Tabernakel symbolieken (9): De DEUR en de heilige zalfolie

de deur vd tabernakel

  • “U moet voor de ingang (SV: de deur) van de tent ook een gordijn (SV: deksel, als bedekking tegen inkijk – AK) maken, van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en dubbeldraads (SV: getweernd) fijn linnen, borduurwerk. En voor het gordijn moet u 5 pilaren van acaciahout (SV: sittimhout) maken, die met goud overtrekken en voorzien van gouden haken; u moet daarvoor 5 koperen voetstukken gieten.” (Exod.26:36-37)

Deze “deur” of dit “deksel” (HSV: gordijn), was door middel van gouden haken opgehangen aan 5 pilaren van sittim-/acaciahout, overtrokken met GOUD en rustende op voeten van KOPER.
De “deur” of deksel (= gordijn) was een vierkant stuk (van 10×10 el²) van fijn getweernd (wit) linnen met “geborduurd werk” van hemelsblauw, purper en scharlaken. Deze “deur” had dezelfde kleuren als de “poort” vooraan het tabernakelterrein, dezelfde kleuren als de “voorhang” tussen het “heilige” en het “heilige der heiligen”, en dezelfde kleuren als het tabernakelkleed, het eerste kleed dat over de tabernakel werd gelegd.
Deze “deur” was, net als de “poort”, niet voorzien van “cherubim”, geborduurd van gouddraad, wat wel het geval was met de “voorhang” en het tabernakelkleed. Het waarom wordt aldaar vermeld.
Om bij deze “deur” te kunnen komen moest men de “poort”, het “brandofferaltaar” en het “wasvat” hebben gepasseerd; hetgeen geestelijk zeggen wil dat men voor de doop met de Heilige Geest,
1.
bekering tot Jezus (de poort),
2. geloof in Christus’ offer (het brandofferaltaar),
3. wedergeboorte en waterdoop (het wasvat),
moet hebben gepasseerd.
Alzo is de Goddelijke ordinantie (Hand.2:38). Christus, als Heer van elke Goddelijke ordinantie, staat boven Zijn ordinantiën en kan hiervan afwijken, zoals in het geval van Cornelius (Hand.10:44-48).
Deze “deur” typeert, net als elk deksel (poort, voorhang), Jezus Christus in Zijn 4 karakteristieken, uitgedrukt door de 4 kleuren ervan (wit, hemelsblauw, purper, scharlaken); namelijk die van:
Koning – Dienstknecht;
God – Mens.
De “deur” werd gedragen door 5 pilaren van sittim-/acaciahout, overdekt met GOUD. Deze 5 pilaren typeren de met God – in Jezus’ Bloed – verzoende mens (het getal 5 is het Bijbelse getal der verzoening), die in nieuwigheid des Levens (in het Nieuwe Leven) wandelt (getypeerd door de overdekking met GOUD). De pilaren stonden op 5 KOPEREN voeten, om uit te drukken dat de met God verzoende mens zich zéér bewust is uit het oordeel der zonde gekocht te zijn door Jezus’ Bloed.
Zoals de 5 pilaren de “deur” droegen aan hun 5 gouden haken, net zo openbaart de met God verzoende mens in zijn/haar NIEUWE LEVEN Jezus Christus, de natuur van Jezus, Jezus IN hem/haar, Die hem/haar door de DOOP met de Heilige Geest (Mark.1:8) invoert in het HEILIGDOMSLEVEN met God, in een leven geleid en vervuld door de Heilige Geest, Die hem/haar zo leidt in al de Waarheid (in het Woord en de Wil) Gods (Joh. 16:13).
Zo leidt Christus, als de “Deur” – door de Geest van God – Gods kinderen in de EENHEID van het WERELDWIJDE Lichaam van Christus; (de 48 berderen [= houten planken] en de 5 richels [= dwarsbalken]; Joh.17:21);

  • in een leven dat voorwaarts en opwaarts blikt op Jezus Christus, de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs (Hebr.12:2, Kol.3:1-3); het borduurwerk in 4 kleuren in TABERNAKELKLEED en VOORHANG en rustend op de VERZOENING in Jezus’ Bloed (de “deur”);
  • in een leven van hartelijke gemeenschap met en kennis van het Woord van God (de “tafel met toonbroden”; ALLE eigen inzichten, meningen of die van andere mensen, over een godsdienstige wandel moeten plaats maken voor het Woord van God alleen (Ef.3:16-21);
  • in een leven van GETUIGENIS (proclamatie) van het Woord Van God door WOORD en DAAD (alle arbeid in EIGEN KRACHT en WIL moet plaats maken voor een arbeid onder de LEIDING en ZALVING van de Heilige Geest alleen (1:8); de “gouden kandelaar”);
  • in een leven in GEBED en VOORBIDDING tot, en in AANBIDDING en LOFPRIJZING van onze God en Vader en Jezus Christus. En dit alles moet geschieden onder de leiding en in de kracht van de Heilige Geest alleen; (8:26-27; het “reukaltaar”).

Het antitype [1] van de “DEUR” is de ingang in een leven van priesterlijke bediening in en door de kracht van de Heilige Geest. Het is de Heilige Geest, in Zijn tijdsbedeling (van 2000 jaar, tevens de tijdsbedeling van Zijn genade), gezet om door proclamatie van het Woord van de levende God uit deze wereld een Gemeente te vormen, een gemeenschap van – door het Woord – verloste en Vernieuwde mensen die in de eeuwigheid, na de wedergeboorte aller dingen, het Koninkrijk van God zullen vormen (Hebr.12:22-23, 1Petr.2:5+9). Hiertoe gebruikt Hij Gods kinderen als Zijn instrumenten (2 Kor.5:18-21, 1Kor.3:9-23) en roept Hij hen tot zekere bedieningen (1Kor.12:28, Ef.4:11-16), waartoe Hij Zijn instrumenten zalft met Zijn Wijsheid en kracht (gaven; 1Kor.12:4-11, Rom.12:5-8, 1Petr.4:10-11).

.

De heilige zalfolie

In het typerende beeld van de tabernakel werden ook alle instrumenten en objecten voor ingebruikname GEZALFD met de voorgeschreven HEILIGE ZALFOLIE, ook Aäron en zijn zonen. Deze zalving met zalfolie vormt een heenwijzing naar de DOOP met de Heilige Geest (Exod.30:22-33).
Deze zalfolie mocht geen gemeenschap hebben met MENSENVLEES (met de “oude mens”) en mocht niet worden NAGEMAAKT op straffe des doods. Zo heeft het werk in de Heilige Geest geen enkele samenhang met de kracht en de inzichten van de zondige mens en mogen Zijn manifestaties (tongentaal, profetie enzovoort) niet worden NAGEBOOTST, anders sterft men een geestelijke dood!
Deze zalfolie bestond uit:

  • zuivere mirre         500 sikkels     =   1000  halve sikkels
  • specerij kaneel       250 sikkels     =     500  halve sikkels
  • specerij kalmoes    250 sikkels     =     500  halve sikkels
  • kassie                        500 sikkels     =   1000  halve sikkels
  • olijfolie, 1 hin (= ongeveer 6 liter)
    ___________________
    Totaal aan specerijen:                         3000  halve sikkels

Mirre is een geurige gomsoort van een acacia-achtige boom, die ook bij balseming van doden wordt gebruikt. Het vertelt ons van de geur van de tedere liefde Gods, die uit het offer van Golgotha opstijgt. Deze gedachte moet ons geloofsfundament zijn bij onze geloofswandel en gebed (1Kor.2:2 + 3:11); dan zal bij heiligmaking, rechtvaardigmaking en arbeid in de kracht van God nimmer de verzoeking tot hoogmoed, waartoe satan ons brengen wil, in ons post kunnen vatten.
Specerij kaneel is de gedroogde binnenbast van de scheuten van de kaneelboom, is zoet van smaak en heeft GENEESKRACHT in zich. Het symboliseert de zoete Liefde Gods, ook ten opzichte van lichamelijke ziekten.
Specerij kalmoes wordt vervaardigd uit een welriekende, geneeskrachtige, maar bittere wortel van een aronskelk-achtige waterplant, die oorspronkelijk in het oosten voortkomt. Het vertelt ons van het bittere lijden van Jezus in Zijn kruisoffer, maar ook van Zijn grote liefde voor de verloren zondaar, die dit voor Hem heeft willen volbrengen. Ook vertelt de kalmoeswortel ons, dat Goddelijke genade ons pas wordt geschonken na de bittere erkenning van zondaarschap (1Joh.1:9). Het vertelt ons dat er genezing is door de bitterheid van het kruis van Jezus!
Kassie is een specerij vervaardigd uit de lange peulachtige vruchten van de kassieboom. Hiertoe werden het merg en de pitten gebruikt. Zij wordt nu ook tot zoete drop vervaardigd. Deze zoete kassie is een symbool van Gods GENADE.
Olijfolie is olie verkregen door persing van olijven. Ze typeert Jezus, Die de pers van Golgotha alleen heeft getreden (Jes.63:3a). Jezus is de Oliekruik, Die in verbinding staat met de Gemeente (de Kandelaar) uit Zacharia 4:2.
Deze specerijen en deze olie werden samen verwerkt tot de “heilige zalfolie”, die “kunstig gemaakt werd naar apothekerswerk” tot HEILIGING van instrumenten en objecten, net als de priesters die dienst deden in de tabernakel. Deze ZALFOLIE symboliseert de Heilige Geest, Die hier op aarde de verworvenheden van Jezus Christus door Zijn kruisoffer op Golgotha uit moet delen aan alle zondaren, die zich in geloof en in aanvaarding van Jezus’ offer tot God bekeren; en de DOOP in de Heilige Geest, die de wedergeboren mens moet zalven tot medewerker van de Geest bij de redding van zielen.
De 3000 halve sikkels (Exod.30:10-16) vertellen ons, dat die zalving met de Heilige Geest 3000 jaren zullen duren (2000 jaren van de bedeling van de Heilige Geest + de 1000 jaren van het Godsrijk hier op aarde).

Tabernakel symbolieken blz 30
De deur van het Israëlitisch heiligdom

.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

***********************************************************************************

[1] Antitype = Een persoon of ding voorgesteld of voorafschaduwd door een type of symbool; vooral een figuur in het Oude Testament met een tegenhanger in het Nieuwe Testament. (noot AK)

.

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat
  8. De WONING of eigenlijke tabernakel

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Geestelijke groei, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

Hoeveel tijd rest ons nog?

29_getuigen_aardse_roeping

Beste vrienden, ik kan het niet nalaten om nog iets te lezen uit de gewijde bladzijden van Gods Woord. Door alles heen is het Woord van God suprême [1] en dus: boven alles verheven. Het is heerlijk, het is zelfs een gebod, om elkander lief te hebben. Maar het heerlijkst van alles is als wij door de Heer niet alleen gevoed mogen worden, maar door Zijn Woord ook Jezus leren kennen. Hèm te kennen, is het eeuwige leven! De apostel Paulus roept dan ook uit: “Opdat ik Hem mag kennen, en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap met Zijn lijden, doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig word” (Filippenzen 3:10). [2] Glorie voor God!
Wij leven in moeilijke tijden, wij leven in sombere dagen. Wij leven in dagen, waarin een zeer grote en belangrijke vraag dagelijks zich aan ons opdringt. Tijden waarin wij mensen toch al zo in beslag worden genomen door de veel en allerlei zorgen des levens. En ieder op zijn eigen terrein. Maar wij worden dikwijls toch ook zo in beslag genomen dat ook op dat terrein, waar wij ons ook mogen bevinden, die vraag zich aan ons opdringt, omdat het een jachtige tijd is, een woelige tijd. En die zeer grote en belangrijke vraag is deze: “Hoeveel tijd rest ons nog?” De superieur zegt het bij het maken van zijn plan en de ondergeschikte, die opgedragen wordt het plan ten uitvoer te brengen, zegt het ook. Maar een ieder, bij hetgeen hij te doen vindt op zijn weg, wordt hiermee geconfronteerd. En men zal toch antwoord moeten vinden op de vraag: “Hoeveel tijd rest ons nog?” En deze vraag wordt actueel en hoogst belangrijk omdat, in deze dagen waarin wij leven, deze vraag in direct verband staat met de wederkomst van Jezus, als de grootste gebeurtenis van alle tijden. Halleluja! Prijst God! Als wij hierop “amen” kunnen zeggen, wilt u dan met mij Gods Woord opslaan bij Mattheüs 24 vers 36: “Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar alleen aan Mijn Vader.”

Jezus’ wederkomst

Hebben wij dat goed gehoord? Dan is het ook niet moeilijk voor u en voor mij om te leren inzien, dat er een dag is en dat er ook een uur is. De dag en het uur van Jezus’ wederkomst. Een dag die bepaald is, een uur dat vastgesteld is, maar waarvan alleen maar God de Vader weet in Zijn profetisch raadsplan van verlossing. Gelooft u dit? Tóón dat, door nooit mensen te geloven die zeggen: “morgen komt Hij” of “daar en daar verschijnt Hij” of “daar is de Christus” of “daar loopt Hij”. En als wij misschien niet meer met één, maar misschien met duizenden te maken krijgen in deze lage landen aan de zee, bidt God dan en zeg: “Here, toont U toch Uw waarheid. En werkt U, Heer, door degenen, die U toebehoren”. Opdat zij zullen kennen: Jezus, de Zoon en eniggeborene van de Vader. Prijst Gods wonderbare Naam! Mijn broeder en zuster, deze God, Die zegt dat alleen maar de Vader weet van de dag en het uur, is dezelfde God van Wie u leest in het boek Genesis, waarmee de Bijbel opent en waar ons wordt verteld dat God hemellichamen heeft geschapen. Hij bedoelde met die schepping gezette tijden te doen zijn. Als God dit doet in Zijn machtige schepping, zou u dan denken dat deze God niet zuiver de tijd weet waarop Hij Zijn Zoon zal weder-zenden? Halleluja, prijst Zijn wonderbare Naam! Het was met de eerste komst van Jezus zo, en de Here Jezus kwam precies op tijd. Glorie voor God! En ofschoon er machtige profeten met machtige profetieën zijn geweest, die alle eeuwen door hebben gesproken dat de Messias moest komen, toch was het alleen maar God Die wist “wanneer”. Zij hebben wel geprofeteerd van “een maagd zal zwanger worden” (Jesaja 7:14). Zeshonderd jaar voordat Christus geboren werd in Bethlehems stal profeteerde Jesaja van de komst van Jezus, de Messias. Maar, niemand wist te zeggen, hoe, waar precies, op welke wijze, op welke tijd. God alleen wist dat. U kunt dat ook lezen in Gods Bijbel.

De volheid van de tijd

Paulus heeft dat geschreven aan de Galaten. In de Galatenbrief, hoofdstuk 4 vers 4, daar staat geschreven: “En toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon gezonden, geboren uit een maagd, geboren onder de wet”. (SV)
Dit was Gods tijd toen, toen de “volheid des tijds” gekomen was. Mijn broeder en zuster, net zoals toen God niet alleen bepaalde dat Hij geboren zou worden uit de maagd Israëls, maar ook zuiver heeft bepaald het uur en de dag en de plaats van Zijn geboorte, zo heeft God ook alles genoteerd staan betreffende de wederkomst van Christus. De Here zegt u dat van die dag en dat uur niemand weet, dan alleen maar de Vader. En het is zo wonderlijk om in het Woord van God te mogen constateren, dat deze God, met zo’n wonderlijk raadsplan van verlossing, waarin gezette tijden kunnen worden onderscheiden, dat deze God toch dingen doet die dikwijls maken dat de mensen zeggen: “Waar blijft nu de dag van Zijn komst? Gelijk gisteren is het vandaag al net zo”. En “waarom dit” en “waarom dat?”
Ik kan u een voorbeeld geven uit de schrift. God riep Abraham uit Ur der Chaldeeën en God beloofde aan hem en zijn zaad het land Kanaän als het land van belofte, overvloeiende van melk en honing, dat zij in bezit zouden nemen. En mijn broeder en zuster, niettegenstaande deze wonderbare en vaste belofte van God – waarin ik geloof, als een kind Abrahams, naar het geloof dat God het waar zal maken – heeft God Zijn volk Israël gebracht in ballingschap, weliswaar verborgen in Gosen (te Egypte) voor 400 jaar, maar zij waren slaven! God leidde ze later uit Egypte, ja. Maar zij moesten toen toch nog 40 jaar wonen in de barre woestijn. En als we ons afvragen: “Waarom heeft Hij toch dit alles zó gedaan en waarvoor? Wat was toch het doel?” Dan lees ik het antwoord in Gods Bijbel, in Genesis 15 vers 16. Daar verklaart God dit en zegt dan: “Omdat de ongerechtigheid van de Amorieten tot nog toe niet gekomen is tot voltooiing”. En wij leren uit al deze vaste uitspraken uit Gods profetisch plan van verlossing, dat God Zijn kinderen ièts doet kennen, ièts doet weten. Gelukkig maar! Zegt de apostel niet en zeggen wij het hem niet na: “Wij zien alsnog maar in een duistere rede, als in een spiegel”. Maar dit maakt uw en mijn hart begerig. Dit weinige versterkt uw hart en houdt mijn geest vaardig en doet ons uitzien naar die blinkende Morgenster van eeuwige hoop en zaligheid, Jezus Christus! Wat God geeft is net genoeg, om u getrouw te houden, als u wilt. Zeg niet: “Ik kan niet”. Als u uzelf dan onderzoekt zult u moeten erkennen: “ik wìl niet”! Want daar zijn nog altijd dingen in uw leven die u meer liefhebt dan Jezus! U heeft Hem wel lief, u heeft Jezus lief, maar dat vraagt God niet. Wat vraagt God dan wel? God vraagt: “Heeft u Mij liever dan al die andere dingen?” U moet Hem liever hebben dan wat ook maar op aarde, wetende dat alles wat u ziet eenmaal ten onder gaat, ook uw eigen lichaam, maar Jezus Christus nimmer. Prijst Zijn wonderbare Naam! God heeft Zich niet vergist, vroeger niet, met de eerste komst van Jezus Christus niet en met Zijn wederkomst ook niet.

