niet in het ALLERHEILIGDOM (dat gebeurde alleen op de Grote Verzoendag door de hogepriester) en 7x gesprenkeld voor de VOORHANG in het heiligdom (voor Gods aangezicht) en op de hoorns van het REUKALTAAR gedaan. De rest van het bloed werd uitgegoten op de bodem van het BRANDOFFERALTAAR (Lev.4:5-7 + 16-18). Het bloed van Jezus werd tot voor Gods aangezicht gebracht tot een PERFECTE (eeuwige) VERZOENING van de mensheid met God (Hebr.9:11-15). Ook ons gebedsleven moet worden gereinigd van ONHEILIGE MOTIEVEN, en de bodem van het ganse zondaarshart moet worden gereinigd van ALLE ONGERECHTIGHEDEN, na rouwmoedige belijdenis (Ps.51:19, 1Joh.1:7-9, Openb.1:5).
AL het VET, de beide NIEREN en het NET over de LEVER werden als een vuuroffer verteerd op het BRANDOFFERALTAAR (Lev.4:8-10 + 19 + 26 + 31 + 35). Het ZONDAARSHART moet deel hebben aan Christus’ offer door geloof in het Woord der Verzoening, de boodschap van het gestorte Bloed van Gods Lam. Zo verkrijgt de VERZOENDE zondaar deel aan de INNERLIJKE RIJKDOM van Christus (Rom.3:21-26, Ef.3:16-19).
De HUID en de ganse rest van de var werden BUITEN de legerplaats tot AS verbrand; op de plaats, waar de as van de offers werd gestort (Lev.4:11-12 + 20-21). NIETS van het vlees van deze var mocht door de priesters worden gegeten (Lev.6:30). Christus is op Golgotha, BUITEN de poort van Jeruzalem, voor ons gekruisigd en gestorven (Hebr.13:10-13). Geen mens, geen Gemeente/Kerk of leer mag zich vereenzelvigen met de ZALIGENDE KRACHT van de Zaligmaker (geen enkel mens, Gemeente/Kerk of leer is ZALIGMAKEND!!!).
(2)
Wanneer enkel een INDIVIDU (geen gezalfde priester) gezondigd had:
Was hij een overste (vorst) dan moest hij een volkomen GEITEBOK offeren ten zondoffer. Is hij iemand uit het gewone volk, dan moest hij een volkomen JONGE GEIT (een lam), een WIJFJE, offeren (Lev.4:22-23 + 27-28 + 32).
Beeldt de VAR Christus uit, deze offeranden beelden het persoonlijk geloof van de zondaar in Christus en Zijn offer uit. Dit wordt ons duidelijk door het ritueel met het bloed van het offerdier. Daarom werd het bloed van deze dieren NIET in het heiligdom gedragen. Daarom kon na belijdenis, het zondoffer van de gewone man uit het volk, een volkomen WIJFJE(s-lam) zijn.
Het BLOED van deze persoonlijke offers moest op de hoorns van het BRANDOFFERALTAAR gedaan worden; en de rest op de bodem ervan worden uitgegoten (Lev.4:25 + 30 + 34). Ons ZONDAARSHART moet worden ontzondigd door het GELOOF in de Kracht van Jezus’ Bloed; iets, waar ook de besnijdenis van spreekt (Rom.2:25-29).
Het VLEES van deze persoonlijke zondoffers, waarvan het bloed niet IN het heiligdom werd gedragen, was tot spijze/voedsel van de priesters. Het moest in de VOORHOF (heilige plaats) en gekookt gegeten worden (Lev.6:25-26 + 29-30). Gods kinderen moeten (Gods priestervolk moet; 1Petr.2:5 + 9) door het GELOOF het Lichaam des Heren ETEN (Joh.6:54-57), zodat wij de VERLOSSING ontvangen. Dit wijst ook heen naar het Heilig Avondmaal (Matth.26:26-29).
Dit vlees was een “Heiligheid der Heiligheden” en moest daarom op een HEILIGE PLAATS gegeten worden. Al wie dit vlees at, was HEILIG (Lev.6:27a). Het Heilig Avondmaal des Heren mag NIET gegeten worden met een ONREIN hart (een hart dat de zonde nog niet wil loslaten); (1Kor.11:27-32).
Al wie deelneemt aan het Heilig Avondmaal heeft deel aan Jezus’ HEILIGHEID.
De klederen die in aanraking waren gekomen met het bloed van het offerdier moesten in de heilige plaats (= de voorhof) worden gewassen (Lev.6:27b).
Dit bloed van het offerdier droeg de zonde van de zondaar, daarom moesten de klederen die ermee besmeurd waren in de heilige plaats gewassen worden.
Onze ziele-klederen moeten altijd WIT zijn, gewassen in het Bloed van het Lam (Openb.7:14b).
De aarden vaten, waarin het vlees was gekookt, moesten worden gebroken; de koperen vaten moesten worden geschuurd en gewassen (Lev.6:28). De Heiligheid des Heren, het Brood des Levens mag alleen in contact komen met het VERZOENDE ZONDAARSHART en NIETS anders van deze aarde!

