Wederom Mijn volk (deel 2): Israël vóór de tijd van Hosea

Het boek Hosea over de lotgevallen van de beide Israëlvolken:

Te weten:
het huis van Juda (2 stammen), en
het huis van Israël (10 stammen)

Herstel Israel

Deel 2

Israël vóór de tijd van Hosea

Het boek Hosea behandelen betekent zich bezighouden met de geschiedenis van Israël. Dit is leerzaam vanwege de lessen voor het persoonlijk leven die wij uit deze geschiedenis kunnen trekken, maar vooral ook vanwege het inzicht dat wij verkrijgen in Gods heilsplan. Wij zullen onderzoeken wat Hosea ons over de lotgevallen van het volk Israël meedeelt, zowel in de vorm van terugblik als in de vorm van profetie. Een deel van deze profetie is nu reeds geschiedenis geworden, zo zal blijken. Een aantal vermeldingen in Hosea betreft de oude geschiedenis van het volk, dat wil zeggen: de geschiedenis van vóór de tijd van Hosea. We zullen met de bespreking van deze teksten beginnen en doen dat in chronologische volgorde.

De verwijzing naar de vroegste gebeurtenis uit Israëls verleden vinden wij in Hosea 12:4a, waar het gedrag van stamvader Jakob bij zijn geboorte als kenmerkend wordt voorgesteld voor de geest van strijdvaardigheid – tegen de vijanden, die ook de vijanden van God waren – die jong-Israël bezat ten tijde van de inval in Kanaän onder Jozua: “In de moederschoot pakte hij (= Jakob) zijn broer (= Ezau) bij de hielen…” (Hos.12:4a). Wij kunnen dit vergelijken met de vurigheid van geest die een pas-bekeerde kenmerkt, de “eerste liefde”, maar die helaas in vele gevallen even snel wegebt als die strijdvaardigheid van Israël. Jozua is nog maar net gestorven, of wij lezen al dat de ijver om de afgodendienaars uit het land te verdrijven aan het tanen is (zie Richteren 1).

Het leven van hun voor- en stamvader Jakob is overigens in hoge mate een schaduwbeeld voor de geschiedenis van Israël als volk. In Hosea 12:4b-5a wordt een andere gebeurtenis uit het leven van de patriarch (= stamvader) geprojecteerd op het prille volksbestaan van het vroegste Israël: de worsteling met God aan de Jabbok: “en in zijn kracht gedroeg hij (= Jakob) zich vorstelijk met God. Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen de Engel, en overmocht Hem; hij weende en smeekte Hem (om genade)(Hos.12:4b-5a, SV). De Israëlieten gedroegen zich in het begin van hun geschiedenis evenals hun stamvader “vorstelijk met God” en waren zo hun naam werkelijk waardig. Eén van de betekenissen van de naam Israël isstrijder met God”. Ook wij gedragen ons in ons persoonlijk leven “vorstelijk met God” als wij een gebedsleven leiden waarin ook de gebedsworsteling wordt gekend, tot verkrijging van Gods zegen en genade.

Al was het dan maar voor korte tijd, Israël leefde aanvankelijk in het besef dat zij de genade van God nodig had. Daarom was ook een derde voorval uit Jakobs leven typerend voor wat toeviel aan de jonge natie Israël: Gods openbaring te Bethel: “In Bethel vond Hij hem (= Jakob / Israël), en daar sprak Hij met ons.” (Hos.12:5b)
Zoals God te Bethel sprak tot de stamvader, zo direct openbaarde God Zich aan het jonge Israël en Hij deed dat wel op de meest wondervolle wijze ten tijde van Mozes op de Horeb, het gebeuren dat wij al eerder leerden onderscheiden als de “huwelijksvoltrekking” tussen God en Zijn volk Israël: “Daar sprak Hij met ons” (Hos.12:5b). Dit woord moet wel in de eerste plaats betrekking hebben op het indrukwekkende gebeuren in de Sinaï-woestijn, waarbij Israël haar wetten ontving.