De tijd van kristallisatie

Nu vraagt u misschien: “Hoe zullen wij die dag en dat uur toch weten te onderscheiden?” God vraagt u te letten op wat de mens noemt – of hij nu leeft in de wereld of een kind van God is – “de kristallisatie van gedachten en daden”. En als u kijkt naar de wereldling, zijn wetenschap en techniek, dan ziet u alles tot een climax komen. Ik noem dit een climax, waarom? Omdat wij de wereld in een toestand zien komen, waarin de wereldling grijpt naar dingen, haakt naar werelden die hem nooit gegeven zijn, noch om te bewonen, noch om te vertoeven, anders dan als wedergeboren mens (= een verwijzing naar de toen in opkomst zijnde ruimtevaart). En daarom zie ik, dat de wereldling in deze laatste dagen zijn hoofd en hart vult met alles wat hij zich kan toe-eigenen om toch maar te kunnen komen tot die hoogten, die eenmaal een God, neerblikkende vanuit de hemel in de dagen van Noach, deed zeggen: “De wereld is vol van boosheid en van wrevel”. Herinnert u zich dat Jezus gezegd heeft: “En zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen” (zie Lukas 17:26). Niet anders! En hoe staat het dan met de kinderen Gods? Ook daar kunnen wij een climax zien die haast eindigt. Ook vele kinderen Gods zien wij hun hoofd en hart vullen, hoe langer hoe meer. En nu leeft u in de dagen – dat, als u tenminste mag verstaan door de opening van Zijn Woord in uw hart en leven wat de Geest van God van u wil – dan zal Hij dat wat u denkt en wat u ziet, in Zijn Naam, doen komen tot kristallisatie. Dat zal Hij vaste vorm, vaste gedaante doen aannemen.
Mijn broeder en zuster, u heeft God te vragen in deze dagen: “Wat wilt U van mij?” Halleluja! Straks zal de Tabernakel Gods wonen bij de mensen (de Bruidsgemeente)!  Prijst God! Zoals u nu een tempel van God bent, de Tempel van de levende God, niet met mensenhanden gemaakt, maar gebouwd door de Heilige Geest. Nu bent u Zijn Tempel op deze aarde. Het is Zijn Lichaam, het is Zijn Heiligdom. En u allen bent levende stenen, zegt de brief aan de Efeziërs. U allen neemt uw plaats daarin in. Diezelfde plaats is voor u weggelegd, o kind van God, in die Tabernakel van God, want wij maken deel uit van Zijn mystiek Lichaam. Het gaat erom dat u weet, en u kunt het weten, wáár Hij komt en op welke plaats. En als u met God te rade gaat vandaag en de Geest van God tot u wil doen getuigen, Hij zal u leiden in alle waarheid. Hij zal u zeggen: “Mijn kind, Ik wil uw leven zo graag plaatsen in het teken van die Gouden Kandelaar. [3] En Ik wil u een getuigenis meegeven, niet gewoon, maar een getuigenis dat lichtend zal zijn voor de glorie van God”. En zo zal Hij Zich met een ieder van ons bemoeien. God weet van tijden en gelegenheden, en Hij heeft door vele monden willen spreken en spreekt vandaag de dag nog, want het getuigenis van Jezus Christus is de geest der profetie, in Zijn Lichaam, in dat Heiligdom van God.

Meerdere genade

Aan sommigen geeft Hij meer genade. Een Bijbelse illustratie is deze. Profeten Gods hebben van Jezus’ komst gesproken, hebben gesproken van Bethlehem Efratha, enzovoorts. Maar ook in die dagen leefden mensen, mensenkinderen zoals u en ik, aan wie ook meerdere genade geschonken werd. En wij zien op een bepaalde dag een oude man, halleluja, aan wie de Heilige Geest had geopenbaard, dat hij de dood niet zou smaken eer hij de Christus van God zou hebben aanschouwd. Wij zien Simeon, in de tempel, meerdere genade genietende dan één van de profeten, en wij zien hem Jezus in zijn armen nemen en we horen hem bidden: “Nu laat U, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, volgens Uw woord, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,” (Lukas 2:29-30). Halleluja. Wij hebben Gods Woord, de kristallisatie van Gods gedachten, van Gods hart, halleluja. En God wil dat hetzelfde zal komen in uw hart en leven, opdat wij – in onderscheiding en afzondering levende van een wereld die in het boze ligt en die verloren gaat – zullen komen tot het vullen van hoofd en hart met de levende dingen van Gods Woord, halleluja. Het mag anderen dwaasheid lijken, maar de dwaasheid der prediking zal u zalig maken! Glorie voor Jezus! Halleluja!
Mijn broeder en zuster, ja, prijst God! En nu gaat het erom in deze laatste dagen om in die onderscheiding en die afzondering te leven waardoor u beter zult leren zien wàt u scheidt van de wereld. Eenmaal volgde u Jezus, in Zijn dood, door de doop. Eenmaal heeft u gezegd: “Neem de wereld en geef mij Jezus!” Wat de wereld u tòen aanbood, wordt u nòg steeds aangeboden, maar zij brengt u tot de climax van vertwijfeling en dood. Hoe geweldig ook de roem, hoe hoog ook de vlucht van de wetenschap, God heeft bepaald, dat Zijn Raadsplan van Verlossing nimmer zal worden afgesloten met de glorie van de mens. Wij zullen straks kennis nemen, kennis moeten nemen, van de glorie van Jezus. Zelfs zij die Hem doorstoken hebben, zullen Zijn komst aanschouwen in heerlijkheid. Zijn Woord spreekt: alle knie, of je wilt of niet, zal buigen voor Jezus Christus in het stof. Gòd zegt het en, boven alle mensen, geloof ik Gòd! Halleluja! God en Zijn Woord zijn één en nimmer te scheiden. Halleluja!

Bereidt u voor!

Mijn broeder en zuster, hoeveel tijd rest ons nog in verband met wat ik u vertel?
Waarom? Hij kòmt! Hij zàl komen! Hoeveel tijd rest u nog? Ons rest nog net genoeg tijd om ons te bekeren tot de enige en waarachtige God en om te geloven in Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft! Nog is de boodschap van Johannes de Doper van kracht in deze laatste dagen: Bekeert u, maakt rechte paden, ruim op de oude dingen, grijp naar het eeuwige leven!
Bekeer u,… Maak de weg van de Heere gereed, maak Zijn paden recht.” (Mattheüs 3:2-3).
Hoeveel tijd rest ons nog, bruidskinderen van God? Net nog zoveel tijd dat wij kunnen voortgaan, allen schouder aan schouder en hand in hand, om te blijven jagen naar de vrede met allen en de heiligmaking, zonder dewelke niemand de Here zien zal! Halleluja. Laat God u vinden in die conditie, wachtende en verwachtende, wetende dat de tijd is kort.

Sterk zijn in de verwachting

Mijn broeder en zuster, ik zal u dit illustreren met een zekere gebeurtenis. Dit spréékt beter tot u en tot mij. Daar was eens een jonge vrouw en zij was verloofd met een zeeman. En de dag kwam dat die zeeman moest zingen, wat velen in onze dagen ook dikwijls moeten zingen: “Vaarwel, Marie, ik moet je nu verlaten”. Ja, dat is het afscheidslied van menige zeeman. Die dag kwam, dat uur kwam, van scheiding. En deze zeeman zou een verre reis maken naar het Heilige Land (= de staat Israël)… Doch in ieders hart leefde de hoop dat zij elkander zouden weerzien. En hij maakte die reis. En hij liet een wachtende aanstaande bruid achter. Wat gebeurde er? Haar vrienden, haar vriendinnen, haar familieleden, begonnen haar – de één na de ander – schouderophalend en meewarig aan te kijken. Zij hield maar niet op met te spreken van haar aanstaande bruidegom, de reeds vertrokken zeeman. Zij hield maar niet op met op hem te blijven hopen en te vertrouwen op de trouwbelofte die hij haar eenmaal had gedaan. En zij begonnen haar uit te lachen en te beschimpen (= bespotten). Zo gaat het in de wereld. Tot op een dag, toen zij wou demonstreren hoe groot haar verwachting was. Zij ging naar dat strand, vanwaar zij dat schip had zien vertrekken, en zij sprokkelde wat brandstof eigenhandig bij elkaar en zij stak de vlam erin. En als de wind kwam aanwaaien, dan wakkerde dat vuur aan. En die uitslaande armen, waren als gretige armen uitgespreid naar een zeeman die verwacht werd door een (liefhebbende) vrouw, die stond bij dat vuur. Zo was haar leven, zo was haar getuigenis. Mijn broeder en mijn zuster, eenmaal, tegen alle verwachtingen en hoop in van familie en verwanten en kennissen en vrienden, kwam die zeeman terug en hij deed zijn woord gestand. Zij huwden met elkander en beleefden de heerlijkste tijd van hun leven.

De komende Bruidegom

Mijn broeder en zuster, de grootste wet in het universum van God is de wet van de offerande. Halleluja. Zij offerde, hij offerde en zij vonden elkander, in een wonderbare, gezegende en heerlijke tijd.
Mijn broeder en zuster, Paulus spreekt tot ons dat hij zich heeft voorgenomen en geen ander verlangen kent dan om ons voor te stellen als een reine maagd aan één Man, Jezus Christus. En ook deze Man maakte een verre reis. Net als die ene zeeman ging ook Hij naar dat heilige land, dat wij noemen: de hemel van God. Maar Hij ging niet zomaar weg. Hij deed de achterblijvende, Zijn verloofde, Zijn Bruid c.q. Bruidsgemeente een belofte: “Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe (SV: Ik kom weder tot u).” (Johannes 14:18). Prijst God, halleluja! En later nog heeft Hij gezegd: “Zie, Ik kom spoedig (Openbaring 3:11 +  22:20). Amen?? Prijst God!
Mijn broeder en mijn zuster, eenmaal komt de dag der dagen, zegt Gods Bijbel, waarop Hij komen zal met grote heerlijkheid en kracht, om tot Zich te nemen een Bruidsgemeente – die Hij verwacht te zullen vinden met alle blijdschap, met een levende hoop – uitziende naar Zijn wederkomst, naar Zijn terugkomst. Hij verwacht u en mij met dàt in ons hart wat ons dagelijks zal doen bidden door de Heilige Geest: “Kom spoedig, Heer Jezus. Kom spoedig, Here, opdat er een eind komt aan alle tranen, opdat er een eind komt aan alle weedom (= smart, lijden, droefheid, verdriet). Opdat alles, o Here, wat nu aanschouwd wordt als in een duistere rede, als in een spiegel, ons zal worden: dat wonderbare beeld van U, als komende Bruidegom!” Halleluja. En Hij zàl komen. Prijst Gods wonderbare Naam! Lees de Bijbel en wordt overtuigd, halleluja. En als Hij komt, uw Bruidegom, dan zal Hij een naam dragen, die op Zijn dijen zal geschreven zijn: Het Woord Gods” (Openbaring 19:13). En op Zijn kleed en Zijn dijen zal geschreven staan, dat Hij heet: “Koning der koningen en Heere der heren” (Openbaring 19:16). Halleluja!

Wordt vervuld met de Geest!

Verwacht u Hem zo? Als dit zo is, dan is deze vraag door u te beantwoorden: “Hoeveel tijd heb ik nog?” U heeft nog maar een korte tijd, mijn broeder en zuster. Maar, uitgerekend nog nèt genoeg om gezamenlijk te blijven jagen naar de vrede en de heiligmaking, zonder welke niemand de Here zien zal. Laat de tijd niet onbenut voorbij gaan. Glorie voor Hem. Ja, vraag God, “O, Heer, dat mijn olie (beeld van Gods Geest, de Heilige Geest) niet zal ontbreken, als U komt”. Halleluja. Laat u door God verzegelen, mijn broeder en zuster. Halleluja. Want ontvangende de Heilige Geest in uw hart en in uw leven, is Hìj Degene Die u prepareert voor die wonderbare dag der dagen, voor dat uur, dat het meest waardevolle zal zijn in Gods Raadsplan van Verlossing… Maranatha, Jezus komt! En als wij dit allen geloven, laten wij, levende en gedreven wordende door deze heilige verwachting, onszelf reinigen van alle besmetting van vlees en geest, vervolmakende de weg van heiligmaking in de vreze Gods. En begin daar waar u de Heilige Geest volop gelegenheid kunt geven om het te doen in u en in mij. Begin met in oprechtheid te eten en te drinken van het Avondmaal van het Lam, halleluja, Jezus Christus, geslacht voor onze zonden. Prijst God!
Willen wij dit allemaal doen?
Moge de Here u door deze korte boodschap rijkelijk zegenen!

CJH Theys
Uit: Tempelbode, febr./april 1986
Enigszins bewerkt door A. Klein

**********************************************************************************

[1] Suprême = (o.a.) Opperwezen, het hoogste gezag of de hoogste autoriteit. (noot AK)
[2] Alle Bijbelteksten zijn door mij vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)
[3] Zie eventueel hoofdstuk XII, over ‘De lichtende gouden kandelaar” in onze studie De Tabernakel van Israël (Gods profetisch model van de geestelijke ontwikkelingen van een waarachtig kind van God, tot in alle volmaaktheid toe), van E van den Worm. En/of hoofdstuk XIV, over ‘De gouden Kandelaar’ in onze studie Christus in de Tabernakel (een uitgebreide uitleg over de diep-geestelijke betekenis van de verschillende Tabernakel-objecten), van CJH Theys. (noot AK)

.

Geplaatst in Bijbelstudie, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, de Heilige Geest, Eindtijdstudie, Genadetijd Gods, Studie van CJH Theys, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Tabernakel symbolieken (8): De WONING of eigenlijke tabernakel

Dekkleden (2)

Deze eigenlijke tabernakel werd verdeeld in:

  • het heilige en
  • het heilige der heiligen of allerheiligdom.

Dit deel van de tabernakel van Israël wordt ook wel WONING genoemd, omdat God toen in het achterste deel ervan ook WOONDE:

  • “En zij moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen.” (Exod.25:8)
  • “HEERE van de legermachten, God van Israël, Die tussen de cherubs troont…” (Jes.37:16a).

Tab Syb blz 22De ligging van de eigenlijke tabernakel
te midden van het tabernakelterrein

Deze eigenlijke tabernakel werd aan de noord-, west- en zuidzijde afgesloten door 48 berderen (= houten planken: 20 aan de noordzijde, 20 aan de zuidzijde en 8 aan de westzijde), die zoals wij reeds eerder zagen, waarschijnlijk alleen aan de BINNENkant, bekleed waren met GOUDplaten. Ook stond elke berd, door middel van 2 sporten, geschoeid in 2 ZILVEREN voeten.
Deze berderen werden, zoals reeds gezegd, aan elkaar verbonden door middel van 5 richels (= dwarsbalken) van sittim-/acaciahout, overtrokken met GOUD.
Deze 4×12 berderen beelden de WERELDWIJDE broederschap in Christus uit van Geestvervulde kinderen Gods. 12 is het (Bijbelse) getal van de Gemeente/Kerk, van de volle Goddelijke werkingen door het Woord in die Gemeente/Kerk. En 4 vertelt ons van de 4 windstreken. Daarom spreekt het getal 48 van de WERELDWIJDE BROEDERSCHAP in Christus.
Elke berd stond op 2 ZILVEREN voeten, zo staat elke Geestvervulde Christen op Gods Woord van verzoening, tot uitdrukking gebracht door het Oude- en het Nieuwe Testament.
De berderen waren met GOUD overtrokken; aan dit (gouden) heiligdom hebben Geestvervulde Christenen deel, die een Geestvervuld LEVEN leiden.
Ook wordt deze wereldwijde broederschap aan elkaar verbonden door de hechte BLOEDBANDEN van Golgotha, een eenheid in de Heilige Geest, nadat het bloed van Golgotha de Christenen heeft verlost van hun eigen IK-wil. Hiervan spreken de 5 richels – aan de noord-, west- en zuidzijde – die met GOUD (beeld van het leven in en door de Geest) waren overtrokken.
Deze woning van God, die typerend staat voor de ganse Geestvervulde broederschap, maar ook voor elke Geestvervulde Christen als individu (Ef.2:22) wordt aan de bovenzijde afgedekt door een 4-tal overdekkende kleden (Exod.26:1-14).

Het eerste overdekkende kleed, dat direct over de tabernakel lag, was het tabernakelkleed, waarvan wij de beschrijving reeds in het 3de hoofdstuk van deze studie gaven.
De in de tabernakel komende priester werd, omhoog blikkend, de kleuren en hiermee het Wezen van Jezus voor ogen gehouden; dezelfde kleuren die hij zag in de VOORHANG (= het gordijn tussen het heilige en het allerheiligdom) vóór hem, als in de DEUR, die hij net had gepasseerd. Het WIT spreekt van de REINHEID en GERECHTIGHEID van Christus, waarmee ook Hij moest worden bekleed. Het BLAUW spreekt van de Goddelijke OPSTANDINGSKRACHT van Jezus, waarmee ook Hij moest worden aangedaan. Het ROOD spreekt van Zijn LIJDEN voor onze zonden, zoals ook Hij van Zijn zonden moest worden verlost. Het PURPER spreekt van Zijn KONINKLIJKE GENADE, die ook Zijn deel moest worden. Ook waren, in dit tabernakelkleed, Cherubim (= veelal engelen, als dragers van Gods heerlijkheid – AK) van GOUDdraad er doorheen geborduurd, als om aan te tonen dat de Volheid des Geestes Gods kinderen in dit alles wil leiden tot in al de volheid van God toe (Ef.3:19).
Cherubim zijn hemelse Wezens die òf uitingen zijn van de Godheid Zelf (Gen.3:24), òf een engelenmacht (Ezech.28:14) òf geheiligde mensen (Openb.4:6-8), die VOL zijn van de Godheid Zelf.
Alzo moet ook het kind van God, voortschrijdende op de geloofsweg van het Woord, een vaste GELOOFSBLIK verkrijgen op onze Overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus (Hebr.12:1-3). Hij moet OMHOOG blikken en zoeken de dingen, die BOVEN zijn (Kol.3:1-3).
Wij stellen dus vast dat dit eerste kleed een GELOOFSKLEED is, waarmee ook elke Christen overdekt moet worden.
Wij zagen reeds dat dit kleed moest worden samengesteld uit 2×5 gordijnen. 5 is het (Bijbelse) getal van de VERZOENING. Deze 2 samengestelde kleden vertellen ons èn van het GELOOF in Jezus (Rom.3:28), èn van de GELOOFSWERKEN die een gevolg zijn van dit geloof (werken van de NIEUWE MENS in Jezus Christus; Jak.2:14-17).
Precies onder de samenvoeging van deze 2 kleden hing de voorhang of het voorhangsel (= een dik en zwaar gordijn), dat scheiding maakte tussen het HEILIGDOM en het ALLERHEILIGDOM, en dat in tweeën scheurde toen Jezus stierf aan het kruis (Matth.27:51, Hebr.10:20).
Deze samenstelling van tabernakelkleden en voorhangsel tonen ons aan dat de verlossing en de vernieuwing door het GELOOF en de daaruit voortvloeiende GELOOFSWERKEN van de nieuwe mens alléén een vrucht zijn van Jezus’ verzoenend kruis en dat niets daarvan een vrucht mag zijn van EIGEN WERKEN!
Ook werden deze beide samengestelde kleden aan elkaar verbonden door 50 blauwe striklisjes (= lussen, met een strikje) en 50 GOUDEN haakjes. Dit GOUD wijst heen naar het Werk van God in ons en 50 vertelt ons van Pinksteren, de INWONING van de Geest, Die het GELOOF èn de GELOOFSWERKEN van het kind van God wil en zal leiden naar hun volheid.

Tabernakel symbolieken blz 23
GELOOF (zonder de werken)  –  Geloofswerken van de NIEUWE mens in Christus

Geloof in Jezus Christus en Zijn verzoenend (kruis)offer op Golgotha mag ons niet in de ZONDE en in de OUDE MENS laten, maar moet ons brengen in de NIEUWE MENS in Christus die door het GELOOF leeft in de KRACHT en in de KLEDEREN van Jezus en die, in Christus zijnde, de WERKEN doet der bekering waardig (Matth.3:8, SV).
De 50 verbindende gouden haakjes, de 50 hemelsblauwe striklisjes en het voorhangsel vertellen ons, dat het Evangelie van Jezus’ OPSTANDING (hemelsblauw), het BLOED van Golgotha (voorhangsel) en de Heilige Geest (het getal 50 en het GOUD) één en dezelfde werking hebben; namelijk: de VERLOSSING en VERNIEUWING van de mens door het geloof (1Joh.5:8).