(3)
Bijzondere zondoffers:

  • de ZONDOFFERS op de grote verzoendag, éénmaal per jaar (16; een var en een bok);
  • Bij de PRIESTERWIJDING (29:10-14, Lev.8:14; een var);
  • Bij de WIJDING der Levieten (8:8; een var);
  • Bij beëindiging van het NAZIREEËRSCHAP (6:14; een ooilam);
  • De rode VAARS (= koe) en het water der ONTZONDIGING (of: het reinigingswater) 19:1-12).

Ook al deze ZONDOFFERS wijzen op Christus, Lam van God, VERLOSSER en ZALIGMAKER!
Of op ons GELOOF in Hem en Zijn Bloed (Zijn Verlossend Werk op Golgotha), vooral als er sprake is van een VROUWELIJK offerdier.

.

B. De grote verzoendag (Lev.16:1-34 + 23:26-32, Num.29:7-11).
Op de 10de van de 7de maand van het godsdienstige jaar, de maand Tisjri, werd elk jaar door Israël de GROTE VERZOENDAG gehouden, op welke dag heel bijzondere zondoffers werden geofferd (Lev.16:29-30 + 23:27, Num.29:7). Deze 7de maand van het godsdienstige jaar was de eerste maand van het burgerlijke jaar van Israël (= in september-oktober van onze kalender).
Dit is het jaarlijkse grote feest der verzoening, waarbij Israël als natie voor een ogenblik GEHEEL GEREINIGD stond voor zijn God! Deze dag van VERZOENING wijst heen naar de grote Verzoening, volbracht door de Zoon des mensen op Golgotha ééns-en-voor-altijd voor gans de mensheid in het tijdsgewricht der eeuwen (2Kor.5:19 + 21, Jes.53:6-7, Hebr.9:11-14); een Verzoening, die God reeds vóór de grondlegging der wereld (1Petr.1:18-20, Ef.1:4-7) had bepaald.
De dag van Golgotha was voor Christus geen blijde dag maar door de gevolgen, de GENADE, die NU aan de zondige mens kan worden verleend na bekering en belijdenis, wordt deze dag bestempeld tot een FEESTDAG.
De Joden hebben als natie deze Goddelijke “Dag der Verzoening” verworpen, maar God stelde in Zijn grote barmhartigheid voor hen als natie een nieuwe dag der verzoening in, bij Zijn wederkomst als Koning (Rom.11:25-32, Zach.12:10-14). Die dag van Zijn wederkomst als Koning zal voor het overblijfsel der Joden hun GROTE VERZOENDAG worden, omdat zij naar de verkiezing Gods beminden zijn om der vaderen wil.
Op de Grote Verzoendag moest, veel stipter nog dan op een gewone sabbatdag, de SABBAT worden gevierd (de RUST van God). Daarom wordt deze dag wel eens “de SABBAT der RUST (letterlijk: sabbat der sabbatten) genoemd (Lev.16:31 + 23:26-32). Duidelijk laat de Heer hier merken dat de verzoening met God geheel een zaak van Hemzelf is. Wij hebben in Zijn werkzame handen te RUSTEN, nadat wij ons aan Hem hebben overgegeven na bekering en belijdenis (Jes.28:9-13).
Op deze dag moest het volk Israël zich VEROOTMOEDIGEN (letterlijk zijn ziel buigen; Lev.23:27-32 + 16:31, Num.29:7). BELIJDENIS en erkenning van schuld zijn nodig, wil de Heer ons vergeven (1Joh.1:7-9).
Eens in het jaar op deze dag mocht de hogepriester van Israël ingaan in het allerheiligdom, waar de ark des verbonds stond. Hij moest dat doen op Gods voorgeschreven wijze, opdat hij niet zou sterven (Lev.16:1-2).
De hogepriester moest op die feestdag ALLE voorgeschreven bedieningen ZELF doen. Nadat hij het dagelijkse MORGENOFFER (brand-, spijs- en drankoffer) had gebracht met daarna de verrichtingen in het HEILIGDOM (het blussen van de kandelaar, de reiniging van de pitten van de lampen en daarna nieuw vuur en nieuwe specerijen voor het reukaltaar), begon hij met het eigenlijke ritueel van de Grote Verzoendag.
Voor hemzelf en zijn gezin moest hij een VAR ten ZONDOFFER brengen en later een RAM ten BRANDOFFER (Lev.16:3 + 11).
