Wederom Mijn volk (deel 4): Israëls wegvoering

Het boek Hosea over de lotgevallen van de beide Israëlvolken:

Te weten:
het huis van Juda (2 stammen), en
het huis van Israël (10 stammen)

Herstel Israel

Deel 4

Israëls wegvoering

Eén van de meest bedroevende maar toch ook wonderlijke keerpunten in de geschiedenis van Israël, is de wegvoering in de Assyrische ballingschap van het 10-stammenrijk (van het “huis van Israël”, hier ook Efraïm-Israël genaamd). Het is een gebeurtenis die vaak verkeerd beoordeeld wordt – velen weten zelfs niet van een Assyrische ballingschap – als gevolg waarvan de meeste christenen heden ten dage de Joden ten onrechte voor het gehéle volk Israël (van 12 stammen) aanzien. De Assyrische ballingschap, hoe zwaar deze straf ook was, betekende niet dat Efraïm-Israël (de 10 stammen) als volk ophield te bestaan, maar dat zij een nieuwe episode in haar bestaan als volk inging. Een episode van “verborgen zijn” voor de wereld, maar herkenbaar voor hen die de profetie van de Bijbel nauwgezet bestuderen en die zich in de geschiedenis van de volkeren verdiepen. Maar, er ligt ook een zegen in het verborgen en onbekend zijn! Dit verborgen zijn en onwetend van de eigen identiteit zou, zo verstaan wij het nu, een grote zegen voor dit Israël betekenen (uiteindelijk ook een zegen voor de gehele wereld!). Wij kunnen het vergelijken met het verborgen verblijf van Jozef in Egypte. [1] Bovendien zou dit verborgen zijn haar behoeden voor zelfverheffing (“wij zijn het uitverkoren volk”) en voor kwalijke bejegening (haat, vijandschap) door de heidense volkeren. Voor deze beide gevaren werd Juda-Israël – het Joodse volk – niet bewaard (vergelijk Joh.8:33 en 1Thess.2:15-16): “Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht (SV: zaad) en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden?” “die zowel de Heere Jezus als hun eigen profeten hebben gedood en ons hebben vervolgd. Zij behagen God niet en zijn alle mensen vijandig gezind. Zij verhinderen ons tot de heidenen te spreken opdat die zalig zouden worden. Zo maken zij voor altijd de maat van hun zonden vol. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.” En door hun volharding in het verwerpen van hun Messias kregen de Joden het nòg moeilijker. Efraïm-Israël, het “verborgen Israël”, zou echter eeuwenlang “zeker wonen”. Pas in het laatste der dagen komt daarin verandering. Dan zal gebeuren wat in Psalm 83:4 geschreven staat: “Zij beramen listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk en beraadslagen (zich) tegen Uw beschermelingen (SV: Uw verborgenen).” Over die benauwdheid die dan aanbreekt voor Jakob” (= Israël) komen wij in hoofdstuk 8 nog uitgebreid te spreken.

Ook in de profetieën van Hosea komt duidelijk naar voren dat het niet “gedaan” is met het Israël van de 10 stammen, nadat het is weggevoerd in ballingschap. Er komt weer een tijd van “heil” voor dit volk, zo luidt samenvattend de boodschap. Wij mogen hieraan niet voorbijgaan. Ook hier geldt dat wie voorbijgaat aan wat Gods Woord duidelijk leert, die komt tot dwaling! Voordat wij echter de op die nieuwe heilstijd betrekking hebbende passages en teksten zullen overgaan, willen wij eerst zien wat Hosea over het begin van de ballingschap geprofeteerd heeft.

De wegvoering in Assyrische ballingschap was de uiteindelijke straf die over Israël voltrokken werd. In deze wegvoering komen wij de 3 aspecten van de uiteindelijke straf tegen, die we aan het eind van het vorige hoofdstuk noemden.

  1. Het betekende “verstrooiing”. Zij werden verstrooid, verspreid onder de heidenvolkeren als schapen zonder herder.
  2. Het betekende “verlating”. Zij verloren de bijstand van God. Daarom konden zij de vijand niet weerstaan.
  3. Het betekende ook “verstoting”. Niet langer zouden zij Gods volk zijn.

Als een vrouw met een scheidbrief werden zij weggezonden. Zoals Ahasveros eens Vasthi zou verstoten: “Als het de koning goeddunkt, laat er dan een koninklijk besluit van hem uitgaan dat schriftelijk wordt vastgelegd in de wetten van Perzië en Medië, zodat het niet herroepbaar is, dat Vasthi niet meer bij koning Ahasveros mag komen. En laat de koning haar koninklijke waardigheid geven aan een andere vrouw, die beter is dan zij” (Esther 1:19). In Jeremia 3:8 wordt ook letterlijk van het 10-stammenrijk Israël gezegd, dat God “haar de scheidbrief gegeven had”: “Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief (SV: scheidbrief) gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd. Zij ging zelf ook hoererij bedrijven.” Deze 3 aspecten van de straf zullen wij in het boek Hosea nog verschillende keren tegenkomen. En op deze “scheidbrief” komen wij ook nog terug.

Wij moeten beginnen met te wijzen op een verband dat God zelf legt tussen de uiteindelijke straf die Israël trof en één van de zonden die Israël bedreef. Hosea 7:8-11 vertelt ons dat Efraïm zich vermengde met de heidense volkeren (vers 8) zoals Egypte en Assyrië (vers 11): 8. Efraïm, met de volken vermengt het zich. Efraïm is een koek die niet omgekeerd is. 9. Vreemden verteren zijn kracht, maar zelf merkt hij dat niet. Ook heeft hij grijze haren gekregen (SV: ook is de grauwheid op hem verspreid), maar ook dat merkt hij niet. 10. Hoewel de trots (SV: hovaardij = hoogmoed) van Israël tegen hem getuigde, hebben zij zich niet bekeerd tot de HEERE, hun God. In dit alles zochten zij Hem niet. 11. Efraïm is als een duif, onnozel, zonder verstand verstand (SV: als een botte duif, zonder hart); Egypte roepen zij te hulp, naar Assyrië gaan zij!Zij namen hun gewoonten, zeden en afgoderij over. En voordat ze het goed en wel beseften, waren ze al in de macht van “vreemden” (vers 9).
Zij wilden zo graag met de heidense volkeren optrekken. Daarom gaf God hen over in de macht van deze heidense volkeren, met name van Assyrië (zie ook Hosea 8:10): Ook al zoeken zij hulp bij heidenvolken (SV: dewijl zij dan onder de heidenen boelen [2] om hoerenloon gehuurd hebben), toch zal Ik hen nu bijeenbrengen (SV: verzamelen). Zij kunnen weinig beginnen vanwege de last van de koning van de vorsten.” In Hosea 7:10 (hierboven vermeld) wordt het zich vermengen met de heidenen, de wereld en de goddelozen hoogmoed genoemd. Wereldgelijkvormigheid, wat zich vaak openbaart als een “niet onder willen doen voor de wereldling”, is hoogmoed! Het is nodig om dit goed tot ons laten doordringen.

De voorafgaande straffen, die tot waarschuwing hadden moeten dienen, betekenden tegelijk een steeds grotere verzwakking van Israël. Zo was het met dat overgegeven worden in de macht van vreemden en zo was het ook met de misoogsten waardoor het land getroffen werd. Als gevolg daarvan, zo lezen wij in Hosea 2:8-10, kwam Israël economisch aan de grond te zitten en kwam er een einde aan het losbandig leven van feestvieren en vrolijk zijn: “Daarom keer Ik terug (SV: Daarom zal Ik wederkomen) en neem Ik Mijn koren weg op zijn tijd, en Mijn nieuwe wijn (SV: most)  op de daarvoor vastgestelde tijd. Ik ruk Mijn wol en Mijn vlas weg, waarmee zij haar naaktheid moet bedekken. Nu dan, Ik zal haar schaamte ontbloten (SV: haar dwaasheid ontdekken) voor de ogen van haar minnaars, en niemand zal haar uit Mijn hand redden. Ik zal al haar vreugde doen ophouden, haar feesten, haar nieuwe-maans-dagen (SV: haar nieuwe maanden = de nieuwe maan in elke maand, naar de maanden van het jaar – zie Num.28:14)  en haar sabbatten, ja, al haar feestdagen (SV: haar gezette hoogtijden).” Maar de “grote klap” moest toch nog komen. Het schijnt begonnen te zijn met een veldslag in het dal van Jizreël, waarover verder niets bekend is: “Op die dag zal het gebeuren dat Ik de boog van Israël zal breken in het dal van Jizreël” (Hos.1:5). Deze slag ging waarschijnlijk vooraf aan de val van de hoofdstad Samaria, de “dag van het einde”, na een beleg van 3 jaar (volgens 2 Koningen 17:5) in 722 voor Christus: “Vervolgens trok de koning van Assyrië het hele land door. Hij trok ook op naar Samaria en belegerde het 3 jaar lang.” Herhaalde malen heeft Hosea over deze fatale dag gesproken als over de “dag der bezoeking”. Visitaties of bezoeken van God zijn niet altijd lieflijk en aangenaam. Er zijn bezoeken die een zegen inhouden, maar er zijn ook Goddelijke bezoeken die oordeel brengen. Vaak wordt een oordeelsbezoek door een zegenende aanwezigheid van God voorafgegaan. Zo was het in Hosea’s tijd en zo zal het ook zijn in de eindtijd.

  • KLIK HIER voor het vervolg van Hosea, deel 4.

Wordt vervolgd

H. Siliakus
Bewerkt door A. Klein

***********************************************************************************

[1] Zie mijn artikel De herleving van Jakob in de Tempelbode van november 1982. (noot HS)
[2] Boelen = Letterlijk: In overspel, in ontucht leven; ongetrouwd met elkaar leven.
Boelen om hoerenloon gehuurd = Degenen met wie zij (geestelijk gezien) in overspel leeft. (noot AK)
.

****************************

Deel 1: Hosea – De schrijver en het Boek
Deel 2: Israël vóór de tijd van Hosea
Deel 3: Israël in Hosea’s dagen

.

Over De Eindtijdbode

Een 'roepende in de woestijn' die 'de bazuin blaast' om velen (via GRATIS Bijbelstudies) te tonen "de dingen die - volgens Gods plan - spoedig geschieden zullen". Volgens Openbaring 1 vers 1, 10 en 19.
Dit bericht werd geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Israël/huis van Israël, Oordelen Gods, Studie van H Siliakus, Uitleg over het boek Hosea en getagged met , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s