Het tweede overdekkende kleed was een KLEED van geweven geitenhaar. Ook dit kleed bestond, zoals wij reeds eerder zagen, uit 2 samengestelde kleden, waarvan het eerste kleed één gordijn van 4 el LANGER was dan het andere en dus ook 4 el langer dan het tabernakelkleed, waarvan de kleden even lang waren.
Dit EXTRA gordijn lag, zoals wij reeds in hoofdstuk 3 van deze studie zagen, “dubbel recht voorop de tent”; waarschijnlijk werd het bij regenweer in schuine stand opgesteld en zo als scherm gebruikt ter bescherming van de fraai geborduurde DEUR, waarboven dit extra-gordijn “dubbel” lag en waarover het, in schuine stand gebruikt, hing.
HAAR staat in de Bijbel typerend voor de REINHEID of HEILIGHEID van God.

  • haar van de vrouw (beeld van de Gemeente); één der kleden van Gods HEILIGDOM (1Kor.11:5-6);
  • een Nazireër mocht zijn haar niet afscheren (Num.6:5);
  • de 7 haarlokken van Simson; beeld van de 7 Geesten Gods (6:5), de Heilige Geest (Richt.16:17-21).
  • haar van de Bruid = als een kudde geiten die het gras van Gilead afscheren (Hoogl.4:1 + 6:5).
  • als een Israëliet MELAATS werd (beeld van: zondig, onrein), moest hij zijn haar afscheren (Lev.14:8-9).

Dit geitenharenkleed werd ook in 2 samengestelde kleden verdeeld van respectievelijk 6 en 5 gordijnen (van 4 el per gordijn). Deze kleden staan typerend voor het kleed der HEILIGHEID en de werken der HEILIGHEID, die uit het eerste voortvloeien.
Dit geitenharenkleed werd ook wel het kleed der hoop genoemd. De hoop op de wederkomst des Heren en de daarna volgende EEUWIGHEID werkt namelijk HEILIGHEID (reinheid) uit (1Joh.3:2-3).
Het extra-gordijn dat “dubbel recht voorop de tent” lag, boven de deur van de tent der samenkomst, geeft ons te kennen, dat HEILIGHEID twee aangezichten heeft; namelijk één gericht naar God (heiligmaking) en één gericht naar de medemensen (vrede met allen; Hebr.12:14). HEILIGHEID (reinheid) moet men niet ervaren als kluizenaar, maar vooral temidden van de medemensen, in CONTACT met ELKANDER (elk ander)!
Al deze “geestelijke klederen” zijn klederen door God geschonken en zijn stuk voor stuk HEERLIJKHEIDSKLEDEREN van God Zelf, die Hij door GENADE van Zijn kant – en door INGANG in de door God gegeven genade van onze kant – aan ons geeft (Joh.17:22, Openb.19:8). Ze zijn dus geen mensenmakelij. Wat de mens kan doen is waardeloze NAMAAK (“schijnheiligheid”).
De verbindingen van deze geitenharenkleden bestonden uit 50 KOPEREN haakjes en 50 striklisjes. De haken moesten in de striklisjes worden gedaan. Wij weten dat KOPER in Gods Woord spreekt van OORDEEL over de zonde. Elke ONHEILIGHEID in de werken moeten door Gods Geest (het Bijbelse getal 50) worden veroordeeld (koper), waardoor de band met de HEILIGHEIDSWERKEN in stand blijft na BELIJDENIS van zonde (1Joh.1:9, Ps.32:5, Spr.28:13).

Het derde overdekkende kleed was een kleed van aan elkaar genaaide ROODGEVERFDE, gelooide ramsvellen, waarvan de wol afgeschoren was.
Dit overdekkende kleed staat typerend voor de Liefde Gods, die in onze harten wordt uitgestort (Rom.5:5).
De LIEFDE heeft ook twee aangezichten. Ze richt zich enerzijds tot God (Matth.22:37-38, de “eerste liefde”, Openb.2:1-7; de liefde die men nimmer mag verlaten, wil men de eindbestemming bereiken), anderzijds tot de medemens (de naaste).
“U zult uw naaste liefhebben als uzelf” (Matth.22:39b, HSV), is door Jezus vervolmaakt in Johannes 13:34-35 en 2 Korinthe 5:14,

  • “Een nieuw gebod geef Ik u, namelijk dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, moet u ook elkaar liefhebben. Hierdoor zullen allen inzien dat u Mijn discipelen bent: als u liefde onder elkaar hebt.” (Joh.13:34-35, HSV)
  • “Want de liefde van Christus dringt ons, die tot dit oordeel gekomen zijn: als Eén voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven.” (2Kor.5:14, HSV)

De Liefde Gods is mateloos, daarom worden van dit overdekkende kleed geen maten genoemd. Vergelijk 1 Korinthe 13:4-8a voor de kwaliteiten van het kleed der Liefde Gods: “De liefde is geduldig, zij is vriendelijk, de liefde is niet jaloers, de liefde pronkt niet, zij doet niet gewichtig, zij handelt niet ongepast, zij zoekt niet haar eigen belang, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad, zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. De liefde (Gods) vergaat nooit…”
De Liefde Gods uit zich tot God in OVERGAVE en (toe)WIJDING tot de dienst aan God. Daarvandaan dat RAMSvellen werden gebruikt. Het plaatsvervangend offer dat Abraham van God kreeg was een RAM (Gen.22: 7-13). Ook vertellen de 2 RAMMEN bij de priesterwijding (Exod.24:15-19) van OVERGAVE en (toe)WIJDING.
De Liefde Gods uit zich tot de mensheid in REDDING door het Evangelie èn daadwerkelijke materiële hulp waar nodig.
Het tabernakelkleed, het geitenharenkleed en het kleed van roodgeverfde ramsvellen vertellen ons van de geestelijke kleden van geloof, hoop en liefde, waarvan de LIEFDE, als een vrucht van de eerste twee, de MEESTE is (Kor. 13:13).

Het vierde overdekkende kleed was een kleed, door de Statenvertalers vertaald met “dassenvellen” en in de NBG-vertaling omgezet in “tachasvellen”. Het waren zeer waarschijnlijk zwarte (grauwe) of zwartgeverfde huiden van zeekoeien, die in grote menigte in de Rode Zee voorkwamen en voorkomen. Het lag over het derde kleed heen en was aan 3 zijden, als een scherm, schuin gespannen door middel van koorden en koperen pennen in de grond vastgemaakt.
Dit laatste kleed is absoluut storm- en winddicht en spreekt aan de ene kant van ABSOLUTE BEWARING in de Schuilplaats van de Allerhoogste (Ps.91, 1Thess.5:23). Aan de andere kant spreekt het zwart (grauw) – dus de ONAANZIENLIJKE kleur – van oordeel over de zonde; een oordeel dat het Lam van God in Zijn volle zwaarte op Golgotha droeg (Jes.52:14 + 53:2-11), waardoor de mensheid door Hem werd VERZOEND met God (2Kor.5:19).
Ook Zacharia 2:5 spreekt van deze BEWARING (“een vurige muur rondom”) door de vurige liefde Gods op Golgotha.
Indien deze verzoening in en door Christus wordt VERWORPEN, komt Gods OORDEEL onverminderd neer op het eigen hoofd van de zondaar (Hebr.10:31, Joh.3:36).
Daarom spreekt dit kleed van zowel Gods BEWARING als van Gods OORDEEL!

De dekkleden van de tabernakel

BESCHRIJVING:
a)  zilveren voeten,
b)  gouden richels (= dwarsbalken),
c)  middelste doorlopende richel,
d)  pilaren van de deur,
e)  onderste kleed (tabernakelkleed),
f)  tent van geitenhaar, aan de deur overhangend,
g)  deksel van rood geverfde ramsvellen,
h)  deksel van de dassenvellen.

Tabernakel symbolieken blz 26

.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

******************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar
  7. Het koperen Wasvat

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Geestelijke groei, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

Een blik op de Bruidsgemeente

72_toegerust_volk

Het grote thema van de eindtijd

Over de Bruidsgemeente [1] is al veel gesproken en geschreven. Het is niet verwonderlijk dat zij in onze dagen een steeds vaker wederkerend onderwerp van prediking en gesprek is. Wij gaan naar het einde van de huidige tijdsbedeling en de Bijbel leert dat Gods Heilige Geest in die dagen een Bruid zal toebereiden voor God de Zoon. In Openbaring 22 [2], het laatste hoofdstuk van de Bijbel, horen wij de Geest en de Bruid of Bruidsgemeente samen hetzelfde zeggen in vers 17: Kom.
De Bruid zal vol zijn van de Heilige Geest. [3] De toebereiding voor en het verlangen naar de wederkomst van Jezus [4] is een werk van de Heilige Geest in de Bruid van Christus. Met onuitsprekelijke verzuchtingen zal de Geest door de Bruid heen bidden [5] en op machtige wijze zal Hij door haar heen werken. Het feit dat de Bijbel hiermee eindigt, doet ons verstaan dat de toebereiding van de Bruidsgemeente hèt grote thema van de eindtijd zal zijn. Tegen het einde der tijden zal de mens als het ware toe zijn aan het laatste onderwerp van de Schrift, dat waarmee zij besluit. De Heilige Geest leidt thans Gods kinderen om veel bezig te zijn met deze dingen. Wij doen er goed aan om ons daartegen niet te verzetten om aan andere dingen prioriteit te verlenen. Juist voor de Gemeente van het laatste der dagen is het hoogst noodzakelijk om te luisteren naar wat de Geest tot haar zegt:
“Wie oren heeft, laat hij (of: zij) horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.” (Openbaring 2:7+11+17+29 en 3:6+13+22) [6]

Één aspect

Als ik nu heden te kennen geef met u een blik te willen werpen op de Bruidsgemeente, wil ik daarmee dus niet de indruk wekken alsof ik met u een vrijwel onbekend onderzoeksterrein betreed. Evenmin is het mijn voornemen om een totaalbeeld van deze Bruidsgemeente te geven. Het is trouwens onmogelijk om in een kort bestek alle facetten van dit onderwerp te belichten. Het is mijn bedoeling één aspect van dit zo rijke onderwerp met u te bekijken. Eén van de talrijke aspecten maar, doch niettemin een heel belangrijk aspect, zo zal blijken.

De profeet Zefanja over de Gemeente van onze dagen

Hiervoor gaan wij naar het boek Zefanja en lezen eerst Zefanja 3 vers 12: “Maar Ik zal in uw midden doen overblijven een ellendig en arm volk. Zij zullen op de Naam van de HEERE vertrouwen.
De profeet Zefanja leefde in de dagen van koning Josia in Juda, aan de vooravond van de wegvoering van een deel van Juda in Babylonische ballingschap. Het waren de dagen waarin God afscheid nam van het volk Israël als Bruid en de stad Jeruzalem als verzinnebeelding daarvan. Dit afscheid “proeven” wij als het ware in het boek Zefanja. Bittere woorden spreekt God hier. Doch aan de kim (= in het zicht) van een verre toekomst verschijnt voor het profetisch oog een nieuwe Bruid, de Gemeente van Jezus Christus. Het Jeruzalem van Zefanja, in hoofdstuk 3, is niet meer de stad van die (in de oudheid zo genoemde) naam in Palestina (of: Kanaän), maar de geestelijke “stad die boven op een berg ligt” (Mattheüs 5:14 [7]), gevormd door de discipelschare van Jezus. Deze “stad” is de nieuwe Bruid: “Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en die twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheimenis is groot; maar ik (= Paulus) spreek met het oog op Christus en de Gemeente.” (Efeze 5:31-32)
Ons valt echter op dat over dit geestelijke Jeruzalem [8], in de eerste 7 verzen van Zefanja 3, door God eveneens met afschuw gesproken wordt: “Wee de rebelse, de besmette, de stad die onderdrukt! 2 Zij luistert niet naar de roepstem (Gods), geen vermaning aanvaardt zij (SV: zij neemt de tucht niet aan). Op de HEERE vertrouwt zij niet, tot haar God nadert zij niet. 3 Haar vorsten zijn in haar midden brullende leeuwen. Haar rechters zijn avondwolven, die tegen de morgen niets meer te knagen hebben (SV: die de beenderen niet breken tot aan de morgen). 4 Haar profeten zijn lichtzinnig, mannen vol trouweloosheid. Haar priesters ontheiligen het heilige, zij doen de wet (van God) geweld aan. 5 De rechtvaardige HEERE is in haar midden, Hij doet geen onrecht. Elke morgen brengt Hij Zijn recht aan het licht (SV: allen morgen geeft Hij Zijn recht [Zijn rechte onderwijzing] in het licht), er ontbreekt niets aan. Maar wie onrecht doet, kent geen schaamte. 6 Ik heb heidenvolken uitgeroeid, hun hoektorens zijn verwoest. Ik heb hun straten leeggemaakt, niemand trekt er nog doorheen. Hun steden liggen in puin; er is niemand meer, geen enkele inwoner. 7 Ik zei: Nu zult u Mij zeker vrezen, u zult de vermaning aanvaarden (SV: gij zult de tucht aannemen), opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden, hoe Ik haar ook gestraft zou hebben. Toch waren zij er vroeg bij, zij hebben totaal verderfelijk gehandeld.” (Zefanja 3:1-7)
De verdorvenheid van het Jeruzalem van Zefanja’s tijd wordt geprojecteerd op de eindtijd van onze tijdsbedeling, waarin dat andere Jeruzalem, de Gemeente van Jezus Christus, naar een vergelijkbare staat van zondigheid zal zijn afgegleden. De klachten en verwijten die hier, in Zefanja 3:1-4, aan het adres van de Gemeente van de eindtijd worden gericht dienen wij met aandacht te lezen.
Wij zullen ontdekken dat hier inderdaad het grote verval van de Gemeente van onze tijd wordt uitgebeeld en ontleed. Een haarscherpe analyse van de tekortkomingen van de huidige Gemeente/Kerk treffen wij hier aan. Degenen die menen dat alles zo goed gaat tegenwoordig in de Gemeente en denken dat de opwekking al aan de gang is zullen, dit lezende, wel even met de ogen knipperen! En centraal staat het verwijt: Op de HEERE vertrouwt zij niet (vers 2). Hier komen wij straks op terug.

Een HEILIG overblijfsel

Waarover gaat het nu precies in Zefanja, hoofdstuk 3? Wij lezen hier over de grote afval van het geloof (in God en gebod) van de laatste dagen en vervolgens over de profetische tijd van het oordeel Gods over het huis Gods. Dit is het oordeel dat de Christelijke wereld (vooral het “Huis van Israël”, de verloren gewaande 10 stammen [9]) en in het bijzonder de Gemeente des Heren (het Huis Gods) zal treffen in het laatste der dagen. Dit oordeel komt vóór de Spade Regen-opwekking. [10] En het zal scheiding brengen in de Gemeente. [11] Het zal tot de algehele reiniging van “het Heiligdom” leiden: “Hij zei tegen mij: Tot 2.300 avonden en morgens. Dan zal het heiligdom in rechten hersteld (SV: gerechtvaardigd) worden.” (Daniël 8:14 + uitleg). Zie ook Zefanja 3:7a, waar God zegt: “Ik zei: Nu zult u Mij zeker vrezen, u zult de vermaning aanvaarden (SV: gij zult de tucht aannemen), opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden…”.
Daarna zal de Gemeente – althans een overblijfsel ervan – als een reine Bruid zijn en in de opwekkingstijd, die dan volgt, zal zij met hemelse heerlijkheid bekleed worden. Het kleed van “zon, maan en sterren” zal haar bruidsgewaad zijn: “En er verscheen een groot teken in de hemel: een vrouw [12], bekleed met de zon, en de maan was onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.” (Openbaring 12:1 + uitleg)
Dat reine volk, dat dan overblijft, daarover spreekt Zefanja 3:12 en daarvan wordt dan gezegd dat ze op God zullen vertrouwen:“Maar Ik zal in uw midden doen overblijven een ellendig en arm volk. Zij zullen op de Naam van de HEERE vertrouwen.
Volgens Zefanja is dit de meest kenmerkende eigenschap. Letterlijk staat er: “…Zij zullen op de Naam van de HEERE vertrouwen.” Hierdoor wordt aangegeven dat Christus dan nog niet wedergekomen is. Het is nog de tijd van verwachten, van uitzien naar de wederkomende Christus. De “Naam” is een andere wijze van tegenwoordig zijn dan de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus. Het vertrouwen in die wonderbare Naam zal tot uiting komen in een handelen en arbeiden in de Naam des Heren met autoriteit, de krachtvolle laatste-dagen-bediening van de Bruidsgemeente van Christus, onder andere bedoeld in de eerder aangehaalde tekst uit Openbaring 22 vers 17: “En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En laat hij (of: zij) die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; en laat hij die wil, het Water des Levens nemen, voor niets.”
Ik wijs u er verder op dat van deze Bruidsgemeente (in Zefanja 3:12a) ook wordt gezegd dat het “een ellendig en arm volk” zal zijn. Het zal, naar menselijke maatstaven gemeten, een arm en miserabel groepje zijn, maar – door dat rotsvast vertrouwen – rijk naar de Geest! Precies het tegenovergestelde van de Laodicea-gemeente, de Gemeente van de “dwaze maagden”. [13] Zie Openbaring 3 vers 17: “Want u zegt: Ik ben rijk en steeds rijker geworden en heb aan niets gebrek, maar u weet niet dat juist u (geestelijk gezien) ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt bent.”

Een arm, maar toch rijk volk

Laodicea is naar aardse maatstaven “rijk”. De Bruidsgemeente echter zal geen grote, rijk en goed georganiseerde Gemeente zijn, maar een armzalige hoop, bestaande ook uit “niet vele rijken, niet vele edelen, niet vele machtigen”, uit mensen die in het oog van de wereld en van de zelfgenoegzame Christenen “dwazen” zullen zijn. Maar wijs bij mensen is dwaas bij God en omgekeerd! Groot mag het tekort zijn van deze Bruidsgemeente aan alles wat een kerk moet bezitten om in menselijke ogen te kunnen meetellen, rijk zal zij zijn aan Gaven en Werkingen van de Heilige Geest. [14] Zo weinig als zij zal hebben aan menselijke kracht, zoveel te meer zal zij bezitten aan Gòddelijke kracht. En een wonderbare eenheid zal zij kennen, niet door menselijke organisatie, maar door de inwonende Geest van God, want in Openbaring 22:17a staat: de Geest en de Bruid zeggen:…”. Volmaakt één zullen die beiden zijn en alle gelovigen verenigd in deze Bruid zullen door die ene Geest, die hen allen vervult en leidt, volkomen één zijn van zin en gemoed.
Van deze Gemeente zal in de volste zin van het woord gelden, allen tot één Geest gedrenkt”: “Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van (SV: tot) één Geest doordrenkt (SV: gedrenkt).” (1 Korinthe 12:13)
Tot”, dat wil zeggen: zij zijn één Lichaam van die ene Geest geworden. Allen zullen zo vol zijn van de Heilige Geest, dat zij niet meer zelf handelen, maar de Heilige Geest in hen en omdat allen dezelfde Geest hebben, zullen zij ook als één man (= eensgezind van Geest) handelen.