Als de hogepriester –in vol ornaat– het MORGENOFFER ging offeren, had hij de handen en voeten reeds gewassen om in het HEILIGDOM te kunnen komen, maar voor de speciale verrichtingen van deze dag –en zijn binnengaan in het allerheiligdom– moest hij, bij het wasvat, al zijn vlees met water uit dat wasvat wassen. Daarna trok hij een linnen onderbroek aan en de witte ROK VOL OOGJES (de heilige linnen rok). Een linnen gordel was om zijn lendenen en zijn hoofd was bedekt met een linnen hoed (Lev.16:4).
Dit complete bad wijst naar de doop door ONDERDOMPELING, waaraan ook Jezus Zich, als Zoon des mensen, onderwierp (Matth.3:13-16), een (in geestelijke zin) versterven van gans de “OUDE MENS”. Deze hogepriester van Israël was niet zonder zonde, waardoor hij dit reinigingsbad voor de zonde te meer voor zichzelf behoefde.
De hogepriester was enkel gekleed in de WITTE ROK VOL OOGJES. Deze witte linnen rok beeldt, zoals wij reeds in hoofdstuk 14 (van deze studie) zagen, de Hemelvaart van Jezus uit; de kledij van onze hemelse Hogepriester, nu, in Zijn hemelse bediening.
De andere kledingstukken had Israëls hogepriester dan afgelegd. Immers: de EFOD beeldt, zoals wij reeds weten, de kruiswandel van Jezus uit, en de MANTEL van de EFOD de Opstanding van Jezus. KRUISWANDEL en OPSTANDING moesten voor de hemelse Hogepriester voorbije zaken zijn, toen Hij het Bloed der Verzoening in het Hemelse Allerheiligdom bracht. Het was hierdoor dat de Israëlitische hogepriester alleen maar gekleed was in de linnen rok vol oogjes bij deze handelingen op de Grote Verzoendag.
In dit kleed der hemelse Heerlijkheid bracht Jezus als hemelse Hogepriester Zijn Bloed voor de Troon der genade en ontving Hij van de Vader het Koninkrijk en de Kracht van de Heilige Geest voor Zijn Gemeente (Hand.1:9, Dan.7:13-14, Hebr.9:11-14).
Eerst slachtte de hogepriester zijn ZONDOFFER (Lev.16:11) en ving al het bloed ervan op. Dit bloed droeg hij binnen tot in het ALLERHEILIGDOM. Dit bloed vormt een heenwijzing naar het Bloed der Verzoening van Gods Zoon (Kol.1:20, Hebr.9:14, 1Joh.1:7b).
Maar vóór hij dit zou doen, vulde hij een WIEROOKVAT met het vuur van het BRANDOFFERALTAAR en deed er twee handen vol REUKWERK in (Lev.16:12-13). Dit BRANDENDE REUKWERK wijst heen naar de gebeden, smekingen en het pleiten op grond van het volbrachte werk op Golgotha. Zonder dit brandende reukoffer en dit bloed zou hij voor het aangezicht des Heren – Die tussen de cherubim Zijn troon te midden van Israël had – sterven (Hebr.9:7).
Zo trad de hogepriester op deze dag, met het bloed en het brandende wierookvat, het ALLERHEILIGDOM eerbiedig binnen om zich daar in diepe ootmoed voor de God van Israël neder te buigen.
Dan volgt het ritueel met het bloed van het ZONDOFFER. Hij ging hiervoor aan de westzijde van de ARK des VERBONDS staan en sprenkelde met zijn vinger oostwaarts (het oosten, de opgang van de zon, geeft de richting weer van Gods troon; Luk.1:78) op het VERZOENDEKSEL. Daarna ging hij aan de oostzijde van de ark staan en sprenkelde van dit bloed 7x op de grond, vóór de ark. Dit 7x vertelt ons van de PERFECTE verzoening die het Bloed van Gods Lam ons biedt en dit sprenkelen op het verzoendeksel wijst heen op de pleitbeden op grond van dit Bloed der VERZOENING. Dit sprenkelen IN het allerheiligdom vertelt ons, dat ook Gods heiligen uit het Allerheiligdom, verloste zondaren zijn (Openb.5:8-9 + 14:3-4).