Maar Jakobs overnachting te Bethel had te maken met een dramatische wending die zich in zijn leven voltrok. En dit brengt ons bij een vierde vermelding over de aartsvader, die wij vinden in Hosea 12:13, waar wij lezen over de vlucht van Jakob naar zijn oom Laban in Syrië: “Jakob vluchtte naar het gebied (SV: naar het veld) van Syrië, Israël (= Jakob) diende om een vrouw en om een vrouw hoedde hij vee.” Dit feit wordt hier aangehaald als een voorspelling van de (Assyrische) ballingschap, de wegvoering van Efraïm-Israël (= het 10-stammenrijk van het “huis van Israël”). Jakobs verblijf in Haran (zie Gen.28:10) is een voorafschaduwing van de tijd gedurende welke de 10 stammen als verloren of verdwenen zouden worden beschouwd. Daar in Haran leerde Jakob zijn 2 vrouwen kennen. Opmerkenswaard is dat deze 2 vrouwen, Lea en Rachel – die typebeelden zijn van respectievelijk de Gemeente/Kerk van de gehele gemeentelijke tijdsbedeling en van de Gemeente/Kerk van de Spade Regen – iets met deze tijd (van het verborgen zijn van de 10 stammen) te maken moeten hebben. Hoe dramatisch was deze wending – van de wegvoering in Assyrische ballingschap – voor het volk van Efraïm-Israël (= het 10-stammenrijk van het “huis van Israël”)!
In Hosea 12:14  wordt hierna als het ware “overgesprongen” naar Israëls verblijf in Egypte: “Door een profeet (= Mozes) heeft de HEERE Israël echter uit Egypte geleid en door een profeet werd het gehoed.” De zin hiervan is, dat dit verblijf van Israël in Egypte als een eerste parallelgebeuren van Jakobs verblijf in Syrië moet worden beschouwd. Op zichzelf is de Egyptische tijd dus weer een verwijzing naar de ballingschapstijd van de 10 stammen (van het “huis van Israël”). En de tekst leert ons dat wij te verwachten hebben dat – zoals Israël destijds door de profeet Mozes (als instrument van God) uit Egypte werd uitgeleid – Israël in de eindtijd van haar ballingschap iets dergelijks zal meemaken. Hoe dit zal zijn lezen wij in Hosea 12 vers 11: “En Ik zal tot de profeten spreken, en Ík zal de visioenen talrijk maken, en Ik zal door de dienst van de profeten in gelijkenissen spreken” (vergelijk Joël 2:28 – “Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien”). Wij zullen hierbij moeten denken aan de Spade Regen-opwekking van de eindtijd, waarop de profetische tijd van “de benauwdheid van Jacob (= Israël)” zal uitlopen. Alsdan zullen opnieuw van God gezonden predikers in een wonderbare bediening staan en zij zullen de gelovigen voorbereiden op een nieuwe exodus, de wegname van de Gemeente.