De afvallige Gemeente/ Kerk

Wie enig geestelijk inzicht heeft, zal kunnen vaststellen dat de verzen 1 t/m 4 van Zefanja 3 in enkele rake trekken de geestelijke gesteldheid weergeven van het overgrote deel van de huidige Gemeente. Hier wordt de droevige geestelijke staat van de Gemeente beschreven in de tijd vóór de opwekking en iemand met een gezalfd oog ziet: “Het gaat over onze tijd! Wat hier opgesomd wordt is in de huidige Gemeente/Kerk gemakkelijk te herkennen:

  1. Het is een “rebelse” of rebellerende gemeente. Ze is voortdurend in opstand tegen het gezag van het Woord en van de Heilige Geest. Door Jezus aangestelde en met de Heilige Geest gezalfde arbeiders worden tegengewerkt. Hun leiding wordt niet geaccepteerd. Vandaar Gods belofte aan het handjevol getrouwen dat in de Spade Regen-tijd hun door God gegeven leraars niet meer verborgen zullen zijn: “De Heere zal u wel geven brood van benauwdheid en water van verdrukking, maar uw leraren zullen zich niet langer verbergen: uw ogen zullen uw leraren zien.” (Jesaja 30:20)
  2. Het is een “besmette” gemeente, een zondigende, geestelijk bezoedelde gemeente, waarin ten aanzien van de zonde de grootst mogelijke tolerantie aan de dag gelegd wordt. Hoe anders zal de uiteindelijke Bruidsgemeente eruit zien, die “zonder smet of rimpel” zal zijn: “Opdat Hij (= Jezus Christus als Bruidegom) haar in heerlijkheid voor Zich zou plaatsen, een gemeente zonder smet of rimpel of iets dergelijks, maar dat zij HEILIG en smetteloos (SV: ONBERISPELIJK) zou zijn.” (Efeze 5:27)
  3. Het zal een gemeente van “verdrukkers” zijn, vol van menselijke clubjes of kliekvorming, die de macht in handen willen hebben, die willen heersen over de anderen en die erop staan dat het in de gemeente zó toegaat zoals zij dat willen. Deze praktijken nemen wij heden overal waar, steeds vaker.
  4. Het is een ongehoorzame gemeente: “Zij luistert niet naar de roepstem (Gods), geen vermaning aanvaardt zij” (Zefanja 3:2a), een gemeente die niets wil weten van tucht. [15]
  5. Het is ook een gebedsarme gemeente, wat tot uitdrukking komt in de woorden: “tot haar God nadert zij niet” (Zefanja 3:2c).

En hoor dan wat over haar ‘geestelijke leiders’ wordt gezegd in Zefanja 3 en 4: Lichtzinnigheid, trouweloosheid en onheiligheid zijn hun voornaamste eigenschappen en verder denken ze alleen maar aan eigen gewin, aan “buit”. Het zijn wolven in schaapskleren”. [16] Zij bedrijven koophandel met de zielen. Zo is het gesteld met vele geestelijke leiders van dit moment. En denkt nu niet, dat het hierbij gaat om gehate dwingelanden, dictators, neen, het zijn lieden die aanbeden worden en op een voetstuk worden gezet! Pas daarom op voor mensverheerlijking! Nogmaals, al deze dingen zijn voor het geestelijk geoefend oog waarneembaar in de huidige Gemeenten/Kerken. Alleen dat ene: “Op de HEERE vertrouwt zij niet (Zefanja 3:2b), is dit niet iets dat moeilijk vast te stellen is? Begeven wij ons hier niet op een terrein dat zich aan onze beoordeling onttrekt?

Een hoogst belangrijke zaak

Toch brengt nu juist dit aan het licht hoever de Gemeente, in het algemeen gesproken, van haar Heer verwijderd zal zijn in die dagen. En dit is het verwijt wat in Zefanja 3 de meeste nadruk krijgt. In vers 12 wordt alleen nog gezegd van het getrouwe overblijfsel, dat dit wel op de Here zal vertrouwen: “Maar Ik zal in uw midden doen overblijven een ellendig en arm volk. Zij zullen op de Naam van de HEERE vertrouwen. (Zefanja 3:12)
Naar de andere zonden en tekortkomingen van de Gemeente in de tijd van de afvalligheid (van God en gebod) wordt niet meer verwezen. Dit leidt ons niet alleen tot de gevolgtrekking dat er toch zekere tekenen moeten zijn waaraan dit gebrek aan vertrouwen te herkennen is, maar bovendien leren wij hier, dat dit vertrouwen kennelijk een zeer belangrijke zaak is, misschien wel het allerbelangrijkste voor de Gemeente. Om hierover zekerheid te hebben, moeten wij ons afvragen wat dit “niet vertrouwen op de Here” eigenlijk inhoudt.

Geen vertrouwelijke omgang

Als de Gemeente niet meer vertrouwt op de Here, wil dat zeggen dat er geen vertrouwelijke omgang meer is tussen Jezus en Zijn Gemeente (Zefanja 3:2). Zij laat zich dan niet meer door Hem behoeden en leiden. Zij gaat haar eigen weg. Het is dan niet verwonderlijk, dat zij op dwaalwegen terechtkomt: “Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan: Mij, de Bron van Levend Water, hebben zij verlaten, om zich bakken uit te hakken, lekkende bakken, die geen water houden.” (Jeremia 2:13)
Verleiders en dwaalleraren doen dan goede zaken. De Gemeente, zoals hier in Zefanja beschreven, is eigenlijk als een vrouw die haar man heeft verlaten. Zo komt hier de Bruiloft van het Lam in het perspectief, zij het op een nogal ongebruikelijke manier. Vertrouwen is de hoeksteen van het huwelijk, dat een “trouwverbond” is. Elk verbond dat mensen met elkaar aangaan is een kwestie van vertrouwen. Vertrouwen dat men niet iets verzwegen heeft, dat men te goeder trouw is. Vertrouwen dat men zijn beloften en verplichtingen ook zal nakomen, enz.
Maar dit geldt in de sterkste mate voor het meest ingrijpende, maar ook schoonste verbond dat mensen met elkaar kunnen sluiten, namelijk het huwelijk. Het huwelijk staat of valt niet eens allereerst met trouw, maar met vertrouwen. Ontrouw ruïneert een huwelijk, maar na belijdenis en vergeving kan er herstel zijn en een nieuw begin. Wantrouwen echter haalt het fundament voor het huwelijk weg. Een gebouw zonder fundament kan niet bestaan. En betrekken wij nu dit alles op Christus en de Gemeente, zo is het niet moeilijk om in te zien, dat door dit wegvallen van het vertrouwen in de Here het niet mogelijk is om de Bruid van Christus te zijn en om deel te hebben aan de Bruiloft van het Lam.

Een Gemeente/Kerk zonder Christus

Nog iets dieper moeten wij echter op de zaak ingaan. Want al probeert de satan te verhinderen, dat er straks een Bruid voor Christus zal zijn, God Zelf zal ervoor zorgen, dat er toch een volkje zal zijn, dat op de Here vertrouwt, bij de wederkomst van Christus: “Maar Ik zal in uw midden doen overblijven een ellendig en arm volk. Zij zullen op de Naam van de HEERE vertrouwen.” (Zefanja 3:12)
Maar een grote groep van gelovigen zal niet tot deze Bruidsgemeente behoren, omdat zij dit vertrouwen niet bezitten. Reeds hierboven gaf ik aan, dat wij hierbij niet te doen hebben met een betrekkelijk onschuldig verzuim. Maar wij moeten nog iets concreter worden. Wij kunnen zeggen, dat een Gemeente die niet vertrouwt op haar Heer, daarmee haar Heer opzij heeft geschoven! Ze heeft innerlijk met Hem gebroken. Het is een Gemeente/Kerk zònder Christus! Dit is Laodicea! Het is de toestand waarin de Laodicea-gemeente zich bevindt, de zogenaamd rijke, maar in wezen lauwe kerk, die “uitgespuwd” zal worden (wat wil zeggen dat ze de Grote Verdrukking in zal gaan en buitengesloten wordt van het huwelijk met Christus). Tot deze (lauwe) Gemeente zegt Jezus: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem gebruiken (SV: tot hem inkomen, en ik zal met hem avondmaal [17] houden), en hij met Mij.” (Openbaring 3:20)
Christus staat hier, bij Laodicea, buiten de deur. Al spreken zij in deze Gemeente nog zoveel over Christus, dat neemt niet weg dat zij Hem buiten de deur hebben gezet, zij hebben Zijn tegenwoordigheid onmogelijk gemaakt. Door trouweloze handel, maar vooral doordat zij innerlijk met Christus gebroken hebben. Om nu terug te keren tot Zefanja 3, duidelijk worden hier zowel de “wijze maagden-gemeente” als de “dwaze maagden-gemeente” onderscheiden. [18] En wij zien dat, of wij tot de ene of de andere gemeente zullen behoren, alles te maken heeft met de vraag: “Vertrouwen wij nog waarlijk op God?

Vertrouwen wij op God?

De blik die ons heden door God in Zijn Woord vergund werd op de Bruidsgemeente, als een volk dat waarachtig vertrouwt en leunt op Christus – “Wie is zij die daar opkomt uit de woestijn, (lieflijk) leunend op haar Liefste?” (Hooglied 8:5a) – heeft daarom ook een omgekeerde werking, als een blik in onze eigen ziel en op ons eigen leven. Willen wij tot deze Bruidsgemeente behoren, dan zullen wij moeten leven en werken in waarachtig vertrouwen op onze Overste Leidsman en de Voleinder van ons geloof. [19] Vertrouwen op Hem alleen! Alles in ons leven moet in het teken staan van dit vertrouwen. Een oppervlakkige, formele band met Christus, zoals de meeste christenen hebben – in vele gevallen is die naam “christen” zelfs de enige band – is niet voldoende. Waar het op aan komt is: leven en arbeiden wij in volledig vertrouwen op God? Niet vertrouwen op getroffen regelingen of op goede connecties met mensen om zekerheid te hebben. Dit is allemaal “stro”:
“Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro, ieders werk zal openbaar worden. De dag zal het namelijk duidelijk maken, omdat die in vuur verschijnt. En hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven. Als iemands werk dat hij op het fundament gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen. Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Hijzelf echter zal behouden worden, maar wel zo: als door vuur heen.” (1 Korinthe 3:12-15)
Houdt u niet vast aan strohalmen! Al haalt u zich de woede van allen op de hals, omdat u weigert om God ongehoorzaam te zijn, al zijn uw tegenstanders en haters even groot in aantal als het zand aan de oever van de zee en komt u vrijwel alleen te staan, omdat u van geen enkele tegemoetkoming aan het vlees wilt weten, vertrouw op God, en geen mens of duivel kan u wat doen!
Paulus schreef eens: “Ja, wij hadden voor ons eigen besef het doodvonnis zelf al ontvangen, opdat wij niet op onszelf zouden vertrouwen, maar op God, Die de doden opwekt. Hij heeft ons uit zo’n groot doodsgevaar verlost, en Hij verlost ons nog. Op Hem hebben wij de hoop gevestigd dat Hij ons ook verder verlossen zal. (2 Korinthe 1:9-10)
Dàt is dat ware vertrouwen, waarin eenmaal ook de Bruidsgemeente zal staan, als de draak vlak voor haar staat (Openbaring 12:1-6 + 15-17 + uitleg), maar wat de Heer ook nu reeds van al Zijn oprechte discipelen vraagt. Dit vertrouwen hebben wij nodig, nù! Het is van groot belang daadwerkelijk te vertrouwen op God. Doordat hij God vertrouwde, kon Abraham gehoorzaam zijn, zelfs toen hij zijn zoon Izak moest offeren. Omdat hij God vertrouwde, was Paulus niet bevreesd tijdens de storm op zee. Zonder te vertrouwen op God, kunt u niet waarachtig geloven.
Wijlen broeder CJH Theys zei: “Geloven kunt u, als u God genoegzaam hebt leren kennen om Hem ten volle te vertrouwen”. En dit vertrouwen ontvangt u en blijft in u, wanneer u niet, zoals de gelovigen te Laodicea, Christus op enigerlei wijze terzijde schuift, maar Hem op de troon van uw hart laat zitten, als u zich in alles aan Hem onderwerpt. Laat Christus in u leven en heersen. Vraag Hem u te leiden. Steeds meer zult u Hem liefhebben. En u zult tot dat kleine volk behoren dat met “kleine kracht” [20] grote overwinningen [21] zal behalen!

H. Siliakus
Uit: Tempelbode, april/juni 1986
Enigszins bewerkt door A. Klein

PDF (in tablet of smartphone-formaat)

***********************************************************************************

[1] Zie eventueel onze studie Er komt spoedig een Goddelijke Bruiloft hier op aarde van E. van den Worm. (noot AK)
[2] Zie eventueel onze studie met ‘vers voor vers’ UITLEG van het Bijbelboek Openbaring 22 van E. van den Worm en/of Openbaring 22 van CJH Theys. (noot AK)
[3] Zie eventueel onze studie De werkingen van de Geest in de eindtijd van E. van den Worm en/of De natuurlijke mens en de Heilige Geest en/of De Gever en Zijn Gaven van CJH Theys. (noot AK)
[4] Zie eventueel ons artikel De Wederkomst van Christus nader bekeken van A. Klein. (noot AK)
[5] Zie eventueel onze studie Leer bidden van CJH Theys. (noot AK)
[6] Alle Bijbelteksten zijn door mij vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)
[7] Mattheüs 5:14, U (= Jezus’ discipelen) bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn.” (noot AK)
[8] Zie eventueel onze studie Het nieuwe Jeruzalem, de Bruid van het Lam van God, het Lichaam van Christus van E. van den Worm. (noot AK)
[9] Het volk van Israël bestaat uit de 12 stammen, vernoemd naar de 12 zonen van Jakob (die later van God de naam Israël kreeg). Maar later komt er een splitsing. Er wordt in de Bijbel dan onderscheid gemaakt tussen het ‘huis van Israël’ en het ‘huis van Juda’ (de zgn. Joden). Het ‘huis van Israël’ bestaat uit 10 stammen, die in de loop van de geschiedenis weggevoerd zijn uit het beloofde land Kanaän/Palestina. Zij zijn daarna de zgn. heidenwereld ingetrokken, waar zij tot op heden (in het ‘verborgen’, vaak zonder het zelf te weten) wonen. Het zijn vooral de zgn. ‘christelijke’ landen in Noordwest Europa en de landen, waar velen later naar toe zijn gemigreerd, zoals Amerika, Canada, en Australië. Het ‘huis van Juda’ bestaat uit 2 stammen, namelijk het volk van Juda en Benjamin die, in de dagen dat Jezus op aarde was, in het beloofde land Kanaän/Palestina leefde. Het ‘huis van Juda’, de zgn. Joden, is dan ook het deel van Israël waarover de verharding is gekomen (zie Rom. 11:25).
Het huidige land Israël (waar heden voornamelijk de 2 stammen van het ‘huis van Juda’ – de Joden – wonen) doet thans haar rechten gelden op het land Palestina. Historische rechten, waarvan we ook lezen in de Bijbel. Als de tijd daar is dat het profetisch Woord vervuld wordt, dan kan het niet anders of geheel Israël (alle 12 stammen) zal uiteindelijk in bezit komen van geheel Kanaän/Palestina en van de stad Jeruzalem (zie Gen.15:18). Abrahams nakomelingen zouden volgens de Goddelijke belofte het land Kanaän bewonen. Dat land zou zich uitstrekken van de beek van Egypte (een kleine rivier ten oosten van de Nijl) tot aan de rivier de Eufraat. Voor ons zijn het tekenen dat we in de (Bijbelse) ‘laatste dagen’, vlak voor de wederkomst van Jezus, leven. Daarom is het juist in deze tijd belangrijk om na te gaan wat de Bijbel over deze dingen zegt.
–> Zie eventueel op onze website het artikel ANDER nieuws over Israël – De zoektocht naar de Israëlische identiteit van ALLE 12 stammenvan A. Klein.
Over dit boeiende onderwerp kan ik het volgende boek aanbevelen: De geschiedenis van Kelto-Saksisch Israël, zie meer info hierover via: http://vlichthus.nl/de-geschiedenis-van-kelto-saksisch-israel/ (noot AK)
[10] Zie eventueel ons artikel De Spade Regen opwekking (in tablet of smartphone-formaat) van H. Siliakus. (noot AK)
[11] Zie eventueel ons artikel Drie grote toekomstige scheidingen van H. Siliakus. (noot AK)
[12] Zie eventueel ons artikel Wie is de VROUW uit Openbaring 12 ? van A. Klein. (noot AK)
[13] Zie eventueel ons artikel Een ANDER geluid – Het verschil tussen het ‘Lichaam van Christus’ en de ‘Bruid van Christus’ (over de 5 wijze en 5 dwaze maagden en hun eigen lotsbestemmingen in de eindtijd) van E. van den Worm / A. Klein. (noot AK)
[14] Zie noot 3.
[15] Zie eventueel ons artikel Gemeentelijke tucht van CJH Theys. (noot AK)
[16] Zie eventueel ons artikel De verborgen ONgerechtigheid (De valse arbeiders in een Gemeentelijke bediening), van CJH Theys. (noot AK)
[17] Zie eventueel onze studie Door de Geest van God geroepen tot deelname aan het Avondmaal van de Bruiloft van Gods Lam… van E. van den Worm. (noot AK)
[18] Zie eventueel onze studie De 5 wijze en 5 dwaze maagden, en hun eigen lotsbestemmingen in de eindtijd van E. van den Worm. (noot AK)
[19] Zie eventueel onze studie Jezus, onze Leidsman Verlosser, Zaligmaker, Heiligmaker en Volmaker van E. van den Worm. (noot AK)
[20] Openbaring 3:8, “Ik ken uw werken. Zie, Ik heb voor uw ogen een geopende deur gegeven en niemand kan die sluiten, want u hebt weinig (SV: kleine) kracht en toch hebt u Mijn Woord in acht genomen en Mijn Naam niet verloochend.” (noot AK)
[21] Zie eventueel onze studie De overwinnaars; over (de macht van) zonde en satan in de eindtijd van E. van den Worm. (noot AK)
.