Daarna ging hij uit het ALLERHEILIGDOM, het brandende wierookvat daar achterlatend. Dan deed hij, met dat bloed in het HEILIGDOM, zoals dat voor elk zondoffer – zijnde een VAR – moest geschieden: hij deed het bloed op de hoorns van het REUKALTAAR en sprenkelde dat bloed 7x op de grond bij dat altaar voor de VOORHANG (Lev.4:5-7a). Zo had hij ook het HEILIGE, de “tent der samenkomst”, PERFECT verzoend (Lev.16: 16-17).
Het zondoffer voor het volk bestond uit 2 GEITENBOKKEN. Het lot bepaalde welke bok zou worden geofferd (de bok voor de Here) en welke bok een “weggaande bok” zou zijn (de bok voor Azazel; Lev.16:5-8, NBG).
De “bok voor de Here” werd geslacht en met zijn bloed werd hetzelfde gehandeld als met het bloed van de var (Lev.16:9 + 15). Hiervoor moest de hogepriester weer het ALLERHEILIGDOM ingaan, waarna hij, zijn eerdere rituele handelingen verricht hebbende, het brandende wierookvat weer mee terugnam, vol eerbied achteruitgaande uit het allerheiligdom.
Buiten gekomen, na met dit bloed ook het HEILIGDOM, de “tent der samenkomst”, te hebben verzoend – op dezelfde wijze als met het bloed van de var – deed hij het bloed van de bok en dat van de var TEZAMEN, en verzoende, met dat GEMENGDE bloed, de VOORHOF door met dat bloed de hoorns van het BRANDOFFERALTAAR, het voornaamste object in de voorhof, te bestrijken; sprenkelende van dat bloed 7x erop en goot de rest ervan aan de voet (de bodem) van dat altaar, zoals gebruikelijk bij elk ZONDOFFER (Lev.4:7b + 16:18-19).
Zo waren op deze dag het Allerheiligdom, het Heiligdom en de Voorhof PERFECT (7x) verzoend met het bloed der verzoening. Alzo is ook de GEHELE GEMEENTE, waar de tabernakel van Israël ook een beeld van vormt, PERFECT verzoend met het Bloed van Gods Zoon (Lev.16:33). Want óók het ALLERHEILIGDOM Gods wordt gevormd door mensen, GEKOCHT uit de zonde (Openb.5:9 + 14:4).
Thans volgt het ritueel met de “weggaande bok” (Lev.16:20-22; letterlijk en in de NBG-vertaling genoemd: “de bok voor Azazel”).
Deze bok werd gemaakt tot een “zondebok”; al de ongerechtigheden van de kinderen Israëls werden op hem gelegd, al hun overtredingen, al hun zonden. Deze bok kan dus nooit typerend staan voor de Gemeente, zoals bij al de andere “dubbele typen”, maar moet eveneens slaan op de Here Jezus Zelf, Die al de ongerechtigheden van de mensheid moest dragen aan het kruis, in de dood (Jes.53:6).
Deze bok werd dan gedreven IN DE WOESTIJN. Is dit niet een machtig beeld van de wederwaardigheden (= omstandigheden, ervaringen) van de Geest van de Zoon des mensen, die 3 dagen en 3 nachten, beladen met de zonden van de mens, moest zijn in het hart der aarde (Hades = het dodenrijk; Matth.12:40)? De Bijbel verklaart ons ook, in Handelingen 2:27, dat Zijn ZIEL daar geweest was en dat die ZIEL van de Here daar, in dat dodenrijk, niet zou worden verlaten en dat Zijn LICHAAM in het graf geen verderving (verrotting) zou zien, waarom Hij ook na 3 dagen en 3 nachten verrees uit de dood. Ook had de Geest van de Zoon des mensen daar in het dodenrijk “smarten des doods” gesmaakt (Lev.16:24), waarvan Hij ontbonden werd.
Was alleen Zijn LICHAAM in het graf, zoals sommigen zeggen, dan zou Zijn dood lichaam NOOIT “smarten” (letterlijk: folteringen) van de dood hebben gekend, want een dood lichaam is GEVOELLOOS!