In Hosea 2:2 wordt gesproken over Israëls “geboorte”: “Anders zal Ik haar naakt uitkleden, haar neerzetten als op haar geboortedag, haar maken als de woestijn, haar doen worden als een dor land en haar doen sterven van de dorst.” De geboorte van Israël als volk vond plaats in Egypte, na het Genesistijdvak. Dat zij toen “naakt” was, wil zeggen hulpeloos. Het beeld van een pasgeboren kind wordt hier gebruikt. Hetzelfde beeld komen we tegen in Ezechiël 16 vers 4-10: “Wat uw (= Jeruzalems) geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld. Geen oog zag naar u om, om één van die dingen uit medelijden bij u te doen. U werd weggeworpen op het open veld uit afschuw voor uw leven (SV: uw ziel) op de dag dat u geboren werd. Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend (SV: vertreden zijnde) in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ik heb u even overvloedig (SV: tot 10.000) gemaakt als het gewas op het veld. U groeide op, u werd groot en u kwam tot grote schoonheid (SV: sierlijkheid). Uw borsten werden stevig, uw haar groeide, maar u was naakt en bloot. Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde (SV: de tijd der minne [1]). Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u een eed en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en zo werd u van Mij (SV: gij werd de Mijne). Daarop waste Ik u met water, spoelde uw bloed van u af en zalfde u met olie. Ik trok u kleurrijk geborduurde kleding aan, schoeide u met zeekoeienhuiden, omwikkelde u met fijn linnen en bedekte u met zijde.”
Hier, in Ezechiël 16, moeten wij Jeruzalem beschouwen als staande voor Juda-Israël (een zogenaamde “pars pro toto”, een deel voor het geheel). Haar zuster Samaria is hier Efraïm-Israël: “Uw oudste zuster is Samaria, zij met haar dochters, die aan uw linkerhand woont, en uw zuster die jonger is dan u, die aan uw rechterhand woont, is Sodom met haar dochters” (Ezech.16:46). “Vertreden zijnde in uw bloed” ziet op de verdrukking die Israël in Egypte moest ondergaan: “Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend (SV: vertreden zijnde) in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! (Ezech.16:6). Hulpeloos en vertrapt was het volk, maar God zag hun ellende aan en zei: Leef! Wij mogen dit weer vergelijken met ons persoonlijk geestelijk leven. Door het weerklinken van diezelfde machtige roep uit de mond van God, werden wij eenmaal wedergeboren!
Maar, om terug te keren tot de geschiedenis van Israël, God sprak Leef! en Hij zond Mozes om hen uit het diensthuis Egypte te verlossen. Over dit laatste lezen wij ook in Hosea 11 vers 1: “Toen Israël een kind was, had Ik hem lief, en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.” Het wonderlijke is dat dit woord ook vervuld werd aan Jezus, toen Zijn ouders met Hem terugkeerden uit Egypte: “En hij (= Jezus) bleef daar tot de dood van Herodes, opdat vervuld werd wat door de Heere gesproken is door de profeet: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. (Mattheüs 2:15). Maar in Hosea 11:1 gaat het in eerste instantie over Israëls uitleiding uit Egypte. Er is een nauwe betrekking tussen Jezus en Israël, die beiden de “Knecht des HEREN” genoemd worden (zie het Boek Jesaja).

Gods liefdevolle bemoeienis met Israël in haar “kindertijd” wordt beschreven in Hosea 11 vers 3-4: “Ik echter leerde Efraïm(-Israël) lopen. Hij nam hen op Zijn armen, maar zij erkenden niet dat Ik hen genas. Ik trok hen met menselijke touwen, met koorden van liefde. Ik was voor hen als zij die het juk van op hun kaken omhoogtillen, en Ik reikte hem voer (geestelijke spijze ?) toe”. Het was in de woestijn, dat God ze “droeg”. Vergelijk dit met Deuteronomium 33:27, een vertroostend woord voor allen die zich door God willen laten leiden: “De eeuwige God is voor u een woning, en onder u zijn eeuwige armen. Hij verdrijft de vijand voor u (aangezicht) uit, en zegt: Vaag hem weg!” Al in hun “kindertijd” echter wisten zij de liefde Gods niet te waarderen. Van het niet juist waarderen van Gods grote liefde en genade naar het verlaten van “de eerste liefde” en het terugvallen in het oude, zondige leven, is maar een kleine stap! In Deuteronomium 32:10 schrijft Mozes in overeenkomstige bewoordingen over de woestijntijd van Israël: “Hij vond hem in een woestijngebied, in een woeste, huilende wildernis. Hij omringde hem, Hij onderwees hem, Hij beschermde hem als Zijn oogappel.” Als een kind werd Israël toen geleerd en onderwezen in de weg die het moest gaan en werd het gekoesterd en bewaard door de hemelse Vader. Over deze tijd lezen we ook in Hosea 9 vers 10a: Ik vond Israël als druiven in de woestijn, Ik zag uw (voor)vaderen als de eerste vrucht aan de vijgenboom in haar begin…” (SV). Net als in de zojuist genoemde tekst uit Deuteronomium 32:10 is hier in Hosea 9:10 sprake van dat: “God Israël vond in de woestijn”, waaraan wordt toegevoegd: “als druiven”. Met andere woorden, zoals ook uit wat erop volgt voortvloeit, God zag bij Israël toen de eerste veelbelovende vruchten. Lees ook nog Hosea 13 vers 5: Ík heb u gekend in de woestijn, in een land van droogte (SV: in een zeer heet land).