Geplaatst in Bijbelstudie, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, Gods Geest/De Heilige Geest/Geestesgaven etc., Studie van H Siliakus, Wederkomst van Christus, Werkers in Gods dienst | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (7): Het koperen Wasvat

Wasvat02

“En de HEERE sprak tot Mozes: U moet vervolgens een koperen wasvat maken, met een bijbehorend koperen voetstuk, voor het wassen. En u moet het plaatsen tussen de tent van ontmoeting (SV: tent der samenkomst) en het altaar, en er water in doen, zodat Aäron en zijn zonen hun handen en voeten met water daaruit kunnen wassen. Wanneer zij de tent van ontmoeting binnengaan, moeten zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven. Of wanneer zij tot het altaar naderen om dienst te doen door een vuuroffer voor de HEERE in rook te laten opgaan, moeten zij hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven. Dit is een eeuwige verordening (SV: inzetting) voor hen, voor Aäron en zijn nageslacht, al hun generaties door (SV: en zijn zaad, bij hun geslachten).”
(Exodus 30:17-21, HSV)

 Tabernakel symbolieken blz 20
Het wasvat van het Israëlitisch Heiligdom

Het WASVAT was van koper gemaakt van de “spiegels der te hoop komende (HSV: spiegels van de dienstdoende) vrouwen” (Exod.38:8). Alzo had de wijsheid des Heren het gewild. Het water, waarmee het wasvat werd gevuld, diende, zoals wij hierboven in Exodus 30 hebben gelezen tot REINIGING, hetgeen symboliek staat voor VERGEVING en VERLOSSING van zonden. Het “water” wijst heen naar het badwater des Woords (Ef.5:26).
Het WASVAT, dat het WATER moest bevatten, wordt in deze symboliek met dat WATER vereenzelvigd; en beeldt dus met dat water het Reinigende en Verlossende Woord des Heren uit. Vandaar dat het wasvat gemaakt werd van de (koperen hand-)SPIEGELS van de vrouwen.
Het Woord van God is ons immers tot een SPIEGEL, om erin te zien:

  • dat wij ZONDAREN zijn en van welke ZONDEN wij moeten worden VERLOST en hoe Gods PLAN is om deze verlossing te bewerkstelligen,
  • waarin het KINDSCHAP Gods bestaat, waartoe de Here ALLE mensen roept (1Tim.2:4),
  • welk EEUWIG lot God Zijn kinderen heeft beschoren (1Kor.13:12, 2Kor.3:18, Jak.1:23).

Het WASVAT beeldt de dood en opstanding in Christus uit; het daadwerkelijk afsterven van de zonde in ons, van de “oude mens”; èn het opstaan in het NIEUWE LEVEN met Hem (Rom.6:1-4, Kol.2:12, Filip.3:10-11, Tit.2:14, Zach.2:14), het één plant met Hem hierin zijn (Rom.6:5). Dit vindt zijn uitdrukking en zijn bezegeling in de WATERDOOP, een ordinantie van God, die wij hebben te ondergaan voor het aangezicht van God onder getuigenis van medegelovigen (Matth.3:13-15).
Door deze WATERDOOP wordt de gelovige – mede door de hierop volgende GEESTESDOOP, waarmee de waterdoop één geestelijk geheel vormt (Ef.4:5) – in het geestelijk Lichaam des Heren toegevoegd (1Kor.12:13).
Wij hebben met ALLES wat in ons is achter deze reiniging van zonden te staan; ja ook met betrekking tot de INNERLIJKE, voor het oog van de mensen verborgen AFDWALINGEN (Ps.19:13-14 + 139:23-24).
Zulk een OVERGAVE aan de genadewerkingen Gods, in Christus Jezus, leidt tot het NIEUWE LEVEN in Heiligmaking, Liefde Gods en Vrede met allen, dat IN en DOOR Christus wordt ervaren en dat door de INGANG in het heiligdom, de “deur”, en het eigenlijke heiligdom erna, wordt uitgebeeld.

Heiligdom

Tabernakel vanbinnen met goud bekleed

De PLAATS van het wasvat, namelijk na het brandofferaltaar en vóór het eigenlijke heiligdom, heeft haar symbolische waarde. Immers het brandofferaltaar spreekt van GELOOF in Jezus’ zoenoffer en dat de ganse RECHTVAARDIGMAKING hierop berust (Rom.9:30). Het WASVAT daarentegen vormt een beeld van het RESULTAAT van dat geloof in het individuele leven van de gelovige. Het spreekt van de persoonlijke VERGEVING en VERLOSSING van het “oude (zondige) leven” en het (af)sterven hieraan, terwijl het ook spreekt van een OPSTANDING in het nieuwe Leven met God, van WEDERGEBOORTE in en door Hem.
Het is door gebrek aan deze persoonlijke REINIGING en HEILIGING, dat Joël Gods oordeel moest aanzeggen aan het volk van God, en waarom de priesters juist TER PLEKKE van het WASVAT moesten komen met hun geween en gesmeek voor Gods volk (Joël 2:17). Het is ook de plaats waar de profeet Zacharia werd gedood (Matth.23:35), als wilde God hiermee getuigen, dat Zijn volk Hem enkel met de mond vereerde en dat zij hun hart verre van Hem hielden (Matth.15:8).
Ook spreekt het wasvat van DAGELIJKSE reiniging in het bloed van het Lam (Exod.30:20-21, Joh.13:10, Luk.9:23), immers geen priester kon zijn dagelijkse werk verrichten bij het brandofferaltaar of in het heiligdom zonder eerst zijn handen en voeten te wassen, op straffe des doods!
Zo óók kunnen wij in het geheel geen arbeid voor Christus verrichten met een ONREINE handel en wandel, met een onrein geweten, omdat elke zonde ons van God scheidt (Jes.59:2). Vergelijk hiermee 1 Timotheus 1:19 en 2:9. Doen wij zulks toch, zo zullen wij geestelijk STERVEN, omdat dan het geweten wordt TOEGESCHROEID – 1Tim.4:12) en de boze ons dan van dienst zal zijn, ons makende tot leden van zijn verborgenheid der ongerechtigheid (2Thess.2:7, Matth.7:2-23).
Het wasvat is het tegenbeeld van de “glazen zee” in het hemelse Heiligdom (Openb.15:2). Ook hier is er sprake van OVERWINNING over de zonde, te weten over de verleiding en dwang van de antichrist.
Het wasvat was het laatste object dat in de voorhof stond. Na passering van het wasvat ging men het eigenlijke heiligdom in, door de tweede voorhang, de DEUR geheten.
Na de reiniging van ons geweten in het bloed van het Lam, na de verlossing van de zonde, als wij in geloof en overgave ons aan Christus hebben gegeven, kunnen wij het geestelijke Heiligdom ingaan, hetgeen in feite gebeurt, als wij worden GEDOOPT in de Heilige Geest. Hiermee wordt het NIEUWE LEVEN in God pas waarlijk in Zijn Liefde en kracht ervaren. Dit wordt door de DEUR en de ANDERE OBJECTEN in (het heiligdom van) de tabernakel gesymboliseerd.

  • “Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees, en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God, laten wij tot Hem naderen (SV: toegaan) met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water.”
    (Hebr.10:19-22, HSV)

.

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

****************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort
  6. Het koperen Brandofferaltaar

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Geestelijke groei, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Volmaaktheid in Christus, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De pottenbakkerskruik

Pottenbakker

Een voorrecht

In Jesaja 64:8 lezen wij:

  • “Maar nu, HEERE, U bent onze Vader! Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker: wij zijn allen het werk van Uw handen.” [1]

Let eens op de toon van deze tekst en op het verband met wat eraan voorafgaat. Zo dikwijls hebben wij misschien gehoord dat God de Pottenbakker is, en wij het leem zijn, dat wij het “gewoon” zijn gaan vinden. Zo vertrouwd zijn wij geraakt met deze gelijkenis, dat het ons waarschijnlijk ontgaat dat het hier een vóórrecht betreft, waaraan de profeet God op aangrijpende wijze herinnert.
Het volk van Juda was diep gezonken in zonde en ongerechtigheid. Jesaja doet daarom voor God belijdenis van de zonden van zijn volk en smeekt om genade en daarbij komt hij dan tot déze uitroep.
Het is met Gods volk vandaag de dag even droevig gesteld. Is er voor ons heden niet alle reden voor om, het als Jesaja, God – in smeekgebed – eraan te herinneren: “Heer, U bent toch onze Pottenbakker (?), keer U toch niet af van ons, maar ga door met Uw werk aan onze zielen”!
Treffend wordt in deze gelijkenis uitgedrukt de afhankelijkheid en vooral de nietigheid van ons, mensen. Letterlijk uit leem, klei, stof schiep God Adam. “…Stof bent u en u zult tot stof terugkeren” (Genesis 3:19b), en dat geldt voor ons allen. Wij hoeven ons dus niets te verbeelden! En Hij maakte ons lichaam van zo’n geringe afkomst, opdat we zouden beseffen dat alzo gehéél onze persoonlijkheid, geheel ons wezen, zonder Zijn bemoeienis met ons helemaal niets voorstelt! Want uiteindelijk gaat het in onze tekst niet over ons lichaam, maar over ons karakter, onze persoon.

Gods plan met ons

Hoe treffend komt in dit beeld echter ook tot uiting dat God een plàn heeft met ieder kind van Hem. Uit duizenden heeft Hij ieder van ons afzonderlijk op het oog. Hij wil ons gebruiken. Hij wil van ons een “vat ter ere” maken. Hij wil ons tot zegen maken voor anderen. Hij wil bemoeienis met ons hebben. Wat nietig is, kan toch nuttig zijn, als het maar komt in de handen van de Pottenbakker. Wondervol beschreven vinden wij dit plan in 1 Korinthe 1:28-31, waar ook deze nietigheid weer wordt benadrukt (in vers 28):

  • “En het onaanzienlijke (SV: het onedele) van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en wat niets is, om wat iets is teniet te doen, 29 opdat geen vlees voor Hem zou roemen. 30 Maar uit Hem bent u IN Christus Jezus, Die voor ons is geworden wijsheid van God en gerechtigheid, heiliging en verlossing, 31 opdat het zal zijn zoals geschreven staat: Wie roemt, laat hij roemen in de Heere.”

Maar desondanks: God wil iets wonderschoons van ons maken. Gods plan is: Christus IN ons te openbaren. Met een ieder kind van Hem gaat God Zijn eigen weg, maar één ding geldt voor ons allen: het doel van Zijn werk als Pottenbakker is, dat Christus IN ons openbaar wordt. Christus is de Naam van Jezus, zoals Hij Zich door Zijn Heilige Geest in mensen openbaart. God wil ons niet slechts tot návolgers van Jezus maken, neen, Hij wil Hèm, Zijn Zoon, IN ons openbaren! Er staat in 1 Korinthe 1 vers 30: “Maar uit Hem (= door Zijn werk als Pottenbakker aan u) bent u IN Christus Jezus”. En dat wil zeggen, zo wordt eraan toegevoegd, dat Gods wijsheid, Zijn rechtvaardigheid, Zijn heiligmaking en Zijn verlossing in ons worden geopenbaard! Onvoorstelbaar, maar het is zo; Gods Woord zegt het. Welk een genade! Welk een voorrecht!

Gewilligheid vereist

Maar dit gaat niet zomaar vanzelf, als wij eenmaal een kind van God zijn geworden. Aan vele kinderen Gods werkt de hemelse Pottenbakker helemaal niet of niet meer! Willen wij ons in de “werkplaats” van God bevinden, dan is daarvoor nodig dat wij ons WILLEN laten vormen door de handen van de Pottenbakker. Hier komt een verschil met het echte pottenbakkersleem naar boven, dat naar zijn aard passief en “overgegeven” is. Maar zo is het niet met de mens. Daarom, hoe afhankelijk en nietig wij ook zijn, onze Heer kan niets met ons beginnen, als wij niet gevormd WILLEN worden! Zonder dit willen zal onze Christelijke loopbaan voortijdig afgebroken worden.
In Paulus, de grote heidenapostel, zag God al vóór zijn bekering – ook al was hij toen nog vervuld met haat tegen Jezus en een vervolger van de Gemeente – een gewillig hart. De eerste woorden die dan ook over zijn lippen vloeiden, toen hij werd “aangehouden” op de weg naar Damascus, waren: “…Heere, wat wilt U dat ik doen zal?” (Handelingen 9:6a)
En Petrus, de apostel der besnijdenis, was een weerbarstige “klomp leem”, een eigenwijs en onhandelbaar man zouden wij zeggen. Maar wat de mens niet wist, dat wist God: ondanks dit alles was hij gewillig. En aan het meer van Galilea, na de opstanding van Jezus, zien wij Petrus tot vólle overgave komen! Niet daartoe aangezet door dwang, om dit er nog even aan toe te voegen, maar door wáre liefde tot Zijn Heer! Zo moet het ook met ons zijn. Er mogen aan ons vele tekortkomingen en gebreken kleven, maar er moet gewilligheid zijn om gevormd te worden. Die zal er zijn als wij, net als Petrus, onze Heer waarachtig liefhebben.

Eigen wil en vrije wil

Moet dan God niet ook “het willen” in ons werken? Zo staat het toch in Filippenzen 2 vers 13: “want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.” Inderdaad, maar in het voorafgaande 12de vers staat ook: “…werk aan uw eigen zaligheid…”. Het één sluit het ander niet uit. God heeft van ons geen “robots” gemaakt. Naar Zijn beeld geschapen te zijn, houdt ook in, dat wij een eigen wil hebben. De wil is en blijft een deel van onze persoonlijkheid. Als personen hebben wij ook een eigen verantwoordelijkheid. Maar alhoewel wij een eigen wil hebben, dat is nog niet hetzelfde als een vrije wil! Wij hebben geen vrije wil. Wij zijn “verkocht onder de zonde”:

  • “Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.” (Romeinen 7:14)

Van nature willen wij datgene doen wat God mishaagt. Daarom moest Jezus voor ons aan het kruis de macht van de zonde breken. En daarom moet God ook “het goéde willen” in ons werken, scheppen! Geen mens komt tot bekering zonder de werkingen van de Heilige Geest! Slechts onder, en als gevolg van, de genadewerkingen van deze gezegende Geest kan er in het hart van de mens een heilig willen ontstaan. Als het zover is, moet de mens echter zelf in actie komen. Dan is het zaak, dat wij ons met ons gehele wezen aan dit heilige willen onderwerpen. Dit is iets wat de mens moet doen, omdat hij een persoon is. Als wij ons eenmaal overgegeven hebben, dan zal God ons helpen daarin te volharden. Hij werkt ook “het werken in ons. Hij doet dit mede door alles wat zonde en ongerechtigheid is in ons te doden. Dat gaat niet ineens, het is een proces; dit is dat vormende werk van de hemelse Pottenbakker. Het vormen door God is: het doden van de zonde in ons. Vormloosheid, chaos, is zonde.

Niet uitstellen

Dat wij ons dan bewust zullen zijn van het voorrecht om “leem te zijn in Gods hand”! En laten wij onszelf haasten om tot God te zeggen: “…Uw wil geschiede…” (Mattheüs 6:10 en Lukas 11:2). Hoe gevaarlijk uitstel hierbij is, vooral voor ons die leven in de laatste dagen, moge blijken uit het volgende. Zowel in Jeremia 18 als in Jeremia 19 vergelijkt God Juda en Jeruzalem met een pottenbakkerskruik. In beide hoofdstukken waarschuwt Hij, dat Hij haar zal verderven, zoals men een vat verderft. Maar merk nu het verschil op tussen beide hoofdstukken:

  • Het vat verdorven, maar een nieuw vat gemaakt:
    “En het vat, dat hij maakte, werd verdorven, als leem, in de hand van de pottenbakker; toen maakte hij daarvan weer een ander vat, gelijk als het recht was in de ogen van de pottenbakker te maken..” (Jeremia 18:4, SV)
  • Het vat definitief verdorven:
    Dan zult gij de kruik verbreken voor de ogen van de mannen, die met u gegaan zijn; En gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen (HSV: de HEERE van de legermachten)  : Alzo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weer geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth [2] begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven. (Jeremia 19:10-11, SV)

Vanwaar dit verschil? Is hier sprake van tegensprak? Neen, Gods houding was veranderd. En de oorzaak hiervan vinden wij, als wij in Jeremia 18:12 lezen wat de mannen van Juda zeiden: ‘Doe geen moeite, wij luisteren toch niet’!

  • “Daar is geen hoop op, wij volgen immers onze eigen plannen. We doen ieder overeenkomstig zijn verharde, boosaardige hart.” (Jer.18:12)

Precies eender is de houding van vele kinderen Gods vandaag de dag. Er is hier wat dit betreft echter een duidelijke les voor ons allen, namelijk: dat er een einde komt aan het geduld en de genade van God! God zal niet eeuwig met de mens twisten. En tot vele kinderen Gods en tot grote delen van de Gemeente is heden Gods waarschuwing gericht: “…Bekeer u…” (Openb.2:5)
Als wij niet willen gevormd worden en door blijven gaan met onze eigenwillige godsdienst zal God onze kandelaar wegnemen:

  • “Bedenk dan van welke (geestelijke) hoogte u bent gevallen en bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik spoedig bij u en zal uw kandelaar (als Lichtdraagster in Hem) van zijn plaats wegnemen, als u zich niet(Openbaring 2:5)

Wees daarom gewillig. “Wees niet als een paard, als een muildier, dat geen verstand heeft.” (Psalm 32:9a)
En dank Hem, als u gevoelt dat Hij u nog aan het kneden, bewerken, vormen en bijschaven is! Láát u vormen. Zolang u zich niet verhardt, en u laat corrigeren, zal God aan u bezig zijn en genade geven. En bent u geheel gewillig, dan zal Hij ook in u Christus openbaren! Ja, daar zàl straks een Gemeente zijn, die bestaat uit louter zúlke kinderen Gods. Een Gemeente die de volle inwoning van Christus zal kennen en daarom bekleed zal zijn met alle heerlijkheid van God.
Wilt u eenmaal tot deze Bruidsgemeente behoren?
Wees dan als leem in de hand van de Pottenbakker!

H. Siliakus
Uit: Tempelbode, februari 1985
Enigszins bewerkt door A. Klein

PDF (in tablet of smartphone-formaat)

***********************************************************************************

[1] Alle Bijbelteksten zijn door mij vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld. (noot AK)
[2] In de Hebreeuwse Bijbel was Tofet of Tofeth een locatie in Jeruzalem in het Gehinnom, waar gelovigen onder invloed van de oude Kanaänitische religie kinderoffers brachten aan de goden Moloch en Baal door kinderen levend te verbranden. Tofet werd een theologisch of poëtisch synoniem voor de hel binnen het christendom. (noot AK)

.

