Wederom Mijn volk (deel 3): Israël in Hosea’s dagen

Het boek Hosea over de lotgevallen van de beide Israëlvolken:

Te weten:
het huis van Juda (2 stammen), en
het huis van Israël (10 stammen)

Herstel Israel

Deel 3

Israël in Hosea’s dagen

In het 1ste hoofdstuk van zijn Boek lezen wij dat de profeet Hosea met “een vrouw der hoererijen”, een hoer dus, moest trouwen: “Het begin van het woord des HEEREN door Hosea. De HEERE dan zei tot Hosea: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter de HEERE (Hosea 1:2, SV). Wij krijgen hier een indruk van hoe ver God kan gaan in wat Hij vraagt van zijn dienstknechten. Hosea gehoorzaamde en nam zich een zekere Gomer tot vrouw: “Hij ging en nam Gomer, een dochter van Diblaïm; zij werd zwanger en baarde hem een zoon” (Hosea 1:3). Deze Gomer moest het Huis van Israël, het 10-stammenrijk, uitbeelden dat zich in geestelijke zin ook als een hoer gedroeg en haar Man, de HERE, ontrouw geworden was. De naam Gomer betekent ironisch genoeg “volmaakt”. Wij zullen hierbij in haar geval, als type van het volk Israël, te denken hebben aan “volmaakt in het boze”! Verder kan er in deze naam een aanduiding verborgen zijn dat God een voleinding zou gaan maken met het volk Israël. Merkwaardig is dat de eerste ballingschapsnaam van Israël, Gimira of Gomri (van “het Huis van Omri” – in hoofdstuk 5 komen wij hierover nog te spreken), in het Hebreeuws op dezelfde wijze wordt geschreven als Gomer: “Gmr” (het Hebreeuws kent namelijk geen klinkers).

In het 3de hoofdstuk lezen wij dat Hosea een andere overspelige vrouw moet huwen: “En de HEERE zei tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven” (Hosea 3:1, SV). Dat het hier om een andere vrouw moet gaan, leiden wij af uit het feit dat God zegt: “Ga wederom henen…”. Er is ook een klein nuanceverschil: hier wordt niet gesproken over een hoer, maar over een overspeelster. Het is duidelijk, deze andere vrouw moet het type zijn van het andere deel van Israël, het Huis van Juda of het 2-stammenrijk, waarmee het toch minder ernstig gesteld was in de dagen van Hosea. Met dit zinnebeeldige “dubbelhuwelijk” – dat overigens ook in werkelijkheid gesloten moet zijn, want het boek Hosea spreekt erover als ware gebeurtenissen uit het leven van Hosea – wordt onmiskenbaar aangesloten bij de feitelijke toestand waarin het ene volk Israël zich toentertijd bevond: na Salomo was het gesplitst in 2 rijken en volken, Juda en Israël (de rijks-scheuring). Deze tweeheid was er echter al vóór de rijks-scheuring. Wij komen haar reeds tegen in Davids tijd: de eerste 7 jaar van zijn regering was David alleen koning over Juda – toen nog zonder Benjamin – terwijl Isboseth koning was over Israël: “Abner… de legerbevelhebber die Saul gehad had, nam Isboseth, de zoon van Saul,… en stelde hem aan tot koning over Gilead, over de Asjurieten, over Jizreël, over Efraïm en over Benjamin, over heel Israël. Isboseth, Sauls zoon, was 40 jaar oud toen hij koning werd over Israël, en hij regeerde 2 jaar. Alleen het huis van Juda stond achter David (SV: volgden David na). De tijd dat David koning geweest is in Hebron over het huis van Juda, was 7 jaar en 6 maanden.” (2Sam. 2:8-11)
Toch is zij (deze gescheidenheid van Israël en Juda) zelfs van nog oudere datum. Psalm 114:1-2 [1] leert ons dat zij al bestond tijdens de exodus uit Egypte – wij vernemen hier tevens, dat Juda een meer geestelijke roeping had, waarin zij later opgevolgd is door de Nieuwtestamentische Gemeente, het “nieuwe Heiligdom” – en Ezechiël 23 spreekt zelfs al over 2 verschillende volkeren Israël en Juda in Egypte: “Mensenkind, er waren 2 vrouwen, dochters van één moeder. Zij bedreven hoererij in Egypte…” (Ezech.23:2-3a). In dit hoofdstuk van Ezechiël 23 worden deze, net zoals in Hosea, voorgesteld door 2 vrouwen: Ohola (= Israël) en Oholiba (= Juda): “Hun namen waren Ohola, de oudste, en Oholiba, haar zuster. Zij werden Mij tot vrouw en zij baarden zonen en dochters. Dit waren hun namen: Samaria is Ohola en Jeruzalem Oholiba” (Ezech.23:4). In de woestijn Sinaï – op de trektocht van Egypte naar Kanaän, onder Mozes – bij de berg Horeb, werd het huwelijk gesloten tussen God en deze beide “vrouwen” (“zij werden Mij tot vrouw” – Ezech.23:4). Het “feest” waarvan Mozes tot de farao sprak (in Exodus 5:1), was eenbruiloftsfeest!”: “Daarna kwamen Mozes en Aäron en zeiden tegen de farao: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Laat Mijn volk gaan om voor Mij een feest te vieren in de woestijn.”
Tot in de eindtijd zal de gescheidenheid tussen Juda en Israël voortduren. Dan zal er echter ook een hereniging komen, na een tijd van grote benauwdheid: “Dit betreft Juda; hij zei: Luister, HEERE, naar de stem van Juda! Breng hem terug bij zijn volk, laten zijn handen sterk genoeg voor hem zijn, en wees (Gij) hem een Hulp tegen zijn tegenstanders (SV: zijn vijanden)!” (Deut.33:7). “Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden. Die stukken hout, die u beschreven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn. En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten (SV: de kinderen Israëls) nemen uit (het midden van) de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen (SV: vergaderen) en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als 2 volken zijn, en niet langer nog in 2 koninkrijken verdeeld zijn. (Ezech.37:19-22)