Deze woestenij van de dood, waarheen Hij werd gedreven, wordt door de “weggaande bok” naar de woestijn uitgebeeld. Letterlijk spreekt het Hebreeuws over “een bok voor JaHWeH”, en over een “bok voor Azazel” (de “weggaande, vliedende sterke”; vergelijk Lev.16:9, NBG) voor de demon der woestijnen, dus voor “satan”. Jezus, de Zondebok, verviel in de diepten van de dood, in de diepten van satan, waaruit Hij echter na 3 dagen en 3 nachten triomfantelijk verrees, nadat Hij de “overheden en machten (van de geestelijke dood uit Zichzelf) uitgetogen had en hen openbaar had gemaakt en zo over hen had getriomfeerd” (Kol.2:15).
Deze toelating van de geestelijke dood in Hem en deze triomf erover werd gedaan namens DE ZONDIGE MENS, om hem “eeuwig te kunnen verlossen” en om hem “eeuwig te kunnen volmaken” (Hebr.9:12 + 10:14).
Het linnen kleed, dat de hogepriester aanhad gedurende al deze handelingen, moest hij in het heiligdom achterlaten (Lev.16:23). Dit vertelt ons van het heerlijkheidsleven van de hemelse Hogepriester, Jezus, Die de mensheid, na Zijn verzoeningsdaad, zou verlaten en in de hemel zou blijven. De Heilige Geest zou op aarde Zijn Plaatsvervanger zijn (Joh.14:15 + 16:7).
Als dit alles volbracht was, moest de hogepriester zich wederom baden en al zijn heilige klederen weer aandoen. HERHAALDELIJK is hier sprake van een reiniging (de reiniging in het Bloed; Lev.16:24). Daarna ging hij de BRANDOFFERS op het brandofferaltaar offeren: de ene RAM voor hemzelf en zijn gezin (Exod.29:15-18, Lev.8:18-21) en de andere RAM voor het volk, naar de “wet voor brandoffers” (Exod.29:19, Lev.6:9 + 8:22) zou hij dat doen (Lev.16:24-25). Brandoffers typeren, zoals wij reeds weten, de (toe)wijding van het Nieuwe Leven in Christus – in de Liefde Gods – tot eer van Hem, Die ons heeft ingeleid in Zijn wonderbaar Licht.
De zondoffers: de VAR voor de hogepriester en de BOK voor de Here (voor het volk) moesten buiten de legerplaats worden verbrand (Lev.16:27). NIETS mocht ervan worden gegeten. Zo werd ook Jezus BUITEN Jeruzalem gekruisigd (Hebr.13:11-12). De zaligmakende werking in de wereld der mensen mag alleen aan Jezus worden toegeschreven. Geen Gemeente, geen kerk, geen leer mag ooit de zaligmakende werking voor zich opeisen! NIETS mocht van het ZONDOFFER worden GEGETEN!!! (Lev.6:30).
Als de feitelijke offers van de Grote Verzoendag gebracht waren, moest de hogepriester die dag nog de “feest-offers” brengen (Num.29:7-11). Een VAR, een RAM en 7 eenjarige LAMMEREN ten brandoffer met daarbij de spijsoffers. Deze “feest-offers” vormen een typerend beeld van de FEESTELIJKE toewijding en het FEESTELIJKE bedieningsleven van een kind van God in het Nieuwe Leven met en in Christus. Het is een leven, waarin het ik gestorven is en Christus GANS en AL het Nieuwe Leven ervan vormt (Gal.2:20).
Diezelfde dag werd, na de BRAND- en SPIJSOFFERS, opnieuw een ZONDOFFER gebracht (een GEITENBOK). Vertelt ons dit niet over de VOORTDURENDE WASSING (= reiniging) van het leven van een kind van God in het Bloed van het Lam, zodat ALLE zonde (innerlijk en uiterlijk) BUITEN zijn/haar hart en leven worde gebannen?
Na deze “feest-offers” eindigde de hogepriester de bediening van die dag met het AVOND-OFFER van elke dag (een VOORTDUREND OFFER, een BRANDOFFER van een eenjarig, volkomen lam met zijn spijs- en drankoffer; Exod.29:38-43).
Tot slot stak de hogepriester in het HEILIGDOM de lampen aan en vernieuwde hij het vuur en het welriekende reukwerk op het reukaltaar (Exod.30:8).
Hiermee was dan al het werk, dat de hogepriester die dag ZELF moest doen, beëindigd.