Geplaatst in Bijbelstudie, Gehoorzaamheid aan God, Studie van H Siliakus | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (6): Het koperen Brandofferaltaar

BrandofferAltaar02

U moet ook het (brandoffer)altaar van acaciahout (SV: sittimhout) maken; de lengte moet 5 el zijn, de breedte 5 el – het altaar moet vierkant worden – en zijn hoogte 3 el. U moet dan zijn hoorns op de 4 hoeken ervan maken; zijn hoorns moeten er één geheel mee vormen en u moet het met koper overtrekken. Vervolgens moet u de bijbehorende potten maken om zijn as te verwijderen, en de bijbehorende scheppen, sprengbekkens, vorken en vuurschalen; alle bijbehorende voorwerpen moet u van koper maken. U moet er vervolgens een rooster voor maken, een koperen rasterwerk (SV: netwerk), en op het raster moet u 4 koperen ringen maken, op de 4 uiteinden ervan. U moet het dan onder de rand van het altaar plaatsen, van onderen af, zodat het raster tot halverwege het altaar komt. Verder moet u draagbomen voor het altaar maken, draagbomen van acaciahout, en ze met koper overtrekken. Zijn draagbomen moeten zó in de ringen gestoken worden dat de draagbomen aan beide zijkanten van het altaar zijn als men het draagt. U moet het altaar van planken maken, vanbinnen hol. Zoals Hij het u op de berg getoond heeft, zo moet men het maken.” (Exodus 27:1-8, HSV)

Vervolgens maakte hij het brandofferaltaar van acaciahout; 5 el was zijn lengte, 5 el was zijn breedte – het was dus vierkant – en 3 el zijn hoogte. Hij maakte ook zijn hoorns op zijn 4 hoeken – zijn hoorns vormden er één geheel mee – en hij overtrok het met koper. Hij maakte ook alle voorwerpen voor het altaar: de potten, de scheppen, de sprengbekkens, de vorken en de vuurschalen; alle bijbehorende voorwerpen maakte hij van koper. Ook maakte hij voor het altaar een rooster, een koperen rasterwerk, onder zijn rand, van onderen af tot de helft ervan. Daarna goot hij 4 ringen voor de 4 uiteinden van het koperen rooster, als houders voor de draagbomen. Verder maakte hij de draagbomen van acaciahout en overtrok ze met koper. Hij stak de draagbomen in de ringen aan de zijkanten van het altaar, om het daarmee te kunnen dragen. Hij maakte het van planken, het was vanbinnen hol.” (Exodus 38:1-7, HSV)

Tabernakel symbolieken blz 17

Dit brandofferaltaar was van planken (van sittim- ofwel acaciahout) gemaakt, vanbinnen hol en helemaal met KOPEREN platen beslagen, zonder deksel en zonder bodem. Het had de afmetingen 5x5x3 el³. Aan de 4 hoeken bovenaan, uitkomende uit de platte lijst/rand van het altaar, waren 4 koperen hoorns, wijzend in kromme, opwaartse richting (als koehoorns) naar de 4 “hoeken der aarde” (= naar alle windstreken). Onder de lijst/rand van dit altaar was een rooster aangebracht, een koperen netwerk/rasterwerk dat, om het altaar heen, erop gelegd werd. Het reikte tot het midden qua de hoogte van het altaar.
Ook alle bijbehorende VOORWERPEN waren van KOPER gemaakt.
Wij weten reeds dat KOPER spreekt over “Gods oordeel over de zonde”.
Net zo bevindt zich in de hemelen een ALTAAR, waaronder Johannes de zielen zag, die gedood waren omwille van hun geloof in God (Openb. 6:9-11). Ook hier horen wij een roep om OORDEEL.
Op dit brandofferaltaar werden AL Israëls offeranden – de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse en jaarlijkse – geofferd, al ‘s Heren brand- en vuuroffers.
Elk BRANDOFFER was tot VERZOENING tussen God en de zondaar (Lev.1:4).
Dit ALTAAR (letterlijk: een verhoogde plaats tot vuuroffers) vormt een heenwijzing naar ons ZONDIG HART, waarom het ook van KOPER moest worden gemaakt. En op dit berouwvol, zondig hart hebben wij het BRANDOFFER – het Lam Gods, dat de zonde wegneemt – te leggen, om deel te hebben aan de VERZOENING, die eens voor de ganse mensheid door Jezus’ dood en opstanding werd verkregen.
Aangezien dit KOPEREN BRANDOFFERALTAAR geen uitdrukkelijke vervanging is van het door God gestelde in Exodus 20:24-26 moeten wij aannemen, dat de holte van het koperen brandofferaltaar gevuld werd met ter plaatse gevonden aarde of met stenen (12 stenen voor de 12 stammen Israëls; 1 Kon18:31-32a), zoals is voorgeschreven in Exodus 20:24-25. En zoals wij in dit Schriftgedeelte lezen, mochten de stenen die eventueel hiertoe werden gebruikt, niet gehouwen (gefatsoeneerd) worden; zoals ons hart tot God moet komen, zoals het is, zonder enige zelfrechtvaardiging of verkleining van schuld!
Het BRANDOFFERALTAAR is het eerste object dat wij tegenkomen als wij het tabernakelterrein, door de poort, binnenkomen. Net zo is de eerste kennismaking –als wij Christus (die, in geestelijke zin, de Poort is tot de hemel – AK) hebben aangenomen als onze persoonlijke Verlosser en Zaligmaker– met het KRUIS –het ZOENOFFER van Christus Jezus, onze Heer– te Golgotha.
Het (tot as te verbranden) OFFERDIER vormt een heenwijzing naar Christus Zelf, Die Zich – op de door God vastgestelde tijd – heeft opgeofferd als een zoenoffer te Golgotha (Jes.53:4-7, Hebr.10:5-13). Het VUUR van Gods OORDEEL had dit offer van Christus tot VERZOENING aanvaard en verteerd (Lev.9:22-29), waardoor Hij ook, nu levend in eeuwigheid, in dit uur van GENADE, ons – die dit offer met een berouwvol hart CLAIMEN – volkomen kan zalig maken.
Wij stellen vast, dat door dit ene OFFER van Christus:

  • VERZOENING met God is bewerkstelligd voor de ganse mensheid (Kor. 5:18-19),
  • de ZONDE in ons wordt WEGGENOMEN (Joh.1:29), wij ervan worden VERLOST (Hebr.9:11-14),
  • wij NIEUW LEVEN uit God ontvangen (Joh.3:16, 2Kor.5:17), dat zich openbaart in de LIEFDE Gods, uitgestort in ons hart (Rom.5:5),
  • wij de RECHTVAARDIGHEID van God in het hart ontvangen (2Kor.5:21), namelijk Zijn Goddelijke Natuur (2Petr.1:4), ja,
  • wij IN EEUWIGHEID worden VOLMAAKT (Hebr.10:14), en dat hierdoor de VOLLE VRUCHT van deze rechtvaardigmaking door het geloof in Zijn bloed gedijt (Rom.3:23-26, Gal.5:22).

De 4 HOORNS van dit vierkante altaar vertellen ons van deze KRACHTDADIGE verzoening voor gans HET MENSDOM (wonende tot in de 4 hoeken der aarde); (Tim. 2:4). Aan deze hoorns werd in sommige gevallen het bloed van de offerdieren gestreken. In het Oude Verbond zag men ook mensen pleiten op deze verzoening, vattende de hoorns van het altaar (1Kon.1:50-51 + 2:28).
Ook de MATEN van het altaar vertellen ons van hetzelfde. Het was 5 el lang als breed. 5 is het getal, dat van VERZOENING spreekt. Het was 3 el hoog. 3 is het getal van God; de Godheid was geheel in de verzoening betrokken:

  • de Vader (Joh.3:16),
  • de Zoon (Gal.2:20b),
  • de Geest (Hebr.9:14).

Deze hoogte vertelt ons tevens, dat deze volmaakte verzoening in 3 dagen en 3 nachten werd volbracht (Matth.12:40).
Dit brandofferaltaar stond in de VOORHOF en niet in het heilligdom. Deze voorhof typeert, zoals wij reeds weten, de 2000 jaren die er waren vóór de tijdsbedeling van de Heilige Geest, vanaf Abraham tot en met Jezus. Dit was de tijdsbedeling van de Zoon, waarin het bloed der typerende offerdieren en uiteindelijk het bloed van Christus Zelf – waar al dit dierenbloed naar verwijst – domineert.
Het HEILIGDOM typeert, zoals wij weten, de tijdsbedeling van de Heilige Geest, de tijdsbedeling, waarin wij thans leven. In onze tijdsbedeling hebben derhalve geen bloedige offeranden tot VERZOENING meer plaats, omdat VERZOENING reeds werd bewerkstelligd door het eens-en-voor-altijd-offer van Christus op Golgotha.
Wij hebben het offer van Golgotha te claimen met een GEBROKEN en VERSLAGEN HART (Ps.51:19-21) en in belijdenis van onze schuld (1Joh.1:9, Ps.32:5, Spr.28:13). Zo brengt God ons in de genadestaat van de WEDERGEBOORTE, terwijl gans ons “OUDE LEVEN” mag staan in het teken van Christus’ verzoening.
Zo zullen wij, levend in deze geloofsclaim, de vrijmaking en vernieuwing kunnen ervaren die door het volgende object van de tabernakel, het WASVAT, wordt uitgebeeld. Wij zullen dit zeker ervaren, als wij maar blijven in het waarachtige GELOOF in de verzoening van Christus en in onze algehele OVERGAVE aan Hem.

  • Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.(J8:36)

.

Wordt vervolgd

Studie van E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

****************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden
  5. De Poort

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Geestelijke groei, Gehoorzaamheid aan God, Heiligmaking, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Boekbespreking 65: De wegname en opname van de Gemeente en… Christus’ wederkomst

Een eschatologische verhandeling

jesus_comes[1]

Deel 1

Inleiding en samenvatting

Voor de behandeling van ons onderwerp is het nodig, dat wij ons eerst bezighouden met de identiteit van de vrouw van Openbaring 12. [1] Wij stellen vast, dat de vlucht van deze vrouw in de hier bedoelde woestijn en haar verblijf aldaar samen moeten vallen met de periode van de Grote Verdrukking. Wij stellen ook vast, dat deze woestijn een plaats op aarde moet zijn.
Met de wegname bedoelen wij wat in Openbaring 12 beschreven wordt als de vlucht van de vrouw in de woestijn:

  • “En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats had, die door God voor haar gereedgemaakt was, opdat men haar daar zou voeden 1260 dagen.” (Openb.12:6, HSV)
  • “En aan de vrouw werden 2 vleugels van een grote arend gegeven, opdat zij naar de woestijn zou vliegen, naar haar plaats, waar zij gevoed wordt, een tijd en tijden en een halve tijd (= 3,5 jaar), buiten het gezicht van de slang.” (Openb.12:14, HSV)

Na ampele (= breed- of uitvoerige) overweging komen wij tot de slotsom, dat de vrouw niet is Maria, ook niet Israël (waarbij nog even wordt opgemerkt, dat de Joden niet het ganse Israël zijn [2]) en evenmin de Gemeente (de heiligen) van alle tijden, doch de Bruidsgemeente.
Deze Bruidsgemeente bestaat uit dat deel, van de bij Christus’ wederkomst levende heiligen, dat waardig bevonden wordt om in te gaan tot de Bruiloft van het Lam.
Omdat een juist begrip van wie de mannelijke zoon zal zijn mede bepalend is voor het inzien, dat er zowel een wegname als een opname zal zijn, is een uitweiding over zijn identiteit eveneens noodzakelijk. Daarbij zal terloops het verband tussen Israël en de Gemeente ter sprake komen en iets over het herstel van Israël gezegd worden. Voorts is het nodig te weten, dat de wederkomst van Christus nochtans 2 fasen omvat. Er zal een onzichtbare wederkomst –ter Bruiloft– en een zichtbare –ten oordeel– zijn (en die 2 wederkomsten vallen niet samen)
Bij de wegname zal alleen de Bruidsgemeente betrokken zijn, “zij die levend overblijven”. Maar de opname zal een zaak zijn, waarbij de gehele Gemeente (van alle tijden) betrokken is. Deze opname is echter géén opname in de hemel, maar een – de wederkomende Jezus (dan zichtbaar voor de gehele wereld) – tegemoet gaan in de lucht, om met Hem terug te keren op aarde.
In dit verband moet dan nog iets gezegd worden over de “laatste bazuin” en de gebeurtenissen die deze inluiden.
Tot slot, en dit wordt aan de hand van het Hooglied toegelicht, moet erop worden gewezen, dat met de leer, dat er een wegname èn een opname zal zijn, de enige mogelijke verklaring gegeven wordt voor de tijdelijke scheiding, die er zal zijn tussen de Bruidegom en de Bruid(sgemeente) nà de Bruiloft van het Lam.

.

De Grote Verdrukking

Over de Grote Verdrukking wordt onder andere geschreven in Openbaring 13. [3] Het “beest uit de zee” is de “antichrist”, het “beest uit de aarde” is de “valse profeet”. Van het “beest uit de zee”, de antichrist, wordt gezegd, dat het 42 maanden (en dit is niet 7 jaar, maar 3½ jaar) zal heersen (“macht gegeven”):

  • “En het (beest uit de zee, de antichrist) werd een mond gegeven om grote woorden en godslasteringen te spreken, en het werd macht gegeven om dit 42 maanden lang te doen”. (Openb. 13:5, HSV)

Deze periode dus van 42 maanden of 3½ jaar komt ook elders in het Boek Openbaring voor, namelijk in Openbaring 11:2b-3 (HSV), [4]

  • “…En zij zullen de heilige stad vertrappen, 42 maanden En Ik zal Mijn 2 getuigen macht geven, en zij zullen, in rouwkleding gekleed, 1260 dagen lang profeteren.”

Hier – in Openbaring 11:2-3 – 1260 dagen genoemd en in Openbaring 12:6+14 1260 dagen, respectievelijk tijd”. Het ligt voor de hand, dat in al deze gevallen “dezelfde” periode (de Grote Verdrukking) wordt bedoeld. Het Boek Openbaring is tafereels-gewijze geschreven. De verschillende taferelen tezamen geven ons een totaalbeeld van een bepaalde gebeurtenis of van een bepaalde episode (zie hiervoor het “Diagram van het eschatologisch gedeelte van het Boek Openbaring”, achterin deze studie vermeld [of onderstaand schema uit de studie “Dingen die met haast geschieden moeten– AK]).

Tijdmarkering diverse periodes vd Grote Verdrukking

.

De identiteit van de vrouw van Openbaring 12

Uit Openbaring 12 leren wij, dat er een “vrouw” zal zijn, die tijdens de Grote Verdrukking bewaard zal worden in de “woestijn”:

  • “En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats had, die door God voor haar gereedgemaakt was, opdat men haar daar zou voeden 1260 dagen.” … “En aan de vrouw werden 2 vleugels van een grote arend gegeven, opdat zij naar de woestijn zou vliegen, naar haar plaats, waar zij gevoed wordt, een tijd en tijden en een halve tijd (= 3,5 jaar), buiten het gezicht van de slang (= de antichrist).” (Openb. 12:6+14, HSV)

Wie is deze vrouw?
I.  Sommigen zeggen: Maria, de moeder van Jezus. Maar dat kan niet, om de volgende redenen.
a.  Het gaat hier om toekomstige gebeurtenissen:
Openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te laten zien wat spoedig moet geschieden, en Hij heeft die door Zijn engel gezonden en aan Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven.” (Openb. 1:1, HSV)
b.  God/de Bijbel doet niet aan mensverheerlijking.
(Vergelijk Openb. 12:1, “En er verscheen een groot teken in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, en de maan was onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van 12 sterren” HSV).
c.  De omstandigheden komen niet overeen, maar “typeren” soms alleen.
Het kind van Maria, Jezus, werd wèl reeds bij Zijn geboorte bedreigd (door Herodes), maar niet al direct “weggerukt tot God”!
Zijn latere hemelvaart was trouwens ook geen “weggerukt worden” (= in zekere zin: een vlucht). Na het kruis en de opstanding had Christus àlle macht![5]
Voorts is Maria niet gevlucht in de woestijn (en die “woestijnperiode” had dan trouwens samen moeten vallen met de periode van de Grote Verdrukking, die zelfs nù nog in de toekomst ligt!). Haar vlucht (met Jozef) naar Egypte kan niet bedoeld zijn, want haar kind was toen juist bij haar (en niet “weggerukt”). Wèl zou men kunnen zeggen, dat Christus toen “weggerukt” werd van onder de macht van Herodes, maar dàt werd weer niet gerealiseerd door een opneming in de hemel, maar door een vlucht naar Egypte.
Inmiddels is ook wel duidelijk geworden dat, met wie men de vrouw ook identificeert, de “mannelijke zoon” van Openbaring 12 in ieder geval niet Christus kan zijn!
En wie moeten de “overigen van haar zaad” uit Openbaring 12:17, dan wel zijn als Maria de vrouw is die hier bedoeld wordt? Haar overige kinderen? De Joden?

  • “En de draak werd boos op de vrouw, en ging heen om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht [SV: de overigen van haar zaad], die de geboden van God in acht nemen en het getuigenis van Jezus Christus hebben.” (Openb. 12:17, HSV)

Van een vervolging van de “broeders van Jezus” verhaalt de Schrift niet. De Joden kunnen daarmee niet bedoeld zijn, want er is geen samenhang tussen de haat tegen Jezus en de haat tegen de Joden (die verband houdt met de straf voor het verwerpen van Jezus).