Terug echter naar de Oudtestamentische tijden. Zij dienen ons een droevige geschiedenis op. Beide vrouwen werden hun Man en God spoedig ontrouw. En deze ontrouw – en welke vormen ze had aangenomen in de nadagen van de beide rijken – wordt (onder andere) beschreven in het Boek Hosea. Zoals in de inleiding van deze studie al werd aangegeven gaat het in het Boek Hosea in het bijzonder over het 10-stammenrijk, hoewel ook over Juda gesproken wordt, maar minder vaak. De sterkste nadruk valt – in deze beschrijving van Israëls zondige staat – op de “geestelijke hoererij” die bedreven werd, de afgodendienst, de eigenlijke ontrouw (aan God). Deze droevigste van alle zonden, die eigenlijk al het andere “omspant”, wordt in een groot aantal teksten van het Boek Hosea genoemd:

  • KLIK HIER voor het vervolg van Hosea, deel 3.

Wordt vervolgd

H. Siliakus
Bewerkt door A. Klein

***********************************************************************************

[1] Psalm 114:1-2, “Toen Israël uit Egypte trok, het huis van Jakob uit een volk met een vreemde taal, werd Juda Zijn heiligdom, Israël Zijn koninklijk bezit (SV: Zijn volkomen heerschappij).”

****************************

Deel 1: Hosea – De schrijver en het Boek
Deel 2: Israël vóór de tijd van Hosea

.

Over De Eindtijdbode

Een 'roepende in de woestijn' die 'de bazuin blaast' om velen (via GRATIS Bijbelstudies) te tonen "de dingen die - volgens Gods plan - spoedig geschieden zullen". Volgens Openbaring 1 vers 1, 10 en 19.
Dit bericht werd geplaatst in Belangrijke studie als 'basiskennis', Bijbelstudie, Eindtijdstudie, Gehoorzaamheid aan God, Genadetijd Gods, Israël/huis van Israël, Oordelen Gods, Studie van H Siliakus, Uitleg over het boek Hosea en getagged met , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s