Helaas pakte het geheel anders uit. Zij begonnen met de Geest, maar eindigden met het vlees: “Bent u zo dwaas? U die met de Geest begonnen bent, gaat u nu eindigen met het vlees?” (Gal.3:3). De eerste hoererij wordt in hetzelfde vers van Hosea 9:10 (b), beschreven: “…maar zij (= Israël) gingen in tot Baäl-Peor, en zonderden zich af tot die schaamte (HSV: wijdden zich aan die schande), en werden gans verfoeilijk naar hun boelerij [2] (HSV: zij werden even weerzinwekkend als hun minnaars) (SV). Met “hoererij” wordt in het Boek Hosea steeds allereerst “geestelijke hoererij” bedoeld en dat is: afgodendienst. Het opmerkelijke is echter dat “gewone” hoererij het volk Israël tot geestelijke hoererij bracht (dit zal wel verband houden met het feit dat de meeste afgodendiensten van de heidense volkeren gepaard gaan met prostitutie). Het gaan “naar Baäl-Peor” grijpt namelijk terug op de gebeurtenissen beschreven in Numeri 25:1-5, waar deze gang van zaken vermeld wordt: Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab. Die nodigden het volk uit bij de offers aan hun goden, en het volk (Israël) at en boog zich voor hun goden neer. Toen Israël zich zo aan Baäl-Peor koppelde, ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël. De HEERE zei tegen Mozes: Neem alle hoofden van het volk en laat hen voor de HEERE in de volle zon ophangen, zodat de brandende toorn van de HEERE van Israël afgekeerd wordt. Toen zei Mozes tegen de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben.”
Let op: het begon allemaal met het niet waarderen van Gods liefde. Vervolgens gingen zij “murmureren” en het eind van het liedje was, dat zij hoereerden en daarna nog grotere gruwelen bedreven. Het zij ons tot waarschuwing! Op nog een drietal andere plaatsen wordt in het Boek Hosea gesproken over de eerste afvalligheid en ongerechtigheid van Israël. In Hosea 10:9 wordt één van de dieptepunten uit de geschiedenis van Israëls zonden aangehaald: de daad van gruwelijke onzedelijkheid te Gibea (uitgebreider beschreven in Richteren 19), die tot een burgeroorlog leidde, waarbij de stam Benjamin bijna geheel werd uitgeroeid: Sinds de dagen van Gibea hebt u gezondigd, Israël!(Hos.10:9a). Zie ook Hosea 9:9, Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea. Hij zal aan hun ongerechtigheid denken, Hij zal hun zonden aan hen vergelden.” In Hosea 11:2 wordt eraan herinnerd hoe snel Israël ertoe overging om de Baäls na te lopen: “Maar hoe meer zij (= Mozes en andere vrome dienstknechten Gods) hen (= Israël)  riepen, hoe meer zij van onder hun ogen (= van het aangezicht van profeten die hen tot God riepen) wegliepen. Aan de Baäls offerden zij en voor de afgodsbeelden brachten zij reukoffers.”
Wat de geestelijke oorzaak van, met name, de latere afgoderij was wordt blootgelegd in Hosea 13 vers 6: “Net als hun weiden raakten zij verzadigd (SV: zijn zij… zat geworden). Toen zij verzadigd (zat). waren, verhief hun hart zich. Daarom hebben zij Mij vergeten.” Toen ze het “goed” hadden – in rust en welvaart leefden en overvloed hadden – werden zij hoogmoedig en vergaten hun God, Die hen zo rijkelijk gezegend had. Is dit niet een ontwikkeling die zich telkens weer herhaalt, ook in het persoonlijk leven van de kinderen Gods heden ten dage? En zo is het ook gegaan met de Christelijke volkeren als geheel in onze tijd.