II.  Anderen zeggen: de vrouw van Openbaring 12 is het volk Israël. Maar dat kan ook niet, om redenen die nu volgen.
a.  Opnieuw: het gaat hier om toekòmstige gebeurtenissen.
De lering, dat de vrouw hier Israël is, wordt in alle gevallen gecombineerd met de opvatting, dat de in dit hoofdstuk genoemde mannelijke zoon Jezus is. Wel, Jezus mag dan naar het vlees een zoon van Israël zijn, Zijn hemelvaart (alweer: geen “wegrukken”) vond ± 2000 jaar geleden plaats. De inconsequentie van de aanhangers van deze visie komt vervolgens naar voren, als men de vlucht van Israël wèl in de toekomst (in de tijd van de Grote Verdrukking) wil doen plaatsvinden. Gekunstelde verklaringen zijn dan het gevolg.
b.  De rol van Israël in de toekomst moet volgens Gods heilsordening en het principe van de “voortschrijding” in Gods raadsplan der eeuwen een “bijrol” zijn. Openbaring 12 is het sleutel- en kernhoofdstuk van het Boek Openbaring (zoals ook bijna alle uitleggers erkennen); de daarin beschreven vrouw kan dus niet de naar vleselijke afkomst bepaalde groep van mensen zijn, die Israëlieten worden genoemd (spreken van een “geestelijk Israël” is verwarrend. Daaronder kan alleen verstaan worden het wedergeboren en geestelijk-denkend deel van het 12 stammen-volk Israël).
Daarmee is echter niet gezegd dat God Zijn belofte aan dit Israël niet zal nakomen, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit, dat het huidige Israël (voornamelijk het Jodendom van het huis Juda [6]) slechts een klein deel vormt van dat 12 stammen-volk Israël. Maar in de heilshistorie neemt nù de Gemeente de voornaamste plaats in. Op geen andere wijze wordt men zalig, dan door het geloof in Jezus; niet door vleselijke afstamming. En wie gelooft, komt in de Gemeente, niet in Israël. Zij, die geloven worden dan ook niet kinderen van Israël genoemd, maar Abrahams kinderen. De Gemeente echter bestaat voor een deel uit heidenen en een deel uit Israël. En uit haar midden zal dan een nieuw Israël, een “Israël van een hoger plan” voortkomen – de mannelijke zoon of de groep van 144.000). De in Openbaring 7:4-8 [7] genoemde stamnamen rechtvaardigen de opvatting, dat dit wàre Israël (= strijder/heerser met God) zal voortkomen uit het Israël-gedeelte van de (Bruids-)Gemeente.
“En ik hoorde het aantal van hen die verzegeld waren: 144.000 waren er verzegeld uit alle stammen van de Israëlieten. Uit de stam Juda waren er 12.000 verzegeld, uit de stam Ruben waren er 12.000 verzegeld, uit de stam Gad waren er 12.000 verzegeld, uit de stam Aser waren er 12.000 verzegeld, uit de stam Naftali waren er 12.000 verzegeld, uit de stam Manasse waren er 12.000 verzegeld, uit de stam Simeon waren er 12.000 verzegeld, uit de stam Levi waren er 12.000 verzegeld, uit de stam Issaschar waren er 12.000 verzegeld, uit de stam Zebulon waren er 12.000 verzegeld, uit de stam Jozef waren er 12.000 verzegeld, en uit de stam Benjamin waren er 12.000 verzegeld.” (Openb. 7:4-8, HSV)
c.  Israël is in zekere zin, symbolisch, te beschouwen als de vrouw van God de Vader, maar ook in het Oude Testament is de vrouw, die in het (trouw-)verbond met God treedt en dus deelt in de zegeningen ervan, het getrouwe en gehoorzame deel van Israël, de Gemeente uit Israël, zolang dat deel genoegzaam groot blijft. Als het 10-stammen Israël voor het grootste deel afkerig geworden is, zendt God het in ballingschap en verstoot Hij Israël als Zijn vrouw. De scheidbrief, waarmee zij weggezonden werd, werd weliswaar ongeldig bij de dood van de Man (het sterven van Christus), maar bij bekering tot Christus, is haar “nieuwe” Man (Christus) toch een geheel andere dan de God van Israël van het Oude Testament (hoewel het dezelfde God is [8]). De dood van de Man (Christus) heeft de situatie diepgaand gewijzigd. Dat blijkt ook hieruit, dat (het woord “bekering” zegt het reeds) Israël in de Nieuwtestamentische bedeling zodanig moet zijn veranderd dat zij ‘t predicaat “Christe-lijk” waardig is: de vrouw genoemd naar de man en “als tegenover hem” (2:18, “Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem [= ge]-lijk].”).
d. Tenslotte: de omstandigheden komen niet overeen.
Als Israël de vrouw moet zijn en de mannelijke zoon Jezus, dan is de ongastvrije houding van het deel Israël dat ten tijde van Jezus’ geboorte in Palestina verkeerde (de Joden) tegenover Jezus, niet goed te combineren met het beeld dat in Openbaring 12 geschilderd wordt: moeder en zoon worden beiden om hetzelfde (de geboorte) gelijkelijk bedreigd. Als het voor de vrouw (moeder) in Openbaring 12 een ongewenst kind zou moeten zijn (want zo’n ongewenst kind wàs Jezus voor de Joden), zou in dit hoofdstuk de vrouw de draak redelijkerwijs een handje hebben moeten helpen. Tot welk een dwaasheid leidt deze lering!
De vlucht van degenen, die in Judea zijn, naar de bergen, waarover Jezus in Zijn profetische rede spreekt (Matth.24:16, Mark.13:14, Luk.21:21) als Hij handelt over de Grote Verdrukking, betreft een vóórvervulling van de geprofeteerde verschrikkingen van de Grote Verdrukking. Deze vlucht heeft namelijk betrekking op de tijd van Jeruzalems val in 70 na Christus (welke val eveneens door Hem werd voorzegt) en dit wordt door Lukas 21:20 ook aangegeven. Deze vlucht werd eveneens door Jeremia voorzegt (in Jer. 6:1)! Het in het tweede deel van Jeremia 6:1 bedoelde “kwaad uit het noorden” heeft hoofdzakelijk betrekking op de dreiging van Gog (ook nu nog toekomst), maar de omstandigheden tijdens Jeruzalems val in 70 na Christus gaven ook deze profetie een vóórvervulling.

De Joden die in de Apostolische eeuw in Christus geloofden, waren voor het merendeel Benjaminieten (Galileeërs). Deze Christenen hebben tijdens het beleg van Jeruzalem gebruik gemaakt van de door vorst Titus gegeven mogelijkheid om de stad te ontvluchten. Zij trokken naar Pella in het Oost-Jordaanland. De 1260 dagen van Openbaring 12 zijn bij deze vlucht op geen zinnige wijze te betrekken.
De woorden van Jezus over het vluchten in de bergen van Judea worden vaak aangehaald om de identificatie van de vrouw van Openbaring 12 met Israël of met de Joden aannemelijk te maken. Ik heb u hier laten zien, dat deze redenering niet deugt. Maar tot een dergelijke profetie-uitleg komt men, als men nog niet ontdekt heeft, dat in de Bijbel soms in één tekst gesproken wordt over gebeurtenissen, die door vele eeuwen gescheiden worden, alsof ze direct op elkaar volgen (vergelijk de Messias-profetieën, en bijvoorbeeld Daniël 11, waar in vers 40 bijna “geruisloos” wordt overgegaan van de tijd van Epifanes naar de tijd van de antichrist), en dat de Bijbelse profetieën soms vervulling èn vóórvervulling(en) hebben (de omstandigheden tijdens de val van Jeruzalem waren een vóórvervulling van de voorzegging over de verschrikkingen tijdens de Grote Verdrukking).
Verder: Ook wat verstaan moet worden onder de “overigen van haar zaad” (Openb.12:17), is niet duidelijk als de vrouw Israël moet zijn.

III.  Er zijn er ook, die de vrouw van Openbaring 12 voor de Gemeente-van-alle-tijden houden. Deze uitleg maakt Openbaring 12 echter tot een hoofdstuk, dat een algemene beschouwing bedoelt te geven over de strijd en de verdrukkingen van de Kerk gedurende de gehele Gemeentelijke tijdsbedeling.
Vanaf hoofdstuk 6 geeft het Boek Openbaring echter “eindgeschiedenis”, want het is onmogelijk, dat met “de grote dag, van Zijn toorn” (Openb. 6:17) wordt bedoeld de gehele huidige bedeling (vanaf Christus’ hemelvaart tot Zijn wederkomst), die niet zonder reden, nota bene, ook en juist “Bedeling der Genade” wordt genoemd!
Degenen, die van mening zijn, dat de vrouw van Openbaring 12 de personificatie is van de Christelijke Gemeente van alle eeuwen, leren doorgaans ook, dat de mannelijke zoon van Openbaring 12 Jezus is. Het is evenwel in strijd met alle redelijkheid èn openbaring om Christus als een Zoon van de Gemeente te beschouwen. Juist het omgekeerde is waar; zoals Eva eens uit de zijde van Adam voortsproot, zo is ook de Gemeente voortgekomen uit de zijde van Jezus. Er staat van Jezus geschreven: “Als Zijn ziel zich tot een schuldoffer zal gesteld hebben (= Zijn kruisdood), zo zal Hij zaad zien… (Hij zal) velen rechtvaardig maken…”: “Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem ziek gemaakt. Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nageslacht (SV: zaad) zien, Hij zal de dagen verlengen; het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn. Om de moeitevolle inspanning (SV: arbeid) van Zijn ziel zal Hij het zien, Hij zal verzadigd worden. Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.” (Jes. 53:10-11, HSV)
Aan het eind van de volgende paragraaf zal nog even bij deze verkeerde opvatting over de mannelijke zoon van Openbaring 12 (èn bij de geestelijke achtergrond daarvan) worden stilgestaan.

 

  • KLIK HIER als u deze studie verder wilt lezen (= in smartphone-formaat)

H. Siliakus
Enigszins bewerkt door A. Klein

***********************************************************************************

[1] Of deze, ook ‘vers voor vers’: Openbaring 12 (noot AK)
[2] Het volk van Israël bestaat uit de 12 stammen, vernoemd naar de 12 zonen van Jakob (die later van God de naam Israël kreeg). Maar later komt er een splitsing. Er wordt in de Bijbel dan onderscheid gemaakt tussen het ‘huis van Israël’ en het ‘huis van Juda’ (de zgn. Joden). Het ‘huis van Israël’ bestaat uit 10 stammen, die in de loop van de geschiedenis weggevoerd zijn uit het beloofde land Kanaän/Palestina. Zij zijn daarna de zgn. heidenwereld ingetrokken, waar zij tot op heden (in het ‘verborgen’, vaak zonder het zelf te weten) wonen. Het zijn vooral de zgn. ‘christelijke’ landen in Noordwest Europa en de landen, waar velen later naar toe zijn gemigreerd, zoals Amerika, Canada, en Australië. Het ‘huis van Juda’ bestaat uit 2 stammen, namelijk het volk van Juda en Benjamin die, in de dagen dat Jezus op aarde was, in het beloofde land Kanaän/Palestina leefde. Het ‘huis van Juda’, de zgn. Joden, is dan ook het deel van Israël waarover de verharding is gekomen (zie Rom. 11:25).
Het huidige land Israël (waar heden voornamelijk de 2 stammen van het ‘huis van Juda’ – de Joden – wonen) doet thans haar rechten gelden op het land Palestina. Historische rechten, waarvan we ook lezen in de Bijbel. Als de tijd daar is dat het profetisch Woord vervuld wordt, dan kan het niet anders of geheel Israël (alle 12 stammen) zal uiteindelijk in bezit komen van geheel Kanaän/Palestina en van de stad Jeruzalem (zie Gen.15:18). Abrahams nakomelingen zouden volgens de Goddelijke belofte het land Kanaän bewonen. Dat land zou zich uitstrekken van de beek van Egypte (een kleine rivier ten oosten van de Nijl) tot aan de rivier de Eufraat. Voor ons zijn het tekenen dat we in de (Bijbelse) ‘laatste dagen’, vlak voor de wederkomst van Jezus, leven. Daarom is het juist in deze tijd belangrijk om na te gaan wat de Bijbel over deze dingen zegt. (noot AK)
[3] Of deze, ook ‘vers voor vers’: Openbaring 13 (noot AK)
[4] Of deze, ook ‘vers voor vers’: Openbaring 11 (noot AK)
[5] Noot H. Siliakus: J.W. Embregts bestaat het (in zijn boek “Geen uitstel meer”, pag. 122) om onder dat “wegrukken” het (plotseling ?) sterven van Jezus te verstaan (= “uit het leven weggerukt”), maar dit is een verklaring, die, zacht uitgedrukt, gezocht en gekunsteld is.
[6] Zie noot 2.
[7] Of deze, ook ‘vers voor vers’: Openbaring 7 (noot AK)
[8] In Deuteronomium 6:4 staat: “Luister, Israël! De HEERE, onze God; de HEERE is één! (dus één Persoon!).
Dit wordt ook onderschreven door het feit dat de beide cherubs en het verzoendeksel uit één brok goud moesten worden gesmeed / geslagen (zie Exodus 25:18). De beide cherubs en het verzoendeksel beelden onze almachtige God in Zijn 3 openbaringsvormen uit. De cherubs beelden de Vader en de Heilige Geest uit, en het verzoendeksel beeldt het Lam, de Zoon van God uit. Gods wezen is een ÉÉNHEID. Hij is één Wezen, één Persoon. De leer, dat God uit 3 personen bestaat, is een dwaling. Het is dus beter te spreken van de 3 Openbaringsvormen van God, te weten:
de 1ste Openbaringsvorm van God: de Vader
de 2de Openbaringsvorm van God: Jezus, de Zoon
de 3de Openbaringsvorm van God: de Heilige Geest.
Net zoals wij mensen ook bestaan uit: lichaam, ziel en geest. (noot AK)
.

Geplaatst in BEWARING voor de grote verdrukking, Bijbelstudie, Boek/studiebespreking, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, de grote verdrukking, Eindtijdstudie, Nuttige studie als 'basiskennis', Studie van H Siliakus, Wederkomst van Christus | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tabernakel symbolieken (5): De Poort

De Poort 

Verder moet er voor de poort van de voorhof een gordijn (SV: deksel) van 20 el komen, van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol (SV: hemelsblauw, en purper, en scharlaken) en dubbeldraads (SV: getweernd = van meerdere inééngedraaide draden) fijn linnen, borduurwerk; en bovendien 4 bijbehorende pilaren en hun 4 voetstukken. Alle pilaren rondom de voorhof moeten verbindingen (SV: banden) van zilver krijgen. Hun haken moeten van zilver zijn en hun voetstukken van koper.” (Exodus 27:16-17)

Tabernakel symbolieken blz 13

De POORT is de ENIGE toegang tot het tabernakelterrein. Ze vormde als het ware een bres in de muur van Gods vlekkeloze heiligheid en gerechtigheid, die door het wit getweernd linnen werd weergegeven, de omheining, die om Gods terrein was opgetrokken.

Tabernakel symbolieken blz 15b

De poort van het Israëlitisch heiligdom

Tabernakel02

Zo is ook Jezus de ENIGE POORT Gods, Die ons, zondaren, tot Zijn heilige Koninkrijk leidt, de ENIGE Middelaar tussen God en mensen (Luk.13:24, Matth.7:13, 1Tim.2:5).
De poort hing aan 4 KOPEREN pilaren, en alles was KOPER, wat men in de voorhof zag.
KOPER is een metaal dat van OORDEEL spreekt, het oordeel van God over de zonde (Deut.28:23,Zach.6:1). Ook de slang die Mozes oprichtte in de woestijn was van koper (Num.21:4-9). Ze beeldt de tot ZONDE gemaakte Zoon des mensen (= Jezus) uit (2Kor.5:21). De koperen slang op de steng (= een houten staak of stok) beeldt Jezus aan het kruis uit, waarop ook wij in het geloof moeten blikken om aan de macht van de zonde te ontkomen.
Maar de pilaren hadden ook ZILVEREN haken en banden (verbindingsstukken) (Exod.27:17), waaraan de omheining hing. Dit wil zeggen, dat die gerechtigheid en heiligheid Gods toch wordt verbonden met de zondige mens (uitgebeeld door de koperen pilaar) door de VERZOENING (waar het ZILVER van spreekt), die ons door Jezus’ bloed is geworden (Exod.30:12-16).
De poort hing aan 4 pilaren. Deze 4 pilaren beeldden de 4 evangelisten uit, die Jezus’ leven hebben beschreven, te weten: Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes.
De poort zelf was ook van WIT getweernd linnen gemaakt, waarin borduursel was van PURPER, SCHARLAKEN en HEMELSBLAUW garen.
Deze 4 kleuren vertellen ons van de 4 kwaliteiten en tegenstellingen, die Jezus’ leven kenmerken:

  • Zijn Koningschap (Zach.9:9) maar óók,
  • Zijn Knechtschap (Jes. 42:1).
  • Zijn Menselijkheid (Zach. 6:12) maar óók,
  • Zijn Goddelijkheid (Jes.40:9).

Algemeen wordt aanvaard dat Zijn Koningschap wordt uitgebeeld door de PURPEREN kleur en dat dit het kenmerkende is van het Mattheüs Evangelie. Deze kwaliteit van Jezus wordt in de hemel uitgedrukt door het wezen, dat op een LEEUW lijkt (de “Leeuw van Juda”; Openb.4:7 + 5:5).
Zijn Knechtschap, als Lam van God, wordt mijns inziens uitgebeeld door het SCHARLAKEN, dat ons van Zijn bloed vertelt en van de verzoening van de zonde (Jes.1:18). Dit Knechtschap wordt uitgetekend door de evangelist Markus. Ook wijlen, de (bijbel)leraar, F.G. van Gessel was van oordeel dat het Markus Evangelie het Knechtschap van Jezus uitbeeldde, maar zag de symboliek van dat Knechtschap (en wel in Zijn opstandingskracht) in de HEMELSBLAUWE kleur. Dit Knechtschap van Jezus wordt in de hemel weergegeven door het wezen, dat op een OS (= een offerdier) lijkt (Openb.4:7).
Het HEMELSBLAUW vertelt ons mijns inziens van de Godheid van Jezus, Zijn Zoonschap Gods, hetgeen wijlen de (bijbel)leraar L. Schouten, een groot kenner van de Israëlitische tabernakel, ook vond. Deze kwaliteit van Jezus wordt unaniem weergegeven door het Johannes Evangelie. In de hemel wordt deze kwaliteit uitgebeeld door het wezen, dat op een ADELAAR lijkt (Openb 4:7).
Wijlen de leraar F.G. van Gessel vond echter dat deze kwaliteit van Jezus wordt uitgedrukt door de WITTE kleur, die Gods gerechtigheid en heiligheid uitbeeldt. Mijns inziens vertelt dit WIT inderdaad van de gerechtigheid en heiligheid Gods, maar dan als een kwaliteit van de NIEUWE MENS, die evenals Jezus in de hemelen zal worden gekleed in WITTE KLEDEREN (Openb.7:13-14 + 19:8). Mijns inziens vertelt dit WIT van de heiligheid van Jezus en slaat het op Zijn reine menselijkheid.
Dit Zoon des mensen zijn van Jezus wordt unaniem weergegeven door het Lukas Evangelie.
Wijlen de leraar F.G. van Gessel vond dat het Lukas Evangelie inderdaad Jezus uitbeeldde als Zoon des mensen, maar dan in het bijzonder Zijn lijden als zodanig, en vond, dat dit wordt uitgebeeld door de SCHARLAKEN kleur. Ook de leraar L. Schouten vond dat SCHARLAKEN Jezus’ menselijkheid weergaf.
In de hemel wordt deze kwaliteit van Jezus uitgebeeld door het wezen, dat op een Mens lijkt (Openb.4:7).
Ter verduidelijking geven wij het voorgaande hieronder nog in schema weer:

Kleur L. Schouten F.G. van Gessel E. van den Worm
Purper Hogepriester- Koning Koning / Mattheüs Evangelie Koning / Mattheüs Evangelie
Scharlaken Mensheid Lijden als Mens / Lukas Evangelie Lijden als Knecht Gods (Lam van God) / Markus Evangelie
Wit Heiligheid Gerechtigheid van Zoon Gods / Johannes Evangelie Gerechtigheid van de Nieuwe Mens, Zoon des mensen /Lukas Evangelie
Hemelsblauw Godheid Opstandingskracht van Dienstknecht Gods / Markus Evangelie Zoonschap Gods / Johannes Evangelie

Zijn de meningen op het punt van de symboliek, die er in de kleuren zijn, verschillend, toch zijn wij het eens, dat deze 4 kleuren 4 kwaliteiten van Jezus weergeven en dat deze 4 kwaliteiten door de 4 schrijvers van de 4 synoptische Evangeliën elk in het bijzonder worden benadrukt.
Ingaan door de POORT wil zeggen: De wereld en haar lusten vaarwel zeggen, de zonde niet langer willen dienen en zich daartoe keren tot Jezus Christus, Hem aannemend tot onze persoonlijke REDDER en ZALIGMAKER, de Jezus der Schriften.
Dit spreekt dus van BEKERING tot Jezus in alle oprechtheid (2Kor.7:9-10). God zal de berouwvolle zondaar, die tot Hem om redding komt, niet verachten (Ps.51:19): ja, wie zo tot Hem komt zal Hij niet uitwerpen (Joh.6:37). Hij nodigt – in Zijn zondaarsliefde – de zondaar hiertoe uit (Matth.11:28-30, Jes.1:18) om zo te komen in de behouden Haven van Zijn Rust.

Tabernakel symbolieken blz 15a

Wordt vervolgd

Studie van bijbelleraar E. van den Worm
Enigszins bewerkt door A. Klein

.