C. Het schuldoffer (Lev.5:1-18 + 6:1-7 + 7:1-7).
Bracht het ZONDOFFER een verzoening met God vanwege zonden en ongerechtigheden gedaan tegen God, het SCHULDOFFER bracht verzoening met God en de naaste, vanwege overtreding van Gods wetten, die in verband staan met de naaste en vanwege toe-eigening van heilige zaken die God alleen aan de PRIESTERSCHAP had toebedeeld.
Ook het SCHULDOFFER is een typering van Christus als Gods Lam op Golgotha (Jes.53:10) of van het GELOOF in het offer van Christus (Rom.3:23-26), dit laatste wanneer VROUWELIJKE offerdieren in het geding zijn.
Er zijn 2 typen van SCHULDOFFERS.
Het 1ste type golden KLEINERE zonden tegen de naaste:

  1. Wanneer men niet zelf had gezondigd tegen de naaste, maar een boos plan van een ANDER had gehoord en men daarover zweeg, niets doende om dat plan te verijdelen (Lev.5:1);
  2. Wanneer men in contact was gekomen met ONREINE ZAKEN in het algemeen of met ONREINE HANDELINGEN van andere mensen, al was de onreinheid voor de schuldige VERBORGEN geweest (Lev.5:2-3);
  3. Wanneer men ONBEDACHTZAAM zich door een eed (gelofte) had gebonden, hetzij tot GOED, hetzij tot KWAAD.

In bovengenoemde gevallen mocht het SCHULDOFFER variëren naar de draagkracht van de schuldige:

  • hetzij een LAM of JONGE GEIT (vrouwtje),
  • hetzij twee TORTELDUIVEN (één tot een zondoffer, de ander tot een brandoffer), of 1/10 efa MEELBLOEM (1 efa = 40 liter, 1/10 efa = 4 liter) ten zondoffer, zonder OLIE of WIEROOK, omdat het een zondoffer is, waarvan de priester een vuistvol moest nemen tot een vuuroffer.

Het 2de type golden GROTERE zonden tegen de naaste:

  1. Wanneer men zich HEILIGE ZAKEN, die God de PRIESTERSCHAP ALLEEN had toebedeeld, had toegeëigend, zoals bijvoorbeeld de TIENDEN (Mal.3:8-11);
  2. Wanneer men Gods geboden BEWUST of ONBEWUST overtrad (hier vermoedelijk die in verband met de NAASTE);
  3. Wanneer men het hem toevertrouwde ontvreemd had, de naaste beroofd had, de naaste iets met geweld onthouden had, het verlorene van de naaste vond en dat stiekem bij zichzelf gehouden had.

Dan werd een RAM tot een SCHULDOFFER geëist én terugbetaling van het verschuldigde bedrag aan de rechtmatige eigenaar + 1/5 deel van dat bedrag er bovenop (Lev.5:15-16 + 6:4-6).
Het SCHULDOFFER werd, net als de brandoffers, geslacht in het Heiligdom.

Het BLOED ervan werd rondom het brandofferaltaar gesprenkeld (Lev.7:1-2). Het Bloed van Jezus reinigt ons HART van alle schuld (1Joh.1:7-9).
Het VET (al het vet, ook dat van de staart en van het ingewand), de beide NIEREN en het net over de lever werd aangestoken op het brandofferaltaar tot een vuuroffer (Lev.7:3-5). Het SCHULDIGE hart moet enkel en alleen pleiten op de rijkdom van genade, die is bereid door Christus op Golgotha tot lossing van zijn/haar schuld.
Het VLEES van het schuldoffer of de rest van het geofferde meelbloem was voor de PRIESTERSCHAP alléén, die dat eten moest in de heilige plaats (dat is: de VOORHOF; Lev.7:6-7). De dienstknecht van God moet één zijn met Christus in Zijn ZONDAARSLIEFDE om de schuldige te (kunnen) verzoenen met God.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel
  9. De DEUR en de heilige zalfolie
  10. De Tafel met Toonbroden
  11. De GOUDEN 7-voudige KANDELAAR
  12. Het REUKALTAAR en het reukwerk
  13. De HEILIGE driehoek van Gods arbeid in ons
  14. (14a): De geestelijke heerlijkheids-klederen van Christus – waar ook Gods dienaren in hebben te wandelen om te kunnen dienen + (14b)
  15. De priesterwijding
  16. De Levitische offeranden – deel 1

.

Over De Eindtijdbode

Een 'roepende in de woestijn' die 'de bazuin blaast' om velen (via GRATIS Bijbelstudies) te tonen "de dingen die - volgens Gods plan - spoedig geschieden zullen". Volgens Openbaring 1 vers 1, 10 en 19.
Dit bericht werd geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Israël/huis van Israël, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Werkers in Gods dienst, Woord en Geest en getagged met , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s