Dan worden wij overgeplaatst naar de dagen van koning Saul, de eerste koning over Israël. In Hosea 13:10-11 herinnert God Israël eraan hoe zij – toen Samuël richter over hen was – een koning begeerden om gelijkvormig te zijn aan de wereld om hen heen, en hoe zij dus Hem als Koning verwierpen: “Waar blijft uw koning nu? Hij zou u toch verlossen in al uw steden? En uw richters, tegen wie u gezegd had: Geef mij een koning en vorsten? In Mijn toorn gaf Ik u een koning, (en) Ik nam hem weg in Mijn verbolgenheid.” Ook dit was één van de zonden van Israël en de droevige afloop van het tijdperk van Saul, de gezalfde die door God verworpen werd (wat als een bekend gegeven mag worden beschouwd). Wij leren hier waar wereldgelijkvormigheid toe leidt en wat het gevolg is als wij onze eigen weg willen gaan!

In Hosea 13:1 wordt medegedeeld dat Efraïm tot de machtigste stam van Israël uitgroeide: “Telkens wanneer Efraïm sprak, was er schrik (SV: zo beefde men), hij verhief zich in Israël; hij maakte zich echter schuldig aan de Baäl, en hij stierf.” Dit houdt verband met het feit dat de eerstgeboortezegen van Jakob (= Israël) overging op deze jongste zoon van Jozef. Wij vinden dit beschreven in Genesis 48:13-19, de zegening die bekend staat als de “kruiszegen”: “Daarna nam Jozef hen beiden: Efraïm aan zijn rechterhand – voor Israël was dat links – en Manasse aan zijn linkerhand – voor Israël was dat rechts. Zo liet hij hen dichter bij hem komen. Maar Israël (= Jacob) stak zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel deze de jongste was, en hij legde zijn linkerhand op het hoofd van Manasse. Hij kruiste zijn handen, hoewel Manasse de eerstgeborene was. En hij zegende Jozef en zei: De God voor Wiens aangezicht mijn (voor)vaderen, Abraham en Izak, gewandeld hebben, de God Die mij als herder geleid heeft (SV: die God, Die mij [ook geestelijk] gevoed heeft), mijn leven lang tot op deze dag, de Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens, zodat door hen mijn naam (= Israël) genoemd zal blijven, en de naam van mijn vaderen Abraham en Izak en zij in het midden van het land in menigte zullen toenemen (SV: dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte). Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, was dat kwalijk in zijn ogen. Daarom greep hij de hand van zijn vader om die te verleggen van het hoofd van Efraïm naar het hoofd van Manasse. Jozef zei tegen zijn vader: Niet zó, mijn vader, want dit is de eerstgeborene. Leg uw rechterhand op zijn hoofd. Maar zijn vader weigerde het en zei: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij (= Manasse) zal tot een volk worden, ook hij zal aanzien krijgen (SV: groot worden); maar toch zal zijn jongste broer meer aanzien krijgen dan hij, en zijn nageslacht (SV: zijn zaad) zal tot een grote menigte van volken worden.” Het kruis spreekt van Gods wil, die de wil van de mens doorkruist. Toch schijnt Efraïm in het Bijbelse tijdvak niet groot te zijn geweest in aantal (in Numeri 1 komt Efraïm, wat het aantal mannelijke nazaten betreft, pas op de 10de plaats van de in totaal 12 zonen c.q. stammen Israëls). De volledige vervulling van de eerstgeboortezegen, die onder meer inhield dat Efraïm tot een menigte van volkeren zou uitgroeien, zullen wij dan ook tevergeefs zoeken in die Bijbelse tijd. Maar het was wel een invloedrijke stam, waaruit bekende figuren als Jozua, Debora en Jerobeam I – de eerste koning van het 10-stammenrijk – voortkwamen. De macht van Efraïm blijkt vooral hieruit dat – na de scheuring van het verenigd koninkrijk Israël – de naam Efraïm steeds meer gebruikt wordt voor heel het 10-stammenrijk (dat overigens ook Israël blijft heten, dit in tegenstelling tot het 2-stammenrijk – van het huis van Juda – waar de latere Joden uit voortkomen). In het boek Hosea, bijvoorbeeld, wordt regelmatig over Efraïm gesproken als alle 10 verbonden stammen worden bedoeld. Efraïm werd de leidersstam (van het 10-stammenrijk van het “huis van Israël”). Maar – zoals wij net in Hosea 13:1 lazen – door zijn afgoderij werd zijn geestkracht verbroken (“hij stierf”).

Zo brak dan de tijd van de profeten aan. Hoewel er voor hem ook al profeten optraden, ligt het meest voor de hand deze tijd te laten beginnen met de grote man Gods: Elia. De profeten waren vooral de aankondigers van het Goddelijke oordeel over het afvallige en zondige Israël. Voor zichzelf sprekend is de beschrijving van hun bediening in Hosea 6:5, “Daarom heb Ik op hen ingehakt door de profeten, Ik heb hen gedood met de woorden van Mijn mond; en de oordelen over u zullen voor de dag komen als het licht”. Uit Hosea 9:7-8 blijkt echter dat de waarschuwingen van de profeten door de grote massa van het volk – en door de leiders – naast zich neer werden gelegd: “De dagen van de vergelding (SV: bezoeking) zijn gekomen. De dagen van de afrekening (SV: vergelding) zijn gekomen. Israël zal het weten (SV: gewaar worden). De profeet is dwaas, de man met de geest is krankzinnig (SV: onzinnig = [s]preekt onzinnige dingen – AK). Vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid is ook de vijandschap groot. De wachter van Efraïm is met mijn God, een profeet vindt de strik van de vogelvanger (SV: maar de profeet is een vogelvangersstrik) op al zijn wegen, vijandschap zelfs (SV: een haat) in het huis van zijn God.” De profeten werden meer en meer als “dwazen” beschouwd en er werd op hen geloerd om ze te doden. Deze dingen herhalen zich ook in onze tijd. Predikers die het Woord der waarheid recht snijden”, zijn niet geliefd.

De behandeling van de geschiedenis van Israël, volgens wat hierover in het boek Hosea staat vermeld, kunnen wij afsluiten met een korte blik op Hosea 12:1b (SV): “… maar Juda heerste nog op met God, en was met de heiligen getrouw. Juda-Israël, het 2-stammenrijk, bleef – ondanks dat ook dáár grote zonden bedreven werden en op de hoogten aan afgoden geofferd werd – nog het langst trouw aan God. Dit vooral dankzij godvrezende koningen als Asa, Josafat, Hizkia en Josia en dankzij de getrouwen onder de priesters des HEREN te Jeruzalem. “Juda heerste nog met God”, was nog waarachtig Israël (= heersen met God), toen Efraïm-Israël al geheel weggezonken was in het moeras van goddeloosheid. Daarom kwam het oordeel over Juda pas ongeveer 120 jaar later.

Wordt vervolgd

H. Siliakus
Bewerkt door A. Klein

PDF (deel 2)

***********************************************************************************

[1] De tijd der minne = Het ‘huwbaar zijn’, of om, in geestelijke zin, ten huwelijk begeert te worden. (noot AK)
[2] Boelerij = Van boeleren, of boelen = In overspel, in ontucht leven; ongetrouwd met elkaar leven. (noot AK)

.

****************************

Deel 1: Hosea – De schrijver en het Boek

.

Over De Eindtijdbode

Een 'roepende in de woestijn' die 'de bazuin blaast' om velen (via GRATIS Bijbelstudies) te tonen "de dingen die - volgens Gods plan - spoedig geschieden zullen". Volgens Openbaring 1 vers 1, 10 en 19.
Dit bericht werd geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Israël/huis van Israël, Oordelen Gods, Studie van H Siliakus, Uitleg over het boek Hosea, Wederkomst van Christus en getagged met , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s