****************************
Tabernakel symbolieken

  1. Algemene beschouwing met betrekking tot de tabernakel
  2. Hoe hebben de Israëlieten een kostbaar kunstwerk, als de tabernakel, in de woestijn kunnen bouwen?
  3. Plattegrond en constructie van de tabernakel
  4. De tabernakel brengt ons als Christen – in symboliek – de 9 ‘etappes’ die tot onze volmaking leiden

.

Geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Geestelijke groei, Heiligmaking, Studie van E van den Worm, Tabernakel-studie, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Jubellied van de wandel met God

Aanbidding - worship

Een wonderbaar lied

Van de 144.000 verzegelden uit Israël (= 12.000 uit elk van de in totaal 12 stammen) wordt gezegd: “En zij zongen als een nieuw lied vóór de troon, vóór de 4 dieren (letterlijk: 4 levende wezens) en de ouderlingen. En niemand kon dat lied leren behalve de 144.000, die van de aarde gekocht waren.” (Openbaring 14:3 + uitleg) [1]
De 144.000 vormen dat voortreffelijk volk dat uit de Bruidsgemeente zal voortkomen, nadat zij tijdens de Bruiloft van het Lam Gods [2] (door Zijn Geest) overschaduwd zal zijn door de hemelse Bruidegom. [3] Zij zullen “de Krethi en de Plethi” [4] zijn, de koninklijke garde, van de grote Davidszoon (= Jezus Christus), die Hem zullen volgen waar Hij ook heen gaat; het volk van mannelijke zonen”, die tot grotere kracht en grotere mate van geestelijkheid zullen komen dan de gehele overige Bruidsgemeente. Daarom dat van hen gezegd wordt, dat zij een lied zullen zingen, dat niemand anders dan zij alleen zullen kennen. Uit het tekstverband kunnen wij afleiden, dat in dit lied ook hun verbondenheid met Jezus tot uitdrukking zal komen. Hun wonderbare zang spreekt van een zodanige omgang met Jezus, dat het niet door andere christenen gekend zal worden. Overigens is dit zo ongeveer alles wat van dit lied gezegd kan worden. Gods Woord leert, dat de precieze inhoud ervan verborgen zal blijven voor wie niet tot dit volk behoren zullen. Vergeefs zullen dus onze pogingen zijn om er meer van te weten te komen, ja, wij bewegen ons zelfs op de rand van ongehoorzaamheid als wij dit desondanks toch proberen. Dit wil echter niet zeggen, dat wij er goed aan doen om verder geen aandacht aan dit lied te schenken. Want al blijft dit lied voor velen een verborgenheid, nochtans zal ieder waarachtig kind van God een soortgelijk gezang kunnen zingen!

Grote blijdschap

Het lied van de 144.000, dat zij zullen zingen na de Strijd van Armageddon (zie Openbaring 19:11-21  [5]), is ook een overwinningszang. Voor wat ervan verstaan zal kunnen worden, zal het ongetwijfeld veel overeenstemming vertonen met Psalm 68.
Het onbetwistbaar hoogtepunt van deze 68ste psalm vormen de verzen 20-21. Daar houdt de beschrijving van Gods machtige daden op om over te gaan in een lofzang die het karakter van een persoonlijk getuigenis draagt, te vergelijken met het onvervreemdbare in de zang van de 144.000: Geloofd zij de Heere; dag aan dag overlaadt Hij ons. Die God is onze zaligheid. Sela. Die God is ons een God van volkomen Zaligheid; bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.” (Psalm 68:20-21)
Alzo jubelde eenmaal “de man naar Gods hart”. En deze woorden maken duidelijk waarom David dit getuigenis van God ontving. Hij wist God de eer te geven! Wij vinden het doorgaans zo gewoon en vanzelfsprekend als God ons helpt. Doch deze man, David, kon over de bemoeienissen van God met hem en zijn volk niet spreken met een uitgestreken gezicht. Hij deed het met dankbare ontroering en met onverholen (= onverbloemde, openlijke) vreugde. Althans, op ander wijze kunnen deze woorden niet uitgesproken zijn. Er klinkt verwondering in door over Gods genade. En het woordje “Sela” aan het eind van het 20ste vers (van Psalm 68) geeft aan dat wat volgt met stemverheffing gezongen of uitgesproken moet worden. David was iemand die zich niet ophield met overwegingen als “Wat zullen de mensen wel zeggen!” Hij hield zich niet in, als dankbaarheid jegens God zijn ziel overspoelde. Toen de Ark van het Verbond [6] naar Jeruzalem kwam (volgens sommigen de aanleiding voor het maken van deze psalm), huppelde hij uit alle macht ten aanschouwen van een ieder vóór die Ark uit, prijzende God met luide stem:
“David en het hele huis van Israël huppelden voor het aangezicht van de HEERE, met allerlei muziekinstrumenten van cipressenhout, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met rinkelbellen en met cimbalen.”… “En het gebeurde, toen de ark van de HEERE in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, door het venster naar beneden keek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van de HEERE, verachtte zij hem in haar hart. Toen David terugkwam om zijn gezin te zegenen, kwam Michal, de dochter van Saul, naar buiten, David tegemoet en zei: Wat zal de koning van Israël vandaag geëerd zijn, die zich vandaag voor de ogen van de slavinnen van zijn dienaren heeft uitgekleed, zoals een leegloper zich schaamteloos uitkleedt! Maar David zei tegen Michal: Voor het aangezicht van de HEERE, Die mij uitgekozen heeft boven jouw vader en boven heel zijn huis door mij aan te stellen als een vorst over het volk van de HEERE, over Israël, ja, voor het aangezicht van de HEERE heb ik gehuppeld! En ik zal mij nog geringer gedragen dan dit en nederig zijn in eigen oog, maar met de slavinnen over wie je sprak, met hen zal ik geëerd worden. Michal nu, de dochter van Saul, kreeg geen kind tot op de dag van haar dood.” (2 Samuël 6:5+16-23)
Zijn vrouw Michal verachtte hem omwille hiervan. Daarom strafte God haar met kinderloosheid. Michal is het type van de onvruchtbare “dwaze maagden”-gemeente [7] van de laatste dagen, die geen deel zal hebben aan dat wonderbare feest als “de volheid der Godheid lichamelijk” [8] Zijn inwoning maakt in de gelovigen van de Bruidsgemeente. Wacht u voor verkeerde en misplaatste ingetogenheid. Nooit hoorde men iemand fluisterend juichen! Waarachtige lofprijs zal ook ons heden nog tot de volheid van blijdschap brengen, die God wil geven. En deze volheid van blijdschap is voor de gelovigen van onze genadetijdsbedeling gelijk aan de ervaring van de doop met de Heilige Geest! [9] Doe uw mond wijd open en Ik zal hem (ver)vullen spreekt de Here (in Psalm 81:11b).
De genade wordt overvloedig in ons leven als wij God weten te prijzen: “Want dit alles gebeurt ter wille van u, opdat de genade, die meer en meer is toegenomen, door de dankzegging van velen overvloedig wordt tot verheerlijking van God.” (2 Korinthe 4:15)

Wandelen met God

De vraag rijst wat de oorzaak was van die blijdschap, die tot uiting komt in die woorden uit Psalm 68. Had David het soms zo gemakkelijk in zijn leven, dat hij zo verblijd kon zijn? Mocht hij genieten van een rustig voortglijdend en zorgeloos leven? Geenszins! Integendeel, moeite en strijd bleven hem niet bespaard en vele zijn de ontberingen die hij heeft moeten doorstaan. Maar, David wandelde met God! Dat was het geheim van zijn blijdschap. Merk op, hij zingt hier over de wandel, het leven, met God. Terecht zijn ook vele van onze liederen aan deze wandel met God gewijd. Nooit uitgesproken of uitgezongen raken wij over de heerlijkheid van het wandelen met God, want dit is ook vandaag nog “de bron van vreugd’ hier op aard’”. Halleluja! Davids ziel zocht de nabijheid van God. Daarom mocht hij ervaren wat vele eeuwen later door Paulus werd beschreven in Romeinen 8:35-39, niets kan ons scheiden van de liefde Gods!
Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? Zoals geschreven staat: Want omwille van U worden wij de hele dag gedood, wij worden beschouwd als slachtschapen. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad. Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere.” (Romeinen 8:35-39)
Het enige wat scheiding maakt, is de zonde. Wandelen wij in gehoorzaamheid aan Gods wil, dan zullen wij de liefde Gods dagelijks mogen ervaren en het geheim van die wonderbare blijdschap, van kinderen Gods te zijn, kennen. Maar ons begeren moet zijn: nabij God te wezen. Dit laatste moeten wij benadrukken, want het grote probleem van de Gemeente des Heren vandaag de dag is, dat dit verlangen in zijn zuivere vorm bijna niet meer gekend en gevonden wordt.
Wij zijn in de tijd aangekomen van Hooglied 5. De Bruid is slaperig geworden. En al raakt de hemelse Bruidegom dan de knop van de deur aan (zie Hooglied 5:2 [10]), al dalen dan ook somtijds reeds de eerste droppelen van de beloofde Spade Regen-zegen [11] neer, daar is geen (intens) verlangen bij de Bruid om Hem te ontmoeten. Het kost teveel moeite om de gerechtigheidskleding aan te doen.
Vandaag de dag zien wij in de Gemeente van Christus dat geen kosten of moeiten gespaard worden waar het gaat om het ontwikkelen van allerlei activiteiten, maar onder al die bezig-zijnde gelovigen zijn er maar weinigen die werkelijk begeren bij Jezus te zijn en die de prijs daarvoor willen betalen. Het verwondert ons dan ook niet, dat er wel veel “vrolijkheid” is in de gemeenten van onze tijd, maar dat de gééstelijke blijdschap van het wandelen met God doorgaans ontbreekt.

Drie aanwijzingen

Waaruit blijkt dat wij hier te maken hebben met een “jubellied van de wandel met God”? Wij hebben daarvoor een drietal aanwijzingen. Hoe dicht David bij de Here leefde, komt op wonderbare wijze in zijn woorden tot uiting:

  • Ten 1ste getuigt hij dat hij dagelijks Gods nabijheid ervaart in volheid. “…Dag aan dag overlaadt Hij ons…” (Psalm 68:20a). De beproevingen zinken in het niet vergeleken bij de zegeningen die hij telt. Er is sprake van “overladen worden”; dit wijst op de overvloed die God geeft.
  • Ten 2de getuigt hij dat God de Bron is van al zijn geluk. Dat is geen beperkt of oppervlakkig geluk, maar volkómen zaligheid. “…Die God is onze zaligheid”, “Die God is ons een God van volkomen zaligheid…” (Psalm 68:20b+21a). Niet in voorspoed of in rijkdom, maar in de Persoon van God Zelf is het waarachtige heil gelegen.
  • Ten 3de getuigt hij van de ervaring van Gods grote macht en kracht. “…bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood” (Psalm 68:21b). Hij trotseert zelfs de macht van de dood met God aan zijn zijde. Hij kende het triomferende leven!

De zang van de Nieuwtestamentische Gemeente

Met grote stelligheid van spreken kunnen wij hieraan toevoegen, dat wat Davids deel was, ook door ons, gelovigen van de Nieuwe (tijds)Bedeling [12], gekend kan worden. Deze stelligheid verkeert echter in zékerheid, als wij tot de ontdekking komen, dat David hier eigenlijk profetisch spreekt over onze tijd! Want let eens op vers 19, dat aan dit jubellied voorafgaat. Daar staat: “U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd (SV: de gevangenis gevankelijk gevoerd), U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja, ook aan opstandigen (= zij die eertijds ongehoorzaam waren: heidenen, ongelovigen): om bij U te wonen, HEERE God!” (Psalm 68:19)
Volgens sommige verklaarders wordt hier gesproken over de komst van de Ark naar Jeruzalem, maar veel belangrijker is het vast te stellen dat hier verwezen wordt naar de hemelvaart van Jezus Christus en de erop volgende uitstorting van de Heilige Geest, en daarmee ook van de geestelijke Gaven [13] op de Pinksterdag van Handelingen 2:
“En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eensgezind bijeen. En plotseling kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en dat vervulde heel het huis waar zij zaten. En aan hen werden tongen als van vuur gezien, die zich verdeelden, en het zat op ieder van hen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.” … “Toen dan dit geluid klonk, kwam de menigte samen en raakte in verwarring, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.” (Handelingen 2:1-4+6)
“Maar dit is (het) wat gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienaren en op Mijn dienaressen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.” (Handelingen 2:16-18)
In deze betekenis wordt dit psalmwoord aangehaald door de apostel Paulus in Efeze 4 vers 8:
“Daarom zegt Hij: Toen Hij opvoer in de hoogte, nam Hij de gevangenis gevangen en gaf Hij gaven aan de mensen.”
En deze machtige gebeurtenissen, die door David als in een profetisch visioen werden aanschouwd, maakten dat hij uitbarstte in die gloriezang en God hierom de lof gaf. Hij beleefde als het ware ook de blijdschap, die het deel zou zijn van de gelovigen die ná de hemelvaart van Jezus en de uitstorting van Gods Geest zouden leven. Wij zouden kunnen zeggen dat David in de huid kruipt van een Nieuwtestamentisch kind van God! Daarom is gevolgtrekking gewettigd dat Davids jubellied eigenlijk het jubellied is van de Nieuwtestamentische Gemeente van Christus. Waar David van zingt, dat heeft hij ontegenzeglijk zelf ook ondervonden, maar de uiteindelijke en rijkste vervulling ervan is weggelegd voor u en mij, ja, voor allen die door genade in onze bedeling van de tijd mogen leven.
Dit is het wat door de gelovigen van “ná Pinksteren” ervaren kan worden. Herinner u die drie punten van zojuist. Profetisch wordt in de verzen 20 en 21 (van Psalm 68) gesproken over:

  1. de volheid van de Geest;
  2. de openbaring van het Goddelijk leven in ons;
  3. de opstandingskracht van Jezus.

Het zijn deze dingen die, zo verwachten wij, in volmaaktheid [14] door de Bruidsgemeente van de laatste dagen gekend zullen worden. Maar u kunt er heden reeds een voorsmaak van ontvangen, als u hetzelfde grote begeren hebt als David om met God te wandelen. En dezelfde wonderbare blijdschap, neen, nog grotere, door de vervulling met de Heilige Geest [15], zal uw deel worden en zal maken dat ook u het lied zult kunnen zingen waarvan u de grondtonen aantreft in de zang van David. U zult een lied kunnen zingen waarvan in zeker opzicht ook geldt dat het door niemand anders gezongen zal kunnen worden; omdat het een getuigenis is van uw PERSOONLIJKE omgang met de Here Jezus Christus!

H. Siliakus
Uit: Tempelbode, april 1985
Enigszins bewerkt door A. Klein

PDF (in tablet of smartphone-formaat)

***********************************************************************************

[1] Alle Bijbelteksten zijn door mij vermeld in de Herziene Statenvertaling / HSV, tenzij anders vermeld.
–> Zie eventueel onze studie met ‘vers voor vers’ UITLEG van het Bijbelboek Openbaring 14 van E. van den Worm. (noot AK)
[2] Zie eventueel onze studie Er komt spoedig een Goddelijke Bruiloft hier op aarde van E. van den Worm. (noot AK)
[3] In het natuurlijke leven wordt –na gemeenschap, bevruchting en geboorte– een baby zichtbaar, na 9 maanden verborgen te zijn geweest in de moederschoot. Hier –in geestelijk opzicht– is de mannelijke zoon (de boreling) ook eerst “verborgen” aanwezig in het Lichaam van de Bruid/Bruidsgemeente (want “de mannelijke zoon” is reeds onder hen), maar opeens, net als bij een natuurlijke geboorte, wordt deze zoon OPENBAAR (= het openbaar worden van de zonen Gods – zie Romeinen 8:18-19). Het is dus niet “de geboorte van een zoon” die –in geestelijke zin– nog moet groeien, maar deze zoon wordt openbaar (= manifesteert zich) in de status van een VOLWASSEN (= VOLMAAKTE) zoon”. Gekomen tot “de mate van de grootte van de volheid van Christus (zie Efeze 4:13).
–> Zie eventueel onze studie Dingen die met haast geschieden moeten (in smartphone formaat), hoofdstuk 9, (of deze link) met de titel: De geboorte van de mannelijke zoon van H. Siliakus. (noot AK)
[4] Uitleg Statenvertaling: De Krethi en de Plethi = Versta, de trawanten en krijgslieden, die gewoonlijk in tijd van vrede of oorlog op de persoon van de koning achtnamen, welke boven zijn knechten genaamd worden. “Dat is, mijn knechten, die mij tot nu toe getrouwelijk gediend hebben. Anders, uwer heren, in het getal van velen; dat is, mijn en Salomo’s knechten. Versta door dezen des konings trawanten, lijfwacht, en die in de oorlog rondom zijn persoon vochten” (1Kon.1:33). Zie van dezen ook 2Sam.8:18, en 2Sam.15:18. (noot AK)
[5] Zie eventueel onze studie met ‘vers voor vers’ UITLEG van het Bijbelboek Openbaring 19 van E. van den Worm. (noot AK)
[6] Zie eventueel hoofdstuk XIV, over ‘De ark van het verbond’ in onze studie De Tabernakel van Israël (Gods profetisch model van de geestelijke ontwikkelingen van een waarachtig kind van God, tot in alle volmaaktheid toe), van E van den Worm. En/of hoofdstuk XX, over ‘De gouden Verbondskist’ in onze studie Christus in de Tabernakel (een uitgebreide uitleg over de diep-geestelijke betekenis van de verschillende Tabernakel-objecten), van CJH Theys. (noot AK)
[7] Zie eventueel onze studie De 5 wijze en 5 dwaze maagden, en hun eigen lotsbestemmingen in de eindtijd van E. van den Worm. (noot AK)
[8] Kolossenzen 2:9, “Want in Hem woont heel de volheid van de Godheid lichamelijk.”
–> Zie eventueel onze studie De volmaaktheid in Christus, op aarde, in de eindtijd van E. van den Worm. (noot AK)
[9] Zie eventueel onze studieDe natuurlijke mens en de Heilige Geest van CJH Theys. (noot AK)
[10] Hooglied 5:2, “Ik sliep, maar mijn hart waakte. De stem van mijn Liefste, Die aanklopte: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duif, Mijn volmaakte, want Mijn hoofd is vol dauw, Mijn haarlokken vol druppels van de nacht.” (noot AK)
[11] Zie eventueel ons artikel De Spade Regen opwekking (in smartphone-formaat) van H. Siliakus. (noot AK)
[12] De Nieuwe Bedeling = De periode die de verhouding tussen God en mens NA Christus’ (1ste) komst aangeeft. (noot AK)
[13] Zie eventueel onze studie De Gever en Zijn Gaven en/of De natuurlijke mens en de Heilige Geest van CJH Theys en/of De werkingen van de Geest in de eindtijd van E. van den Worm. (noot AK)
[14] Zie eventueel de studieverwijzing bij noot 8.
[15] Zie noot 9.
.
Geplaatst in Bijbelstudie, Bruiloft vh Lam/Bruid/Bruidegom, Studie van H Siliakus, Woord en Geest | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen